Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:523

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2015
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
14/00574
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2343, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Afwijzing verzoek tot vervanging deskundige(n). Schending ‘equality of arms’? Objectieve rechtvaardiging voor twijfel procespartij aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid deskundige (EHRM 5 juli 2007, ECLI:NL:XX:2007:BB5086, NJ 2010/323). Moment waarop klacht over schijn van partijdigheid moet worden aangevoerd (HR 14 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1067, NJ 2014/310). Schadeloosstelling, schade aan het overblijvende, art. 40, 41 Ow. Is schade door werkzaamheden van een derde op het overblijvende, een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van verlies zaak? Peildatum in verband met latere verkoop van het overblijvende, art. 40a Ow.

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/554
RvdW 2015/372
JWB 2015/105
RBP 2015/42
NJ 2015/254 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
TBR 2015/134 met annotatie van J.J. van der Grouw, J.A.M.A. Sluysmans
JOM 2015/375
annotatie in TvAR 2015/5805, UDH:TvAR/12171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 maart 2015

Eerste Kamer

14/00574

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.F. de Groot,

t e g e n

de STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat Noord-Brabant),
zetelende te ’s-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de Staat.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/01/216133/HA ZA 10-1820 van de rechtbank Oost-Brabant van 10 november 2010, 6 maart 2013, 3 juli 2013 en 20 november 2013.

De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van 20 november 2013 van de rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaten.

De conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal J.C. van Oven strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaten van de Staat hebben bij brief van 9 januari 2015 op de conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Uit kracht van het Koninklijk Besluit van 22 februari 2010, nr. 10.000465, Stcrt. 22 maart 2010 nr. 4536, en op de voet van art. 72a Ow is op vordering van de Staat bij vonnis van 10 november 2010 vervroegd de onteigening uitgesproken van zeven percelen of gedeelten daarvan, gelegen in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel.

(ii) De onteigening is geschied ten behoeve van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen vanaf kilometer 116.500 (aftakking bestaande Zuid-Willemsvaart) tot kilometer 125.480 (aansluiting Maas), met bijkomende werken, in de gemeenten Sint-Michielsgestel en ’s-Hertogenbosch. In het kader van dit werk zullen op de onteigende gronden worden aangelegd (een deel van) bermen, een lokale verbindingsweg, watergangen en de nieuwe, te verleggen provinciale weg. In totaal is een oppervlakte van 14.16.63 ha onteigend. De onteigende gronden maakten deel uit van het gemengde agrarische bedrijf annex loonbedrijf van [eiser] c.s., waarvan de huiskavel (kadastraal perceel [A 001]) is gelegen aan de [a-straat] in [plaats]. [eiser] c.s., drie broers, oefenen hun bedrijf uit in vof-verband.

(iii) Het vonnis van vervroegde onteigening is inmiddels onherroepelijk geworden. Het is op 2 februari 2011 in de openbare registers ingeschreven.

3.2

De door de rechtbank benoemde deskundigen hebben een definitief advies en een drietal nadere adviezen ter griffie van de rechtbank gedeponeerd. [eiser] c.s. hebben vervolgens verzocht de deskundigen, althans de deskundige [betrokkene 1], te vervangen. De Staat heeft zich daartegen verzet. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Zij heeft voorts de door de Staat aan [eiser] c.s. verschuldigde schadeloosstelling vastgesteld op € 1.402.033,-- en de door de Staat aan [eiser] c.s. te vergoeden kosten van juridische en andere deskundige bijstand begroot op resp. € 100.293, 70 en € 76.500,--.

3.3.1

Onderdeel 2 (onderverdeeld in 2.1-2.9) van het hiertegen gerichte middel - onderdeel 1 bevat geen klachten, maar een inleiding - is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van het verzoek de deskundigen, althans de deskundige [betrokkene 1], te vervangen. Aan dit – herhaalde - verzoek is ten grondslag gelegd dat de deskundige [betrokkene 1] niet valt aan te merken als een onafhankelijke en onpartijdige deskundige omdat hij zonder daarvan melding te maken, werkzaamheden heeft verricht voor Rijkswaterstaat. Ook de overige deskundigen dienen te worden vervangen aangezien zij, nadat zij van het vorenstaande op de hoogte waren geraakt, zich niet van [betrokkene 1] hebben gedistantieerd.

