Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3694

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
22-12-2015
Zaaknummer
13/05512
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2382, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Vordering b.p., 2. schadevergoedingsmaatregel en draagkracht, 3. inzendtermijn. Ad 1. Het oordeel van het Hof dat de vorderingen (gedeeltelijk) kunnen worden toegewezen is niet onbegrijpelijk en behoeft, in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, geen nadere motivering. Het oordeel dat deze vorderingen niet zijn betwist, waarmee het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat de vorderingen onvoldoende gemotiveerd zijn betwist, is evenmin onbegrijpelijk. Ad 2. Het kennelijke oordeel dat het door de verdediging aangevoerde niet leidt tot de conclusie dat de verdachte in een zodanig uitzonderlijke situatie verkeert wat betreft zijn draagkracht dat moet worden afgezien van het opleggen van de svm, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Ad 3. Strafvermindering wegens overschrijding van de inzendtermijn. Conclusie AG over 1: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/154
NJ 2016/384 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
SR-Updates.nl 2016-0011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 december 2015

Strafkamer

nr. S 13/05512

AJ/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2013, nummer 22/000133-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode 21 juli 2009 tot en met 11 oktober 2010 te Rotterdam en Schiedam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, hierna genoemde (aspirant) kopers van auto's heeft bewogen tot de afgifte van hierna genoemde geldbedragen,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- een auto (laten) voorzien van een ander, niet bij die auto behorende VIN-nummer en kenteken en kentekenplaten en kentekenbewijs en (aldus) laten voorzien van een valse/andere identiteit en

- die auto voorzoen van een valse/andere identiteit, via een advertentie op www.marktplaats.nl te koop aangeboden en

- nadat een (aspirant) koper zich, via een in die advertentie vermeld telefoonnummer had gemeld, een afspraak voor een ontmoeting en/of bezichtiging gemaakt en daarbij een valse naam gebruikt en

- nadat de (aspirant) koper verdachte en/of zijn mededader(s) had ontmoet zich voorgedaan als beschikkingsbevoegd over de in de advertentie genoemde auto en daarbij een valse naam gebruikt en

- aan die (aspirant) koper die auto, voorzien van een valse/andere identiteit, laten zien en

- daarbij/daarmee de indruk gewekt dat het/de in/bij die auto aanwezige VIN-nummer en kenteken en kentekenplaten en kentekenbewijs voor die auto was/waren afgegeven en aldus bij die auto hoorden en dat het een "eerlijke" auto betrof en

- (vervolgens) nadat er een verkoopprijs overeen was gekomen, die auto aan de koper verkocht en/of geleverd en

- nadat een levering was overeengekomen, de bij die auto aanwezige papieren en sleutels aan die koper overhandigd, waardoor die koper (vervolgens) telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, immers werden met betrekking tot:

(...)

- een auto, merk en type Volkswagen Transporter met origineel kenteken [001] , (valselijk) voorzien van het kenteken [002] in de periode van 4 juni 2010 tot en met 7 juli 2010 [benadeelde 2] bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 17.600 euro en

- een auto, merk en type Volkswagen Golf met origineel kenteken [003] , (valselijk) voorzien van het kenteken [004] in de periode van 21 juli 2010 tot en met 26 juli 2010 [benadeelde 1] , bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 9.600 euro

(...)"

en onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 21 juli 2009 tot en met 11 oktober 2010 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meermalen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst kentekenbewijs, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken telkens hierin dat die kentekenbewijzen door verdachte en/of zijn mededaders bij te verkopen auto's werden gevoegd en/of vervolgens na de verkoop en/of levering van die auto's aan de kopers werden overhandigd en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat telkens valselijk en in strijd met de waarheid op die kentekenbewijzen een of meer gegevens te weten:

het kenteken en het VIN-nummer van:

(...)

- een auto, merk en type BMW 318i Touring met origineel kenteken [005] (toebehorende aan [benadeelde 3] ) (valselijk) voorzien van het kenteken [006] en

(...)

waren vermeld terwijl die gegevens telkens niet bij die auto's hoorden en niet voor die auto's waren afgegeven."

2.2.2.

Deze bewezenverklaringen steunen onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

"60. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 april 2010 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL1710 2010107745-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Zaakproces-verbaal BMW 318i [006] , blz. 2-6):

als de op 2 april 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Ik doe aangifte van diefstal. Tussen 1 april 2010 om 14:00 uur en 15:00 uur werd op de Doklaan te Rotterdam het feit gepleegd. De auto is eigendom van [benadeelde 3] . Op eerstgenoemde datum en tijd heb ik de auto nog zien staan. Op laatstgenoemde tijd heeft mijn collega de auto niet meer zien staan op de plaats waar ik de auto had achtergelaten. Toen ik de auto uit wilde leveren aan de nieuwe berijder miste ik 1 set sleutels uit mijn lade van mijn bureau in mijn kantoorunit. Men heeft de reservesleutels van de auto uit de lade weggenomen en hiermee de auto in zijn geheel weggenomen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van dit feit.

