Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:505

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
14/06524
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:118, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Verhouding tussen zittingsrechter en RC.

1. Art. 238.2 Sv. Na de kennisgeving van de OvJ dat tot dagvaarding zal worden overgegaan is de RC bevoegd tot voortzetting van zijn o.g.v. art. 181 - 183 Sv reeds lopende onderzoek zolang het onderzoek ttz. nog niet is aangevangen. De bevoegdheid tot voortzetting van het onderzoek na (mededeling van het voornemen tot) dagvaarding is beperkt tot het onderzoek dat de RC noodzakelijk acht. Na die kennisgeving is voor vorderingen of verzoeken a.b.i. artt. 181 en 183 Sv om onderzoekshandelingen te verrichten geen plaats. Tegen afwijzing door de RC van na (kennisgeving van) dagvaarding naar voren gebrachte wensen tot onderzoek staat voor verdachte geen bezwaarschrift o.g.v. art. 183.3 Sv open en voor de OvJ geen h.b. o.g.v. art. 446.1 Sv.

2. Vorderingen of verzoeken aan de RC tot onderzoekhandelingen na verwijzing ex art. 316 Sv? Artt. 181 en 183 Sv zijn krachtens 316.3 Sv niet van overeenkomstige toepassing op het onderzoek door de RC na verwijzing. Voor vorderingen van de OvJ of verzoeken van verdachte als in die bepalingen bedoeld is na verwijzing op de voet van art. 316 Sv dan ook geen plaats. Aan de in art. 185.2 Sv geformuleerde bevoegdheid van de RC om een regiebijeenkomst te beleggen, kan niet worden ontleend dat de bedoelde vorderingen of verzoeken toch kunnen worden gedaan.

3. Beroep of bezwaar tegen beslissingen van de RC na dagvaarding of verwijzing? Na (kennisgeving van) dagvaarding of na verwijzing op de voet van art. 316 Sv is geen plaats voor vorderingen of verzoeken aan de RC a.b.i. in artt. 181 en 183 Sv. Dat brengt mee dat tegen een in die fase door de RC gegeven afwijzing van aan hem door de OvJ of verdachte kenbaar gemaakte onderzoekswensen geen h.b. op grond van art. 446.1 Sv openstaat, resp. geen bezwaarschrift o.g.v. van art. 183.3 Sv kan worden ingediend.

Het middel, dat de klacht bevat dat de raadkamer ten onrechte heeft geoordeeld dat bezwaarde ontvankelijk is in zijn bezwaarschrift tegen de afwijzende beschikking van de RC, slaagt o.g.v. hetgeen hiervoor (zie vraag 3) is overwogen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 181
Wetboek van Strafvordering 182
Wetboek van Strafvordering 183
Wetboek van Strafvordering 185
Wetboek van Strafvordering 237
Wetboek van Strafvordering 238
Wetboek van Strafvordering 316
Wetboek van Strafvordering 416
Wetboek van Strafvordering 445
Wetboek van Strafvordering 446
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/386
NJB 2015/560
NJ 2015/311 met annotatie van M.J. Borgers
NBSTRAF 2015/86
SR-Updates.nl 2015-0104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 maart 2015

Strafkamer

nr. 14/06524 CW

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie in het belang de wet van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van de Rechtbank Noord-Holland, Locatie Alkmaar, nummer 13/1402,van 19 augustus 2013 in de zaak van de verdachte:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats].

1 De bestreden beschikking

Bij de bestreden beschikking is de verdachte ontvankelijk verklaard in zijn op de voet van art. 182, zesde lid, Sv ingediende bezwaarschrift en is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

2 Het cassatieberoep

De Procureur-Generaal J.W. Fokkens heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3 Inhoud van de bestreden beschikking, vraagstelling en wettelijk kader

3.1.