3.3.2

Bij de behandeling van het onderdeel is het volgende van belang. De rechtbank heeft in 2011, nadat [eiser] c.s. bij brief de onpartijdigheid van de deskundige aan de orde hadden gesteld en zich dienaangaande hadden gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, aan [eiser] c.s. bericht dat die brief aldus wordt begrepen dat niet wordt verzocht de deskundige te vervangen. Het deskundigenbericht is daarna tot stand gekomen. In haar tussenvonnis van 6 maart 2013 heeft de rechtbank vooropgesteld dat het optreden van [betrokkene 1] als partij-deskundige voor de Staat in beginsel vragen oproept omtrent zijn onafhankelijkheid. In de specifieke omstandigheden van het geval is dit echter onvoldoende reden om [betrokkene 1] als deskundige te vervangen. Deze omstandigheden zijn:

- de uitleg die [betrokkene 1] zelf schriftelijk heeft gegeven,

- de omstandigheid dat [betrokkene 1] al jaren door de rechtbank als deskundige wordt benoemd en nimmer aanleiding heeft gegeven om aan zijn onafhankelijkheid te twijfelen,

- het feit dat de kwestie is voorgelegd aan de gedaagden in de andere onteigeningszaken ten behoeve van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart, maar dat geen van hen aanleiding heeft gezien de rechtbank te verzoeken de deskundige [betrokkene 1] te vervangen, en

- het feit dat ook [eiser] c.s. zelf de onderhavige kwestie al in 2011 bij de rechtbank aan de orde hebben gesteld, maar toen niet om vervanging van [betrokkene 1] als deskundige hebben verzocht, en zich hebben gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Hierop voortbouwend oordeelde de rechtbank dat in de specifieke omstandigheden van het geval niet kan worden aangenomen dat thans bij [eiser] c.s. naar objectieve maatstaven de gerechtvaardigde schijn is gewekt dat de deskundige [betrokkene 1] niet onpartijdig of niet onafhankelijk zijn werk als deskundige zou (kunnen) uitvoeren.

3.4.1

Bij de beoordeling van de klachten van het onderdeel wordt vooropgesteld dat onder bepaalde omstandigheden een gebrek aan onpartijdigheid aan de zijde van een door de rechter benoemde deskundige, een schending kan meebrengen van het beginsel van equality of arms. In dit verband kan ook aan de vrees van een procespartij voor partijdigheid van een deskundige een zeker gewicht toekomen. Een zodanige vrees is echter niet van beslissende betekenis; wél van beslissende betekenis is of de twijfels die door de schijn van partijdigheid worden gewekt, objectief gerechtvaardigd zijn (EHRM 5 juli 2007, ECLI:NL:XX:2007:BB5086, NJ 2010/323, par. 47-48).

3.4.2

Voor zover het onderdeel aanvoert dat het niet erom gaat of bij de rechtbank de objectief te rechtvaardigen schijn van partijdigheid is gewekt, maar bij de desbetreffende procespartij, ziet het eraan voorbij dat aan de rechtbank ter beoordeling staat of de door een procespartij gestelde schijn van partijdigheid van de deskundige inderdaad bestaat en zo ja, of de twijfels die door deze schijn van partijdigheid worden gewekt, objectief gerechtvaardigd zijn.

3.4.3

Voor zover het onderdeel erover klaagt dat reeds de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid voldoende was om [betrokkene 1] als deskundige te vervangen, ziet het eraan voorbij dat de rechtbank - in haar tussenvonnis van 6 maart 2013, dat mede aan haar eindvonnis ten grondslag ligt – heeft geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat bij [eiser] c.s. naar objectieve maatstaven de gerechtvaardigde schijn van partijdigheid is gewekt. In zoverre mist het onderdeel dus feitelijke grondslag.

3.4.4

Voor zover het onderdeel erover klaagt dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank de hiervoor in 3.3.2 vermelde specifieke omstandigheden van het geval in haar beoordeling heeft betrokken, en daarop zelfs haar oordeel heeft gebaseerd, faalt het omdat deze omstandigheden, zowel afzonderlijk als in samenhang beoordeeld - zoals de rechtbank klaarblijkelijk heeft gedaan - kunnen bijdragen aan het oordeel dat de rechtbank heeft bereikt.

