Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3635

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
15/00432
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1973, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:8330, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Wijziging alimentatie (art. 1:401 lid 1 BW). Echtscheidingsconvenant waarin met betrekking tot bepaalde posten bewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven. Gelden de strenge maatstaven als bedoeld in HR 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0015, NJ 1988/438, alleen voor de desbetreffende posten, of voor de overeenkomst in haar geheel?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0364 met annotatie van J. Kok
JWB 2016/26
RvdW 2016/94
NJB 2016/147
RFR 2016/40
NJ 2016/160 met annotatie van S.F.M. Wortmann
JIN 2016/29 met annotatie van K.A. Boshouwers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2015

Eerste Kamer

15/00432

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man],
wonende te Singapore,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. B.J. van Dorp,

t e g e n

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 324690 / FA RK 12-3017 van de rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2013;

b. de beschikking in de zaak 200.128.956 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 oktober 2014.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Het op 22 augustus 1991 gesloten huwelijk van partijen is op 19 maart 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 februari 2009 in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Partijen hebben in 2008, vooruitlopend op een nog op te stellen echtscheidingsconvenant, afspraken gemaakt die zij hebben vastgelegd in een door beiden ondertekend stuk met de aanhef “Basis afspraken scheiding”. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:

“(...)

• Doelstelling is dat [de vrouw] netto ca. 2.000 per maand krijgt (bruto ca. 3.000)

• Bonussen [de man] blijven bij [de man] ter afbetaling leningen

• Eventuele inkomsten van [de vrouw] uit zang of les blijven verder buiten beschouwing

• [de vrouw] maakt raming voor “meer dan gemiddelde studiekosten” over komende periode. [de man] en [de vrouw] zullen in goed overleg proberen daar financiële ruimte voor te vinden.

• Indien de Leningen niet omgezet kunnen worden, of zulks onredelijke consequenties heeft (bv [de man] kan alsdan geen privé credit card), dan wordt de verdeling navenant aangepast. Uiteraard wordt alimentatie dan ook aangepast.

• Een eventueel belasting voordeel voor [de man] is hier nog buiten beschouwing gelaten. Als dat er (wezenlijk) is, bespreken we de verdeling daarvan alsdan. Eerste idee is om dat te gebruiken voor eerder genoemde “meer dan gemiddelde” studielasten

• Vanaf de maand juli zal [de man] zijn salaris laten overmaken naar zijn rekening met de verplichting om, vooruitlopend op de definitieve regeling, maandelijks 2.000 euro over te maken. In concreto zal dus per eind juni dit geld worden overgemaakt.

• Tot het moment dat de overschrijving van de kredieten definitief is geregeld en ook die afschrijving zal plaatsvinden van [de man] zijn rekening zal genoemd bedrag worden verhoogd met 1.000 euro ter aflossing van de maandtermijnen.”

(iii) In een convenant, ondertekend in december 2008, dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 25 februari 2009, zijn partijen, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

“Artikel I - Partneralimentatie

I.l

De man zal maandelijks een bedrag van € 3.000,00 (bruto) overmaken aan de vrouw bij wijze van partneralimentatie. (...);

partijen hebben de intentie dat het alimentatiebedrag van € 3.000,00 (bruto) in de praktijk moet neerkomen op een maandelijks bedrag van € 2.000,00 (netto) en dat achteraf indien en/of wanneer nodig, bekeken en besproken zal worden, in goed en redelijk overleg, hoe dit daar waar nodig, gecompenseerd kan worden en dat partijen zich verplichten hieraan hun medewerking te verlenen;

1.2

(...)

1.3

Bij de vaststelling van de hoogte van de partneralimentatie worden de bonussen van de man niet betrokken. De man zal deze bonussen aanwenden ter afbetaling van de twee schulden die de man voor zijn rekening neemt, zoals beschreven onder 3.4.

Na het aflossen van voornoemde schulden komen de bonussen van de man geheel toe aan de man;

1.4

Bij de vaststelling van de hoogte van de alimentatie voor de vrouw is er vanuit gegaan dat de vrouw ten tijde van het ondertekenen van het convenant nauwelijks inkomsten heeft. Haar inkomsten strekken niet in mindering op de partneralimentatie;

(...)”

3.2.1

In dit geding heeft de man onder meer verzocht de door hem te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw op nihil te stellen. Hij heeft daaraan primair ten grondslag gelegd dat van een wijziging van omstandigheden sprake is. Subsidiair heeft de man gesteld dat het hiervoor in 3.1 onder (iii) bedoelde convenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

De rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen.

3.2.2

De vrouw heeft principaal hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank ingesteld. Zij heeft in haar beroepschrift onder meer verzocht te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 3.000,-- per maand tot haar levensonderhoud zal verstrekken.

De man heeft het verzoek van de vrouw bestreden en heeft incidenteel beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank.

