Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:528

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2015
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
14/06072
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:163, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BOPZ. Voorlopige machtiging. Verzoek betrokkene om ‘second opinion’ afgewezen; motiveringseisen afwijzing (HR 8 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7925, NJ 2013/157). Stelplicht betrokkene.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/556
NJ 2015/131 met annotatie van
RvdW 2015/373
JWB 2015/101
RFR 2015/68
FJR 2015/58.7
JVGGZ 2015/11 met annotatie van Red.
PFR-Updates.nl 2015-0079
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 maart 2015

Eerste Kamer

14/06072

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT GELDERLAND,
zetelende te Arnhem,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de betrokkene en de officier van justitie.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/268954/FA RK 14/2766 van de rechtbank Gelderland van 4 september 2014.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland.

3 Beoordeling van het middel

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht op de voet van art. 2 Wet Bopz een voorlopige machtiging te verlenen tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

(ii) Bij dit verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd (hierna: de geneeskundige verklaring), opgemaakt en ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [A].

(iii) Op 4 september 2014 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. Daarbij waren onder meer aanwezig betrokkene en haar advocaat. De advocaat van betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht om de benoeming van een andere deskundige en dit verzoek als volgt toegelicht:

“Ik wil dat er een echt onafhankelijk psychiatrisch onderzoek dient plaats te vinden in hoeverre hier sprake is van psychiatrische problematiek in engere zin (AS I DSM) en/of in hoeverre hier sprake is van een sterke persoonlijkheid – waarbij met het vorderen van de leeftijd en het afnemen van mogelijkheden sommige karaktertrekken wat scherper worden – en met de expliciete vraag of MM een adequate opname plek is voor deze cliënte.”

3.2

De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend. Het verzoek van de advocaat om een ‘second opinion’ is door de rechtbank afgewezen, met als motivering “dat onvoldoende naar voren is gebracht op grond waarvan een andere psychiater tot een andere diagnose zou komen”.

3.3

Onderdeel 2.1 klaagt, samengevat, dat de rechtbank met dit oordeel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent hetgeen van de zijde van de betrokkene kan of moet worden aangevoerd ter onderbouwing van een verzoek om een contra-expertise (second opinion), althans dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd.

3.4.1

Bij de beoordeling van deze klachten wordt het volgende vooropgesteld.

De rechter is overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure vrij een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige af te wijzen. Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing, worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten. (HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978, NJ 2007/153 en HR 8 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7925, NJ 2013/157)

3.4.2

Het verzoek van de advocaat strekte ertoe nader te onderzoeken of werkelijk sprake is van een psychiatrische aandoening of dat in wezen slechts sprake is van bepaalde karaktereigenschappen die door (toenemende) fysieke beperkingen zijn versterkt. Ten aanzien van een dergelijk verzoek om een nader, deskundig medisch-psychiatrisch onderzoek kunnen geen hoge eisen worden gesteld aan de stelplicht van betrokkene. Voldoende is dat duidelijk is waarom de conclusies van de geneeskundige verklaring in twijfel worden getrokken en waarop het verzochte onderzoek zich volgens betrokkene zou moeten richten.

3.4.3

Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is namens betrokkene betwist dat sprake is van een stoornis in de zin van art. 1 lid 1 Wet Bopz en is gesteld dat het disproportioneel is om betrokkene gedwongen te laten opnemen nu zij zich nog redelijk thuis redt met hulp van derden. Voorts is door de advocaat van betrokkene erop gewezen dat uit de geneeskundige verklaring volgt dat een ambulante behandeling de doelstelling zou moeten zijn.

3.4.4

In de geneeskundige verklaring staat vermeld dat sprake is van (vooral) temperamentstoornissen met geagiteerd gedrag, veroorzaakt door een links-temporaal semi-goedaardige tumor van het hersenvlies (rubriek 4d), dat niet zeker is of alles onderzocht is wat mogelijk zou kunnen zijn om het gevaar buiten een psychiatrisch ziekenhuis af te wenden, dat het zou kunnen zijn dat medicatie geïndiceerd is die het temperament van betrokkene mogelijk kan doen bijstellen en dat temporele gedragsveranderingen en -problemen een bekend neurologisch fenomeen vormen, die soms succesvol te behandelen zijn en soms onbehandelbaar blijken (rubriek 6a). Voorts blijkt uit de verklaring dat ook systeemgegevenheden en de hartkwaal van de partner een rol spelen en dat bij eventuele hospitalisering sterk gestreefd moet worden naar geheel of gedeeltelijk ambulante voortzetting (rubriek 6b).

3.4.5

Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat het in het onderhavige geval gaat om een eerste onvrijwillige opname, heeft betrokkene haar verzoek om een nader deskundigenonderzoek voldoende toegelicht. Het bestreden oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover de rechtbank ervan is uitgegaan dat betrokkene feiten of omstandigheden diende te stellen waaruit kan volgen dat een andere psychiater tot een andere diagnose zou komen; een dergelijke eis veronderstelt een deskundigheid die niet van betrokkene of haar raadsman gevergd kan worden. Voor zover de rechtbank hiervan niet is uitgegaan, is haar oordeel onvoldoende gemotiveerd, nu uit de bestreden beschikking – gelet op de stukken van het geding – niet volgt dat en op grond van welke gegevens reeds duidelijkheid is verkregen omtrent de te beslissen punten. De klachten slagen dus.

3.5

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 4 september 2014;

verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, C.E. Drion en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 6 maart 2015.