Het gaat in dit geding om het volgende. In de zaak die heeft geleid tot de bestreden beschikking heeft de Rechtbank de zaak op de terechtzitting van 10 juni 2013 verwezen naar de Rechter-Commissaris "teneinde lopende onderzoeken af te ronden en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris overigens in overleg met de officier van justitie en de raadsvrouw wenselijk of noodzakelijk acht." De verdediging heeft bij de Rechter-Commissaris diverse verzoeken ingediend om onderzoekshandelingen te verrichten. Bij beschikking van 1 augustus 2013 heeft de Rechter-Commissaris deze verzoeken gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Tegen de afwijzing heeft de raadsvrouwe namens de verdachte op 7 augustus 2013 een bezwaarschrift ingediend. De Rechtbank heeft de verdachte bij beschikking van 19 augustus 2013 in zijn bezwaarschrift ontvankelijk verklaard.

3.2.

De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De rechtbank overweegt ambtshalve dat bezwaarde in zijn bezwaarschrift kan worden ontvangen op grond van de volgende overwegingen.

Ter openbare terechtzitting van 10 juni 2013 heeft de rechtbank de zaak - open - verwezen naar de rechter-commissaris teneinde lopende onderzoeken af te ronden en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris overigens in overleg met de officier van justitie en de raadsvrouw wenselijk of noodzakelijk acht. De rechtbank heeft daarmee aangegeven dat de rechter-commissaris beslissingsbevoegdheid toekomt om binnen de wettelijke en de door de rechtbank vermelde (in casu geen bijzondere) grenzen bepaalde onderzoeken uit te voeren, zulks ter beoordeling door de rechter-commissaris. Voor zover de rechter-commissaris in dat kader bepaalde beslissingen neemt waarmee de verdediging zich niet kan verenigen, komt de vraag aan de orde of daartegen een rechtsmiddel bij de raadkamer van de rechtbank openstaat of dat de beslissing bij de verwijzende zittingsrechter dient te blijven.

De rechtbank is in het onderhavige geval van oordeel dat bezwaarde tegen deze tussentijdse beslissing van de rechter-commissaris een bezwaarschrift kan indienen bij (de raadkamer van) de rechtbank. Het enkele feit dat in artikel 316, lid 3 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de eerste afdeling van de Derde Titel van dit wetboek niet is vermeld, maakt dat niet anders. In bedoelde afdeling is aan de verdachte het recht toegekend een bezwaarschrift in te dienen bij de rechtbank indien de rechter-commissaris weigert de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten (artikelen 182, lid 6 en 183, lid 3 Sv). Laatstgenoemde artikelen hebben betrekking op het vóóronderzoek (voorheen gerechtelijk vooronderzoek) als er van (een voornemen tot) dagvaarden, laat staan een zittingsrechter, nog geen sprake is. In die zin is het begrijpelijk dat de eerste afdeling van de Derde Titel niet in artikel 316, lid 3, Sv is opgenomen: van vooronderzoek in evenbedoelde zin kan immers in de situatie van artikel 316 Sv geen sprake meer zijn. Het wegvallen van de bij dit wetboek bepaalde mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen staat in het onderhavige geval echter niet in de weg aan de ontvankelijkheid van bezwaarde in zijn bezwaarschrift.