Het hof heeft de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar (tegen)verzoek en in het principale en in het incidentele appel de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het overwoog daartoe met name als volgt:

“5.4 De man heeft aan zijn verzoek tot nihilstelling ten grondslag gelegd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe heeft geleid dat de behoefte van de vrouw is afgenomen en de man onvoldoende draagkracht heeft om de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen. De man voert verder aan dat het convenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, omdat achteraf bleek dat hij de alimentatie niet fiscaal kon aftrekken. De vrouw voert hiertegenover aan dat partijen bij het maken van het convenant in 2008 bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en bepleit analoge toepassing van artikel 1:159 lid 3 BW, overeenkomstig de uitspraken van de Hoge Raad van 23 oktober 1987 (ECLI:NL:HR:1987:AD0015) en 12 september 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF9468).

5.5

Artikel 1:401 lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Artikel 1:159 lid 1 BW biedt partijen de mogelijkheid schriftelijk te bedingen dat een dergelijke overeenkomst niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, maar bepaalt in lid 3 dat de rechter ondanks een dergelijk beding op verzoek van een van partijen de overeenkomst kan wijzigen op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding van niet-wijziging mag worden gehouden. In dit geval hebben partijen geen beding als bedoeld in artikel 1:159 lid 1 BW gemaakt. Dat betekent dat artikel 1:401 lid 1 BW toepassing moet vinden. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad die door de vrouw zijn genoemd is het hof van oordeel dat dit artikel 1:401 lid 1 BW zo moet worden toegepast dat, indien komt vast te staan dat partijen bij het maken van het echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud slechts mogelijk is, indien de man stelt en het hof aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal het hof zowel bij zijn oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten. Dit brengt mee dat het hof bij een wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende het levensonderhoud en door partijen getroffen regelingen van andere aard.

5.6

Op grond van de stukken die in het geding zijn gebracht en die onder 3.2 en 3.3 nader zijn aangehaald, is het hof van oordeel dat partijen bij het maken van het echtscheidingsconvenant bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

5.7

Uit deze stukken blijkt allereerst dat partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen dat de verdiencapaciteit van de vrouw geen rol speelt. In de Basis afspraken scheiding zijn partijen overeengekomen dat eventuele inkomsten van de vrouw uit zang of les verder buiten beschouwing blijven. In artikel 1.4 van het convenant is voorts bepaald dat de inkomsten van de vrouw niet in mindering strekken op de partneralimentatie. Het hof volgt de vrouw dan ook in haar uitleg van deze bepaling, die inhoudt dat daarin niet enkel is geconstateerd dat met de inkomsten van de vrouw ten tijde van het maken van het convenant geen rekening wordt gehouden, maar dat ook de inkomsten die de vrouw in de toekomst zal verwerven, geen rol zullen spelen bij de partneralimentatie. Verder heeft te gelden dat de behoefte van de vrouw in beide stukken is vastgesteld op € 2.000,- (netto) en dat niet is gebleken dat de hoogte van de behoefte van de vrouw mede is gerelateerd aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk, waarbij het hof nog opmerkt dat de man in de laatste jaren van het huwelijk een salaris genoot van ruim € 10.000,- bruto per maand. Evenmin is gebleken dat de behoefte van de vrouw daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van haar levensonderhoud is bepaald.

5.8

Uit zowel de Basis afspraken scheiding als artikel 1.3 van het convenant blijkt voorts dat de bonussen die de man ontvangt en de aflossing op schulden geen rol spelen bij het bepalen van de draagkracht van de man. Naar het oordeel van het hof hebben partijen daarnaast de mogelijkheid van fiscale aftrek van de door de man te betalen partneralimentatie buiten beschouwing gelaten en heeft de man willens en wetens de mogelijkheid aanvaard dat fiscale aftrek niet mogelijk is. Het hof baseert dit oordeel met de rechtbank mede op de aan beide partijen gerichte mail van mr. Winthagen van 8 december 2008 (productie 5 bij verweerschrift van de vrouw in eerste aanleg). Mr. Winthagen, die partijen destijds heeft begeleid in verband met de totstandkoming van het convenant, heeft hen in deze mail immers het volgende geschreven, voor zover van belang: “Ik ontving jullie e-mail berichten in goede orde. Ik begrijp hieruit jullie uitdrukkelijke wens geen bespreking te willen en niet, voorafgaand aan het tekenen van het convenant, fiscaal advies te willen inwinnen. (...) Het is jullie persoonlijke keuze om vooraf geen advies in te winnen en jullie zijn derhalve verantwoordelijk voor deze keuze en alle gevolgen daarvan.”

5.9

De man voert een aantal na het maken van het echtscheidingsconvenant opgetreden wijzigingen van omstandigheden aan, zoals het aangaan van een nieuwe relatie, de geboorte van twee kinderen uit die relatie en de verandering van werkkring. De man stelt evenwel niet, zoals van hem naar onder 5.5
is overwogen in dit geval mocht worden verlangd, dat na het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de vrouw, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Dat betekent dat het hof niet tot wijziging van de in het convenant overeengekomen partneralimentatie kan overgaan en met de rechtbank het verzoek van de man moet afwijzen, zij het op andere gronden dan de rechtbank heeft gedaan. De overige grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep behoeven geen beoordeling meer, nu zij niet tot een ander oordeel kunnen leiden.”