Voertuig: personenauto

Merk/type: BMW Kleur: zwart

Kenteken: [005]

Chassisnummer: [007] .

(...)

93. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 7 juli 2010 van de politie Kennemerland met nr. PL1236 2010074512-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Zaaksproces-verbaal Volkswagen [002] , blz. 77-81):

als de op 7 juli 20.10 afgelegde verklaring van [benadeelde 2] :

Ik ben eigenaar van het bedrijf [A] , gevestigd te [plaats] . Ik hou mij bezig met de verkoop van bedrijfsauto's. Op 7 juni 2010 heb ik een Volkswagen Transporter met het kenteken [002] gekocht bij het bedrijf [B] , gevestigd te [plaats] . Ik heb inmiddels zelf gebeld met het bedrijf op de factuur, alleen de naam bleek niet te kloppen. Het adres in de factuur klopt wel, ik heb hem uiteindelijk opgehaald in Oosterhout.

Hof: De bedoelde factuur is als bijlage gevoegd en houdt in :

Omschrijving:

VW Transporter [002]

Bedrag: € 17.600,-

Totaal inclusief BTW: € 20.944,-.

(...)

120. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 3 augustus 2010 van de politie Brabant-Noord met nr. PL21XS 2010081812-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (Zaaksproces-verbaal Volkswagen [004] , blz. 91-96):

als de op 3 augustus 2010 afgelegde verklaring van [benadeelde 1] :

Ik doe aangifte van oplichting. Ik ben eigenaar van het autobedrijf [C] , gevestigd te [plaats] .

Op 24 juli 2010 zag ik op marktplaats dat er een Volkswagen, type Golf, voorzien van het kenteken [004] te koop aangeboden werd. Ik nam contact op met de adverteerder via een mobiel telefoonnummer [008] en kreeg een man aan de lijn genaamd [betrokkene 2] . Uit het telefoongesprek bleek dat er een andere aspirant koper voor mij was. De man vertelde dat hij aan het werk was maar dat zijn vader met mij contact op zou nemen.

In de loop van de middag kreeg ik een telefoontje van een man genaamd [betrokkene 2] met mobiel telefoonnummer [009 ] . De man vertelde mij dat ik op 26 juli 2010 de koop met zijn zoon kon afwerken want hij zou naar de camping vertrekken in Oosterhout. Omdat Oosterhout niet ver van [plaats] ligt vroeg ik hem of ik dan niet in Oosterhout de auto kon bekijken. Hier had [betrokkene 2] geen problemen mee. Hij vertelde mij dat hij op de camping De Katjeskelder in Oosterhout een chalet had.

Ik sprak af dat een kennis van mij, genaamd [betrokkene 3] , de auto zou komen bekijken. Hij ging naar Oosterhout en trof daar op de parkeerplaats een man die zich voorstelde als [betrokkene 2] . Dit was op 24 juli 2010 omstreeks 16:00 uur. [betrokkene 3] bekeek de auto en controleerde de gegevens. Onder andere het chassisnummer en de nummers in de ramen van de auto. Ook controleerde hij het bijbehorende onderhoudsboekje. Alles ziet er prima uit. Hij controleert deze gegevens aan de hand van het kentekenbewijs.

[betrokkene 3] belde mij en we spraken af dat hij tot koop over zou gaan voor een bedrag van 9.600 euro. [betrokkene 3] vertelde mij dat de verkoper een keurige man was, welbespraakt, keurig gekleed met een zeer betrouwbare uitstraling. Ik heb vervolgens de auto gevrijwaard. Na de vrijwaring heb ik [betrokkene 3] een seintje gegeven dat hij kon betalen omdat er geen melding van het RDW kwam. [betrokkene 3] heeft het geld aan [betrokkene 2] overhandigd. Hij kreeg vervolgens de sleutels en de kentekenpapieren van bovengenoemde auto.

Het betreft:

Voertuig: Personenauto

Merk/type: Volkswagen Golf

Kleur: Grijs Kenteken: [004]

Chassisnummer': [010] ."

2.2.3.

Het Hof heeft omtrent de vorderingen van de in het middel bedoelde benadeelde partijen het volgende overwogen:

"Partij [benadeelde 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 9.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

(...)

