Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3698

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
14/02729
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2313, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1637, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek tot terugwijzing naar de Pr. HR verhaalt ECLI:NL:HR:2014:1496. HR: het Hof, dat na terugwijzing van de zaak door de HR (arrest van 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:147) de zaak opnieuw had te berechten en af te doen, heeft zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent zijn taak, aan de afwijzing van het op art. 423.1 Sv gebaseerde verzoek van de verdediging tot terugwijzing van de zaak naar de Pr, ten grondslag kunnen leggen dat vd ttz. in h.b. van 1 juli 2011 te kennen heeft gegeven dat hij de zaak door het Hof wil laten afdoen. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0010
NJ 2016/60
RvdW 2016/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 december 2015

Strafkamer

nr. S 14/02729

CB/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 mei 2014, nummer 22/003812-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank.

2.2.1.

De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Verzoek tot terugwijzing

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2014 verzocht de zaak naar de politierechter terug te wijzen, welk verzoek door het hof is afgewezen.

Bij pleidooi heeft de verdediging het verzoek herhaald.

Het hof ziet geen gronden om thans anders te beslissen en wijst het verzoek wederom af op dezelfde hierna te noemen gronden, te weten:

De Hoge Raad heeft het door dit hof gewezen arrest d.d. 1 juli 2011 vernietigd met bepaling dat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De verdachte heeft destijds, op 1 juli 2011, bij de behandeling van de zaak door dit hof niet verzocht om terugwijzing naar de politierechter in verband met een betekeningsgebrek bij de behandeling in eerste aanleg. Integendeel, de verdachte heeft het hof uitdrukkelijk verzocht om de zaak in hoger beroep af te doen. Dat de daarop gevolgde behandeling van de zaak niet heeft geleid tot een onherroepelijk arrest van het hof doordat er beroep in cassatie tegen het arrest is ingesteld en de Hoge Raad het gewezen arrest heeft vernietigd, betekent niet dat de beslissing om de zaak in hoger beroep af te doen opnieuw ter discussie gesteld kan worden. De verdachte heeft verzocht om behandeling in hoger beroep en het is (slechts) die behandeling die opnieuw moet plaatsvinden."

2.2.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2014 houdt in:

"De raadsman deelt mede:

De verdediging verzoekt de zaak naar de politierechter terug te wijzen op grond van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte had graag ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig willen zijn. Er is sprake van een nietig onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De voorzitter deelt mede:

Uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 1 juli 2011 blijkt dat de verdachte uitdrukkelijk niet heeft verzocht om terugwijzing van de zaak naar de politierechter. Het hof zou daaruit kunnen afleiden dat de verdachte afstand heeft gedaan van het recht tot terugwijzing van de zaak naar de politierechter.

De raadsman deelt mede:

Blijkens het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 juli 2013 is de zaak verwezen naar dit hof teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten. De verdachte wil graag berecht worden door de politierechter te Rotterdam; dat is de rechter die de lokale feitelijke situatie kan beoordelen. De Hoge Raad heeft de juridische vraagstelling te beperkt uitgelegd, namelijk of "te Rotterdam" gelijk is aan de "gemeente Rotterdam". Het gaat er om waar het feit is gepleegd.

De advocaat-generaal deelt mede:

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2011 afstand gedaan van zijn recht op terugwijzing naar de politierechter. Om die reden dient het hof dit verzoek thans af te wijzen.

De raadsman deelt mede:

Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2011 heeft de verdachte niet verzocht om terugwijzing, zodat geen sprake kan zijn van afstand van dit recht. De verdediging persisteert bij het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de politierechter Rotterdam.

De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot terugwijzing wordt afgewezen.

De Hoge Raad heeft het door dit hof gewezen arrest d.d. 1 juli 2011 vernietigd met bepaling dat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De verdachte heeft destijds, op 1 juli 2011, bij de behandeling van de zaak door dit hof niet verzocht om terugwijzing naar de politierechter in verband met een betekeningsgebrek bij de behandeling in eerste aanleg.

Integendeel, de verdachte heeft het hof uitdrukkelijk verzocht om de zaak in hoger beroep af te doen. Dat de daarop gevolgde behandeling van de zaak niet heeft geleid tot een onherroepelijk arrest van het hof doordat er beroep in cassatie tegen het arrest is ingesteld en de Hoge Raad het gewezen arrest heeft vernietigd, betekent niet dat de beslissing om de zaak in hoger beroep af te doen opnieuw ter discussie gesteld kan worden. De verdachte heeft verzocht om behandeling in hoger beroep en het is (slechts) die behandeling die opnieuw moet plaatsvinden.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging en voert daartoe aan:

(...)

De verdediging doet het herhaalde verzoek de zaak naar de politierechter terug te wijzen op grond van artikel 423 van het Wetboek van Strafvordering."

2.2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2011 houdt, voor zover van belang, in:

"De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende - zakelijk weergegeven -:

(...) Kort gezegd komt het erop neer dat ik pas op 11 mei 2010 kennis heb genomen van het feit dat ik daags daarna bij de politierechter moest verschijnen. (...) Mijns inziens is die dagvaarding nietig omdat ze niet minimaal drie dagen voor de terechtzitting aan mij is uitgereikt. Ik hoor u zeggen dat de termijn van drie dagen inderdaad niet in acht is genomen, omdat een afschrift van de dagvaarding pas op 10 mei 2010 naar het zojuist - en ook reeds bij de politie - door mij opgegeven adres is verzonden. Ik hoor u ook zeggen dat de dagvaarding daarmee nog niet nietig is, maar dat de politierechter het onderzoek ter terechtzitting in beginsel had moeten schorsen. Ik zal u niet verzoeken de zaak terug te wijzen, zo terugwijzing al een mogelijkheid zou kunnen zijn. Ik wil dat de zaak vandaag in hoger beroep wordt afgedaan."

2.3.1.

In het geval dat in een cassatieprocedure de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt en de zaak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, op de voet van art. 440 Sv terugwijst naar het hof of verwijst naar een ander hof teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan, heeft de rechter die na verwijzing of terugwijzing moet oordelen tot taak het onderzoek binnen de uit de beslissing van de Hoge Raad voortvloeiende grenzen geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit (vgl. arrest HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014: 1496, NJ 2014/441, rov. 2.69).

2.3.2.

Het Hof, dat na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad (arrest van 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:147) de zaak opnieuw had te berechten en af te doen, heeft - zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent zijn taak - aan de afwijzing van het op art. 423, eerste lid, Sv gebaseerde verzoek van de verdediging tot terugwijzing van de zaak naar de Politierechter, ten grondslag kunnen leggen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2011 te kennen heeft gegeven dat hij de zaak door het Hof wil laten afdoen. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd.

2.3.3.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2015.