In de thans aan de orde zijnde zaak, waarin een open verwijzing naar de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, heeft de zittingsrechter aan de rechter-commissaris opdracht gegeven om nader vooronderzoek te verrichten dat feitelijk nauwelijks verschilt van een vooronderzoek vóór dagvaarding, mede gelet op de toepasselijkverklaring van tal van bepalingen betreffende de uitvoering van het vooronderzoek in artikel 316 Sv. Als onder deze omstandigheden door de zittingsrechter de voortzetting van het vooronderzoek (weer) aan de rechter-commissaris wordt overgelaten, staat een redelijke wetstoepassing er niet aan in de weg dat de verdediging de bevoegdheid wordt gegeven om een bezwaarschrift in te dienen tegen bepaalde beslissingen van de rechter-commissaris op gelijke wijze als bij het vooronderzoek vóór dagvaarding. Het tegendeel komt de rechtbank onredelijk voor ten opzichte van de verdediging. Op de voet van de artikelen 445 en 446 Sv zou de verdediging bijvoorbeeld na een regiezitting, waarin vorderingen respectievelijk verzoeken van de officier van justitie en de verdediging aan de orde kunnen komen, géén beroep tegen beschikkingen van de rechter-commissaris bij de rechtbank kunnen instellen (artikel 445 Sv) en de officier van justitie wèl (artikel 446 Sv). Dit klemt te meer nu artikel 185 Sv (over de regiezitting) zowel van toepassing is op de situatie vóór als ná dagvaarding. Een en ander nog los van de onpraktische gevolgen waarbij in het bijzonder valt te denken aan vertraging van het strafproces, onder meer bestaande uit extra regiezittingen, welk gevolg de wetgever nu juist door de nieuwe wetgeving wil voorkomen. De in de wet verankerde afbakening van de regiefunctie tussen de zittingsrechter en de rechter-commissaris blijft bij dit alles overigens altijd en geheel in handen van de uiteindelijk verantwoordelijke zittingsrechter. Deze immers bepaalt of en op welke wijze zaken naar de rechter-commissaris worden verwezen. Dat kan open gebeuren, zoals in het onderhavige geval, of beperkt, in welk geval bezwaarschriften tegen beslissingen van de rechter-commissaris minder voor de hand liggen.

Gelet op al het voorgaande en gelet op het feit dat het bezwaarschrift binnen veertien dagen na het nemen van de afwijzende beschikking van de rechter-commissaris is ingediend, is bezwaarde ontvankelijk in zijn bezwaarschrift."

3.3.

Voor de beoordeling van de vordering zijn de volgende wettelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van belang:

- art. 181 Sv

"1. De officier van justitie kan vorderen dat de rechter-commissaris met het oog op de opsporing van een strafbaar feit onderzoekshandelingen verricht. Hij geeft daarbij een omschrijving van het feit waarop het onderzoek betrekking dient te hebben en van de door hem gewenste onderzoekshandelingen. De vordering wijst indien deze bekend is de verdachte aan.

(...)"

- art. 182 Sv

"1. Een persoon die als verdachte van een strafbaar feit is verhoord, of die reeds terzake van een strafbaar feit wordt vervolgd, kan de rechter-commissaris verzoeken dienaangaande onderzoekshandelingen te verrichten.

(...)

6. Indien de rechter-commissaris weigert de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten, kan de verdachte binnen veertien dagen een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank.

7. Indien de verdachte in voorlopige hechtenis is gesteld, kan de rechter-commissaris indien hij dit noodzakelijk acht, ten aanzien van het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, ambtshalve onderzoekshandelingen verrichten. (...)"

- art. 183 Sv

"1. In het kader van een uit hoofde van de artikelen 181 of 182, zevende lid, ingesteld onderzoek, kan de verdachte schriftelijk wensen tot onderzoek kenbaar maken aan de rechtercommissaris.

(...)

3. Indien de rechter-commissaris weigert de door de verdachte gewenste onderzoekshandelingen te verrichten, kan de verdachte binnen veertien dagen een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank."

- art. 185 Sv

"1. Indien de rechter-commissaris dit voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk acht, roept hij de officier van justitie en de verdachte op voor hem te verschijnen, teneinde de stand van zaken in het onderzoek te bespreken.

2. De rechter-commissaris kan ten behoeve van het goede verloop van het onderzoek, bij gelegenheid van of in aansluiting op de regiebijeenkomst bedoeld in het eerste lid, de officier van justitie en de verdachte een termijn stellen voor het indienen van een vordering of verzoek tot verrichten van onderzoekshandelingen, of voor de onderbouwing daarvan."

- art. 237 Sv

"Indien de rechter-commissaris de onderzoekshandelingen heeft voltooid, of indien tot voorzetting van het onderzoek geen grond bestaat, beëindigt hij het onderzoek. (...)"