Partij [benadeelde 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 17.453,33.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen.

(...)

Partij [benadeelde 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 primair ten laste gelegde, tot een bedrag van € 13.296,67.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 824,50 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. (...)"

2.4.

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich:

(i) een voegingsformulier, gedateerd 8 november 2011, van [benadeelde 1] , inhoudende onder meer als opgave van de gevolgen van het voorval: "Auto in beslag genomen", als opgave van de schade: "geld" en als opgave van het totaalbedrag: € 9.600,-;

(ii) een voegingsformulier, gedateerd 1 december 2012, van [benadeelde 2] , inhoudende onder meer als opgave van de schade: "Auto" en als opgave van het totaalbedrag: € 20.944,-, van de reeds vergoede of elders geclaimde schade: € 3.490,66 en als het verschil tussen deze bedragen: € 17.453,33. Op het formulier heeft [benadeelde 2] vermeld dat hij zijn naam heeft ingevuld omdat hij de eigenaar van "het bedrijf" is en daaronder is een stempel geplaatst met de tekst " [A] B.V. [a-straat] [plaats] Nederland". Bij dit formulier is gevoegd een kopie van de factuur met betrekking tot de aanschaf van de auto gericht aan " [A] BV [a-straat] [plaats] ", inhoudende als opgave van het totaalbedrag inclusief BTW: € 20.944,-, als aankoopbedrag: € 17.600,- en als BTW: € 3.344,-;

(iii) een voegingsformulier, gedateerd 11 november 2011, van [benadeelde 3] , inhoudende als opgave van de schade: "Diefstalrapport € 20.670,76, kosten ABS € 651,-, kosten ABS € 108,50, kosten Diemen € 65." Op het formulier is een stempel geplaatst met de tekst " [benadeelde 3] [plaats] ". Bij dit formulier zijn gevoegd kopieën van onder meer een factuur van Diemen Expertise gericht aan " [E] E/O [benadeelde 3] BV [plaats] ", inhoudende: "Verzekerde: [E] E/O [benadeelde 3] BV te [plaats] " en "Voor u verrichte expertise/onderzoek 65,00".

2.5.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 7 december 2012 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen het volgende in:

"- [benadeelde 2]

Ik verzoek u [benadeelde 2] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

De reden daarvoor is dat de hoogte van zijn vordering niet eenvoudig vast te stellen is. [benadeelde 2] geeft aan in zijn vordering dat er van het schadebedrag dat hij claimt een bedrag van € 3.490,66 terug ontvangen zou zijn omdat dit op een andere wijze vergoed of geclaimd zou zijn. Hoe dat zit, blijkt echter niet.

[benadeelde 2] geeft geen enkele verdere toelichting en doet alleen de factuur die hij destijds heeft ontvangen, bij zijn vordering, Daar blijkt echter niet zijn uiteindelijke schade uit.

Gaat het bij het terug betaalde bedrag om de terug ontvangen BTW? Of toch een ander bedrag? De BTW is immers een bedrag van € 3.344,00 en niet € 3.490,66. En hoe zit het in dat geval dan met de BTW? Zijn vordering is mijns inziens dus niet voldoende duidelijk.

Bovendien blijkt uit de factuur en uit de vordering van de benadeelde partij dat de auto niet is verkocht aan [benadeelde 2] , maar aan het bedrijf [A] B.V.

[benadeelde 2] is derhalve niet de benadeelde partij, dat zou zijn het bedrijf [A] B.V. een besloten vennootschap en derhalve een volledig ander rechtspersoon dan [benadeelde 2] .

In een civiele procedure zou de vordering van [benadeelde 2] derhalve zonder enige twijfel afgewezen worden. Hij is immers niet degene die de vooronderstelde schade heeft geleden, dat is [A] B.V.

Voorts stelt [benadeelde 2] in zijn vordering wel dat [A] B.V. zijn bedrijf is, echter levert hij daarvan geen enkel begin van bewijs van, bij zijn vordering.

Samenvattend wordt de vordering in feite helemaal niet onderbouwd, is degene die de vordering indient, niet de benadeelde partij maar een ander (rechts)persoon, én roept de vordering zelf vragen op die niet worden beantwoord.

De vordering is derhalve niet eenvoudig vast te stellen en daarom verzoek ik u [benadeelde 2] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

- [benadeelde 1]

claimt € 9.600,00 en onderbouwt dat met de enkele stelling "Auto in beslag genomen". Wij weten echter niet wat er vervolgens met de auto is gebeurd. Is er een klaagschrift ingediend voor teruggave? Is de auto teruggeven aan de persoon bij wij deze is gestolen? Heeft [benadeelde 1] een overeenkomst kunnen sluiten met de verzekeraar van de persoon bij wie de auto oorspronkelijk is gestolen? Wij weten het niet. Ook deze vordering is derhalve onvoldoende onderbouwd en toegelicht en niet eenvoudig van aard.