3.4.5

Voor zover het onderdeel erover klaagt dat de rechtbank betekenis heeft gehecht aan de omstandigheid dat [eiser] c.s. het verzoek tot vervanging van de deskundige(n) pas hebben gedaan nadat dezen hun rapporten hadden uitgebracht, faalt het. Bij de beantwoording van de vraag op welk moment een partij dient te klagen indien haar tijdens het deskundigenonderzoek feiten en omstandigheden bekend worden die haar doen twijfelen aan de onpartijdigheid van de deskundige, geldt als uitgangspunt dat de klacht tijdig is aangevoerd indien zij door die partij naar voren wordt gebracht in haar eerste gedingstuk nadat het rapport van de deskundige is gedeponeerd. Dit kan evenwel anders zijn wanneer de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de klacht eerder had moeten worden aangevoerd. (HR 14 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1067, NJ 2014/310). In dit geval heeft de rechtbank niet geoordeeld dat het verzoek niet tijdig is gedaan, maar bij de afwijzing daarvan wel meegewogen dat [eiser] c.s. hun bezwaar tegen de deskundige [betrokkene 1] al in 2011 aan de rechtbank kenbaar hadden gemaakt, zich toen hebben gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en geen nieuwe bezwaren naar voren hebben gebracht. Aldus oordelend heeft zij geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.4.6

Ook overigens is het oordeel van de rechtbank niet onjuist of onbegrijpelijk gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, leent het zich niet voor verdere toetsing in cassatie. Onderdeel 2 faalt.

3.5

Onderdeel 3 (onderverdeeld in 3.1-3.5) is gericht tegen hetgeen de rechtbank in rov. 2.26 van haar tussenvonnis van 3 juli 2013 heeft overwogen, waarop zij heeft voortgebouwd in haar eindvonnis. Deze overweging luidt als volgt:

“Drainage overblijvende percelen

2.26.

Ter zitting hebben [eiser] c.s. aangevoerd dat werkzaamheden op het overblijvende dienen te worden uitgevoerd om een bevredigende oplossing te bereiken voor de hydrologische effecten van de aanleg van de Zuid Willemsvaart. Daartoe verwijzen zij naar een rapport van Royal Haskoning d.d. 8 februari 2013. Volgens hen is uit overleg tussen het Waterschap, Rijkswaterstaat en [eiser] c.s. gebleken dat op de niet onteigende percelen in het najaar ingrijpende en schadetoebrengende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. De rechtbank kan niet inzien dat dit tot een aanvullende schadeloosstelling moet leiden. Indien het standpunt van [eiser] c.s. juist zou zijn, dan moet worden aangenomen dat de Staat die maatregelen neemt die nodig zijn. Voor zover dat schade toebrengt aan [eiser] c.s zal de Staat alsdan die schade moeten vergoeden. Dat is althans de verwachting waarmee ten tijde van de onteigening rekening mocht worden gehouden. Verder geldt overigens dat [eiser] c.s. naar mag worden aangenomen feitelijk geen schade zullen lijden, omdat volgens hun eigen stellingen met het Waterschap overeenstemming is bereikt over de aankoop van de na onteigening resterende gronden.”

3.6

Het onderdeel houdt in de kern in dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Staat de noodzakelijke maatregelen zal nemen en eventuele schade als in deze overweging bedoeld, zal vergoeden. De rechtbank had zelfstandig moeten beoordelen of de onderhavige schade als gevolg van de onteigening voor vergoeding in aanmerking komt. De door haar aangevoerde redenen om dit na te laten, berusten op een onjuiste rechtsopvatting, aldus nog steeds het onderdeel.

3.7.1

Bij de beoordeling van deze klachten is het volgende van belang.

3.7.2

De rechtbank heeft in haar onherroepelijk geworden vonnis van 10 november 2010 onder meer vastgesteld dat [eiser] c.s. hebben aangevoerd dat de onderhavige onteigening onlosmakelijk samenhangt met de plannen van het Waterschap Aa en Maas (hierna: het Waterschap) betreffende de aanleg van de Rosmalense Aa en het - partijen bekende - project Dynamisch Beekdal. De uitvoering van deze laatstbedoelde plannen, die verband hielden met de hydrologische gevolgen van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen, diende mede plaats te vinden op het overblijvende.

3.7.3

Uit de processtukken blijkt dat inmiddels overleg heeft plaatsgevonden tussen [eiser] c.s. en het Waterschap, dat heeft geresulteerd in aankoop van het overblijvende door het Waterschap. Deze koopovereenkomst is gesloten na 2 februari 2011, de datum waarop de Staat zich de onteigende gronden in eigendom verwierf (zie hiervoor in 3.1 onder (iii)).

3.7.4

[eiser] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat in de aan hen toe te kennen schadeloosstelling een bedrag dient te worden begrepen ter zake van de waardevermindering van het overblijvende die werd veroorzaakt door de vorenbedoelde hydrologische gevolgen van de door het Waterschap uit te voeren werken, welke gevolgen zich ook op het overblijvende doen gelden.