- art. 238 Sv

"1. Indien de officier van justitie de rechter-commissaris schriftelijk mededeelt dat hij van verdere vervolging afziet, beëindigt de rechter-commissaris het onderzoek.

2. De officier van justitie die voornemens is de verdachte te dagvaarden terwijl de rechter-commissaris nog onderzoekshandelingen verricht, stelt de rechter-commissaris hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. De rechter-commissaris kan, zonodig na de officier van justitie en de verdachte of diens raadsman te hebben gehoord, het onderzoek beëindigen. Indien hij zijn onderzoek voortzet, doet hij een proces-verbaal in het dossier opnemen met de mededeling dat het onderzoek uit hoofde van deze Titel nog niet is afgerond."

Voor de geschiedenis van de totstandkoming van de huidige wettekst van art. 238 Sv zij verwezen naar de vordering van de Procureur-Generaal onder 7 tot en met 13.

- art. 316 Sv

"1. Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt de rechtbank met schorsing van het onderzoek ter terechtzitting onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris.

2. In het geval het onderzoek uitsluitend zal bestaan in het horen van getuigen of het verlenen van een opdracht aan, het benoemen en horen van deskundigen kan de rechtbank de zaak verwijzen naar de rechter-commissaris (...).

3. Het onderzoek wordt overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de vijfde en zevende afdeling van de Derde Titel van dit Boek gevoerd."

- art. 446, eerste lid, Sv

"Voor zover niet bijzondere bepalingen het recht van hoger beroep van het openbaar ministerie regelen, kan dit van alle beschikkingen van de rechtbank of de rechter-commissaris waarbij een krachtens dit wetboek genomen vordering niet is toegewezen, binnen veertien dagen in hoger beroep komen bij het gerechtshof of de rechtbank. (...)"

3.4.

Achtergrond van de vordering is de onduidelijkheid die sinds de invoering van de Wet versterking positie rechter-commissaris per 1 januari 2013 in de praktijk blijkt te bestaan omtrent taken en bevoegdheden van de rechter-commissaris ingeval deze zijn onderzoek op de voet van de art. 181 e.v. Sv nog niet heeft voltooid op het moment waarop de verdachte is of blijkens schriftelijke mededeling van de officier van justitie aan de rechter-commissaris zal worden gedagvaard.

De Procureur-Generaal heeft in zijn vordering gewezen op de volgende drie vragen die in het bijzonder beantwoording zouden behoeven.

(1) In hoeverre is de rechter-commissaris nog bevoegd onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op vorderingen of verzoeken om nader onderzoek indien de verdachte is gedagvaard?

(2) Kunnen de officier van justitie en de verdachte na verwijzing door de zittingsrechter op de voet van art. 316 Sv op grond van art. 185 Sv de in art. 181 Sv en 183 Sv bedoelde vorderingen respectievelijk verzoeken tot het verrichten van onderzoekshandelingen doen?

(3) Staat een rechtsmiddel open tegen afwijzende beslissingen die de rechter-commissaris na dagvaarding of na verwijzing neemt op wensen tot het verrichten van onderzoekshandelingen?

4 Beantwoording van de opgeworpen vragen

Bevoegdheid rechter-commissaris tot voortzetting onderzoek na dagvaarding?

4.1.1.

Ter beantwoording staat in de eerste plaats de vraag of de rechter-commissaris bevoegd is nog onderzoekshandelingen te verrichten en te beslissen op verzoeken of vorderingen om nader onderzoek in het geval dat de officier van justitie de rechter-commissaris op de voet van art. 238, tweede lid, Sv in kennis heeft gesteld dat tot dagvaarding van de verdachte zal worden overgegaan.

4.1.2.

Het volgende moet worden vooropgesteld. Het onderzoek ter terechtzitting neemt een aanvang door het doen uitroepen van de zaak door de voorzitter (art. 270 Sv). Dat brengt mee dat vanaf dat moment de zaak in handen is van de zittingsrechter, dat de zaak niet meer bij hem weggehaald kan worden en dat het de zittingsrechter is die de regie heeft over de behandeling van de zaak. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is het de zittingsrechter die op de voet van art. 316 Sv moet beslissen of enig (nader) onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is.