Bovendien blijkt uit het dossier dat [benadeelde 1] handelt voor een bedrijf genaamd [D] . Een bedrijf dat handelt in auto's. Net als in het geval van [benadeelde 2] , gaat het hier dus om een ander rechtspersoon die de auto gekocht heeft, namelijk het bedrijf [D] .

Als bijlage bij deze pleitnota treft u een uittreksel uit de KvK uit, waaruit blijkt dat [D] een VOF is met meerdere vennoten. Aannemelijk is verder dat de auto net als in het geval van [benadeelde 2] werd gekocht door het bedrijf. Het bedrijf is dan de benadeelde partij en niet de heer [benadeelde 1] als privé persoon. De VOF zou dan ook een civiele vordering in moeten dienen en niét [benadeelde 1] .

Ik verzoek u [benadeelde 1] niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

- [benadeelde 3]

Niet duidelijk is wie de vordering heeft ondertekend en of deze gemachtigd is om namens [benadeelde 3] deze vordering in te dienen. Onder de aanvraag staat de naam van [betrokkene 4] . De aangifte in deze zaak is namens [benadeelde 3] gedaan door de heer [betrokkene 1] . Die verklaart gerechtigd te zijn tot het doen van aangifte en die stelt dat [benadeelde 3] de eigenaar is van de auto.

In de stukken die bij de vordering benadeelde partij zitten, zit echter een expertise rapport van Diemex. In dat rapport wordt [E] E/O [benadeelde 3] als verzekerde genoemd. Dat lijkt er op te duiden dat de eigenaar van de auto wellicht niet [benadeelde 3] is maar [E] . Kentekenpapieren, stukken waaruit blijkt dat de auto gekocht is door danwel [E] danwel [benadeelde 3] , bevinden zich niet bij de stukken.

Het is dus niet eenvoudig vast te stellen of [benadeelde 3] rechthebbende is. Om die reden zou de benadeelde partij niet ontvankelijk moeten worden verklaard in haar vordering.

Bovendien is deze vordering ook inhoudelijk gezien niet eenvoudig van aard. [benadeelde 3] heeft de auto immers terug gekregen. De auto is een aantal maanden weggeweest, maar zou volgens [benadeelde 3] circa € 13.000,00 in waarde zijn gedaald in een paar maanden. Dat is voor een auto van € 20.000,00 erg onaannemelijk. Te meer daar deze door de verdachten zou zijn verkocht voor een bedrag van 16.000,00 in mei 2010. Waarom zou [benadeelde 3] er vervolgens in oktober 2010 slechts € 8.198,59 voor krijgen? [benadeelde 3] zou deze gigantische waardevermindering in 4 maanden in een civiele zaak zeker moeten bewijzen en aan moeten tonen. Ik ben ervan overtuigd dat, dat hem niet zou lukken.

In het eerder genoemde expertiserapport staat overigens vermeld dat de boekwaarde op verzoek van [benadeelde 3] is aangepast! De vraag is waarom dat het geval was en wat daar dan de gevolgen van zijn.

Bovendien is het vreemd dat de auto blijkbaar verzekerd was (waarom zou er anders een expertiserapport worden opgesteld). Als de verzekeraar heeft uitgekeerd, waarom wordt nu dan toch schade geclaimd?

Wat er ook van al het voorgaande zij, het strafproces leent zich niet voor dergelijke ingewikkelde civiel rechtelijke discussies en een beoordeling daarvan door uw Hof. Ook daarom verzoek ik u [benadeelde 3] niet ontvankelijk te verklaren in de vordering."

2.6.

Het Hof heeft geoordeeld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] (gedeeltelijk) kunnen worden toegewezen. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 2 en (naar de Hoge Raad begrijpt wat de vordering van [benadeelde 3] betreft) het onder 3 bewezenverklaarde feit en dat de benadeelde partijen hebben aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoeft, in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, geen nadere motivering.