De Staat heeft dit betwist. Hij heeft in de eerste plaats aangevoerd dat deze waardevermindering niet een schade is die het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van het verlies van de onteigende gronden, maar van de door het Waterschap uit te voeren werken. In de tweede plaats heeft de Staat zich beroepen op de omstandigheid dat [eiser] c.s. inmiddels het overblijvende hebben verkocht aan het Waterschap, zodat zij in zoverre geen schade (meer) lijden. In de derde plaats heeft de Staat betoogd dat op de peildatum al bekend was dat het Waterschap ter plaatse werkzaamheden zou gaan uitvoeren, hetgeen een waardedrukkend effect had op alle gronden in het desbetreffende gebied, waaronder het overblijvende. De hydrologische gevolgen van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart Maas-Den Dungen doen zich voorts niet alleen voor op het overblijvende, maar ook op alle andere omliggende gronden. Daarom kunnen [eiser] c.s., evenals de eigenaren van die omliggende gronden, terzake geen andere aanspraak doen gelden dan op vergoeding van planschade, zulks tot een lager bedrag dan dat van de volledige schadevergoeding die op de voet van de art. 40 en 41 Ow dient te worden toegewezen, aldus nog steeds de Staat.

3.8.1

Bij de beoordeling van de klacht wordt vooropgesteld dat de door de rechtbank aan de eigenaar toe te kennen schadeloosstelling een volledige vergoeding vormt voor alle schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt (art. 40 Ow). Bij het bepalen van de schadeloosstelling wordt rekening gehouden met de mindere waarde welke voor niet onteigende goederen van de onteigende ("het overblijvende") het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van het verlies van zijn goed (art. 41 Ow).

3.8.2

Het bedrag van de aan de onteigende toe te wijzen schadeloosstelling dient, zoals ligt besloten in de woorden "een volledige vergoeding" in art. 40 Ow, de compensatie te vormen voor de totale schade die de onteigende als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van het verlies van zijn zaak lijdt. Daarom dient de rechtbank over elke door de onteigende gestelde schadepost en de hoogte daarvan, een gemotiveerde beslissing te nemen.

3.8.3

De rechtbank heeft dit klaarblijkelijk miskend en aldus van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Het onderdeel treft in zoverre doel.

3.9.1

De enkele omstandigheid dat niet de onteigenende partij, de Staat, maar een derde, het Waterschap, de ten processe bedoelde werkzaamheden zal uitvoeren, brengt niet zonder meer mee dat deze werkzaamheden niet kunnen gelden als schade die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. Ook schade aan het overblijvende die voortvloeit uit door een derde verrichte werkzaamheden welke onlosmakelijk samenhangen met het werk met het oog waarop de onteigening plaatsvindt, kan onder omstandigheden als zodanige schade worden aangemerkt. [eiser] c.s. hebben aangevoerd dat daarvan in dit geding sprake is (zie hiervoor in 3.7.2). De omstandigheid dat ook de eigenaren van omliggende gronden vergelijkbare schade lijden, maakt dit niet anders.

3.9.2

Voor zover de rechtbank dit heeft miskend, is het onderdeel ook in zoverre gegrond.

3.10.1

Het feit dat [eiser] c.s. inmiddels het overblijvende hebben verkocht aan het Waterschap, brengt niet mee dat zij in zoverre geen voor vergoeding in aanmerking komende schade lijden. De feiten en omstandigheden die aanwezig zijn op de dag waarop het vonnis van onteigening in de openbare registers wordt ingeschreven (de peildatum), zijn beslissend bij het bepalen van de omvang van de schadeloosstelling (art. 40a Ow). Dit is door de rechtbank in rov. 2.26 van haar eindvonnis miskend. Ook in zoverre treft het onderdeel doel.

3.10.2

In dit verband verdient nog opmerking dat indien, zoals de Staat heeft aangevoerd, op de peildatum al bekend was dat het Waterschap ter plaatse werkzaamheden zou gaan uitvoeren, en dit een waardedrukkend effect had op alle gronden in het desbetreffende gebied, waaronder het overblijvende, zulks mede van belang is voor de hoogte van de prijs die een redelijk handelende koper in het vrije commerciële verkeer bereid zou zijn geweest te betalen voor het overblijvende, en dus ook voor de omvang van de aan de onteigende toe te kennen schadeloosstelling.

3.11

De overige klachten van onderdeel 3 kunnen niet tot cassatie leiden; hetzelfde geldt voor de klachten van onderdeel 4. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 20 november 2013;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 493,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.E. Drion, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 6 maart 2015.