4.1.3.

Gelet op hetgeen in 4.1.2 is vooropgesteld en mede in aanmerking genomen het in de geschiedenis van zijn totstandkoming tot uitdrukking gebrachte streven om het onderzoek van de rechter-commissaris zoveel mogelijk afgerond te doen zijn voordat de zaak op de terechtzitting komt, brengt een redelijke uitleg van art. 238, tweede lid, Sv het volgende mee.

Na de kennisgeving van de officier van justitie dat tot dagvaarding zal worden overgegaan is de rechter-commissaris bevoegd tot voortzetting van zijn op grond van art. 181 – 183 Sv reeds lopende onderzoek zolang het onderzoek ter terechtzitting nog niet is aangevangen. De bevoegdheid tot voortzetting van het onderzoek na (mededeling van het voornemen tot) dagvaarding is beperkt tot het onderzoek dat de rechter-commissaris noodzakelijk acht. Na die kennisgeving is voor vorderingen of verzoeken als bedoeld in art. 181 en 183 Sv om onderzoekshandelingen te verrichten geen plaats.

Dientengevolge staat tegen afwijzing door de rechter-commissaris van na (kennisgeving van) dagvaarding naar voren gebrachte wensen tot onderzoek voor de verdachte geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv open en voor de officier van justitie geen hoger beroep op grond van art. 446, eerste lid, Sv.

Vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris tot onderzoekshandelingen na verwijzing?

4.2.1.

De tweede opgeworpen vraag is of na verwijzing uit hoofde van art. 316 Sv door de zittingsrechter naar de rechter-commissaris de toepasselijkheid van art. 185, tweede lid, Sv op het onderzoek van de rechter-commissaris impliceert dat de officier van justitie kan vorderen (art. 181, eerste lid, Sv) en de verdachte kan verzoeken (art. 183, eerste lid, Sv) dat de rechter-commissaris onderzoekshandelingen verricht.

4.2.2.

Art. 181 en art. 183 Sv zijn krachtens het derde lid van art. 316 Sv niet van overeenkomstige toepassing op het onderzoek door de rechter-commissaris na verwijzing. Voor vorderingen van de officier van justitie of verzoeken van de verdachte als in die bepalingen bedoeld is na verwijzing op de voet van art. 316 Sv dan ook geen plaats. Aan de in het tweede lid van (het wel van overeenkomstige toepassing verklaarde) art. 185 Sv geformuleerde bevoegdheid van de rechter-commissaris een regiebijeenkomst te beleggen, kan dan ook niet worden ontleend dat de bedoelde vorderingen of verzoeken toch kunnen worden gedaan.

Beroep of bezwaar tegen beslissingen van de rechter-commissaris na dagvaarding of verwijzing?

4.3.

Zoals hiervoor is overwogen, is na (kennisgeving van) dagvaarding of na verwijzing op de voet van art. 316 Sv geen plaats voor vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris als bedoeld in art. 181 Sv en art. 183 Sv. Dat brengt mee dat tegen een in die fase door de rechter-commissaris gegeven afwijzing van aan hem door de officier van justitie of de verdachte kenbaar gemaakte onderzoekswensen geen hoger beroep op grond van art. 446, eerste lid, Sv openstaat, respectievelijk geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv kan worden ingediend. Een andere opvatting zou afbreuk doen aan de sturende positie van de zittingsrechter en nodeloze complicaties kunnen veroorzaken.

5 Beoordeling van het middel

5.1.

Het middel bevat de klacht dat de raadkamer ten onrechte heeft geoordeeld dat de bezwaarde ontvankelijk is in zijn bezwaarschrift tegen de afwijzende beschikking van de Rechter-Commissaris.

5.2.

Het middel slaagt op grond van hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen en beslist.

6 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

7 Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden beschikking.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan, N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2015.