Het oordeel van het Hof dat deze vorderingen door en namens de verdachte niet zijn betwist, waarmee het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat de vorderingen onvoldoende gemotiveerd zijn betwist, is evenmin onbegrijpelijk. Hetgeen is aangevoerd tegen de vordering van [benadeelde 2] komt - zakelijk - neer op de stelling dat de vordering niet voldoende duidelijk is, maar blijkens de toelichting heeft die stelling het oog op een bedrag dat niet gevorderd is. Met betrekking tot de vordering van [benadeelde 1] is aangevoerd dat niet duidelijk is wat "vervolgens met de auto is gebeurd". Gelet op de bewezenverklaring, die inhoudt dat [benadeelde 1] door de genoemde gedragingen van de verdachte en zijn mededaders is bewogen tot de afgifte van het bedrag van de vordering, is dat verweer niet toereikend. De vordering van [benadeelde 3] is toegewezen tot een bedrag van € 824,50, zijnde kennelijk de gevorderde "kosten ABS" en "kosten Diemen". Anders dan het middel betoogt, houdt de pleitnota niet in dat deze schade is betwist.

2.7.

Het middel faalt in zoverre.

2.8.

Het middel behelst voorts de klacht dat het Hof niet heeft geantwoord op een verweer strekkende tot het buiten toepassing laten van de schadevergoedingsmaatregel van art. 36f Sr.

2.9.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2013 houdt als verklaring van de verdachte het volgende in:

"Deze zaak heeft mij alles, ook mijn relatie gekost. Ik ga het ziekenhuis in en uit. Ik loop al drie jaar op mijn tenen. Sinds een half jaar woon ik op mezelf. Ik ben geen vrolijk mens meer en dat ga ik ook nooit meer worden."

2.9.2.

De hiervoor onder 2.5 genoemde pleitnota houdt omtrent de schadevergoedingsmaatregel het volgende in:

"Geheel subsidiair wil ik u ten slotte verzoeken om, als u toch over gaat tot het toewijzen van vorderingen van benadeelde partijen, daaraan met betrekking tot [verdachte] , niet de schadevergoedingsmaatregel te verbinden, althans niet een vervangende hechtenis danwel een zeer geringe hoeveelheid dagen vervangende hechtenis te bepalen. U weet dat [verdachte] een zeer gering inkomen heeft. Hij zal nooit en te nimmer in staat zijn om de hoge bedragen zoals de rechtbank die in eerste aanleg heeft vastgesteld (van in totaal tienduizenden euro's) te betalen. Dat is evident. Hij kan het niet lenen en hij kan het niet afbetalen op enige reële termijn.

Als u de schadevergoedingsmaatregel oplegt, is dat makkelijk voor de benadeelde partijen omdat het CJIB dan de schade incasseert.

Echter is het grote nadeel hiervan dat als [verdachte] niet betaalt (en dat kan hij niet dus dat doet hij ook niet) vervolgens te maken krijgt met de vervangende hechtenis. De rechtbank heeft een vervangende hechtenis opgelegd van 221 dagen. Dat is in feite dus gewoon een enorme extra straf. De idee van de vervangende hechtenis is om veroordeelden te stimuleren om aan hun verplichtingen te voldoen. Niet om extra leed toe te voegen. Als uw Hof van tevoren al weet dat Perdon niet kan betalen en u legt toch een dergelijke lange vervangende hechtenis op, dan schiet de vervangende hechtenis mijns inziens haar doel voorbij. Ik verzoek u dan ook dringend dat in casu niet te doen."

2.9.3.

De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 9.600,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] .

(...)

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.453,33 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] .

(...)

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] .

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 824,50 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3] ."

2.10.

Ingevolge het tweede lid van art. 36f Sr kan de rechter de maatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De draagkracht van de verdachte speelt bij de bepaling van de hoogte van het bedrag geen rol. In geval van oplegging van de maatregel bepaalt de rechter de vervangende hechtenis (art. 36f, achtste lid, Sr). Niettemin kan het gebrek aan draagkracht onder omstandigheden voor de rechter reden zijn ervan af te zien de schadevergoedingsmaatregel op te leggen (vgl. HR 19 juni 2006, ECLI:NL:HR:2007:AZ8788, NJ 2007/359). Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan sprake zijn. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis. De rechter behoeft daarom slechts dan in het bijzonder de redenen op te geven waarom van een daaromtrent ingenomen standpunt wordt afgeweken indien dat standpunt voldoende onderbouwd dat uitzonderlijk karakter van het geval duidelijk maakt (vgl. HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1812,

NJ 2009/293).

2.11.

Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het door en namens de verdachte aangevoerde niet leidt tot de conclusie dat de verdachte in een zodanig uitzonderlijke situatie verkeert wat betreft zijn draagkracht dat moet worden afgezien van het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

2.12.

Ook in zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 240 uren, subsidiair

120 dagen vervangende hechtenis.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 216 uren, subsidiair 108 dagen hechtenis, bedragen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2015.