3.3

De Hoge Raad ziet aanleiding onderdeel III van het hiertegen door de man aangevoerde middel als eerste te behandelen. In dit onderdeel ligt de klacht besloten dat de omstandigheid dat partijen ten aanzien van specifieke, voor de bepaling van de hoogte van het levensonderhoud relevante, posten, feiten of omstandigheden (hierna samenvattend ook: op specifieke punten) bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken, niet meebrengt dat zij datzelfde ook ten aanzien van alle andere daarvoor relevante posten, feiten of omstandigheden hebben gedaan. Dit betekent dat ten aanzien van laatstgenoemde posten, feiten en omstandigheden art. 1:401 lid 1 BW onverkort van toepassing is, en wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud niet slechts mogelijk is onder de door het hof in rov. 5.5 genoemde voorwaarde, aldus de klacht.

3.4

Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0015, NJ 1988/438 - nadien nog in diverse andere beschikkingen herhaald; zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.11 - als volgt heeft geoordeeld:

“3.2 Het systeem van art. 159 leden 1 en 2 in verbinding met art. 401 lid 1 moet aldus worden begrepen dat, indien een beding als bedoeld in
art. 159 lid 1 niet is gemaakt (of een zodanig beding ingevolge lid 2 van dat artikel is vervallen), art. 401 lid 1 toepasselijk is, in dier voege dat in een geval waarin partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, de rechter slechts tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud zal mogen overgaan, indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal de rechter zowel bij zijn oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudend-heid moeten betrachten. Dit brengt mee dat hij bij een eventuele wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende het levensonderhoud en eventuele door partijen getroffen regelingen van andere aard.”

3.5

Voor het geval moet worden aangenomen dat partijen op specifieke punten die relevant zijn voor de bepaling van de hoogte van het verschuldigde levensonderhoud, bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, en één van partijen nadien een verzoek doet tot wijziging van de desbetreffende overeenkomst, rijst de vraag of de rechter de in de beschikking van 23 oktober 1987 bedoelde terughoudendheid uitsluitend moet betrachten ten aanzien van die specifieke punten, dan wel ten aanzien van de overeenkomst in haar geheel. Die vraag is noch in deze beschikking, noch nadien door de Hoge Raad beantwoord.

3.6.1

Ten gunste van een antwoord op deze vraag in laatstbedoelde zin kan worden aangevoerd dat een overeenkomst die inhoudt dat partijen op specifieke punten afwijken van de wettelijke maatstaven, steeds en onvermijdelijk doorwerkt in de hoogte van het verschuldigde levensonderhoud.

3.6.2

Ten gunste van een antwoord op deze vraag in eerstbedoelde zin kan ten eerste worden aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat partijen op specifieke punten bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, niet rechtvaardigt om aan te nemen dat zij ook ten aanzien van de overige posten, feiten of omstandigheden die voor het bepalen van de hoogte van het verschuldigde levensonderhoud van belang zijn, bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.

Ten tweede leidt toepassing van de wettelijke maatstaven in beginsel tot een redelijk evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van beide partijen. Dit pleit ervoor de inbreuk op dit evenwicht en de gevolgen daarvan, zich niet verder te doen uitstrekken dan partijen zijn overeengekomen.

Ten derde heeft de hiervoor in 3.4 aangehaalde beschikking van 23 oktober 1987 ten gevolge dat het wettelijk uitgangspunt van art. 1:401 lid 1 BW - dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen - in geval van een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven, niet langer onverkort geldt. Maar met de rechterlijke bevoegdheid tot wijziging van overeengekomen levensonderhoud wordt het wezenlijke belang gediend dat een wijziging in draagkracht of behoefte van een van de betrokken partijen, kan worden verdisconteerd in de (alsdan door de rechter nader te bepalen) hoogte van het levensonderhoud. De door partijen overeengekomen inbreuk op deze bevoegdheid moet daarom niet ruimer worden uitgelegd dan de desbetreffende overeenkomst noodzakelijk meebrengt. Ook daarin is een argument gelegen om de gevolgen van een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven ten aanzien van specifieke punten, zich niet verder te doen uitstrekken dan ten aanzien van die punten zelf.

3.6.3

Bij afweging van de hiervoor in 3.6.1 en 3.6.2 argumenten is de Hoge Raad van oordeel dat aan deze laatste een groter gewicht toekomt dan aan het eerste. Opmerking verdient nog dat als partijen wensen dat hun afwijking van de wettelijke maatstaven een verdere strekking krijgt dan het desbetreffende specifieke punt zelf, zij het in art. 1:159 BW bedoelde beding kunnen overeenkomen.

3.7

Het hof heeft in de rov. 5.7 en 5.8 een aantal punten vermeld waarop partijen volgens het hof bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Het hof heeft evenwel niet vastgesteld dat dit ook het geval is ten aanzien van de in rov. 5.9 genoemde gewijzigde omstandigheden waarop de man zich heeft beroepen. Dit betekent dat de hiervoor in 3.3 vermelde klacht van onderdeel III doel treft.

3.8

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 oktober 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren G. de Groot, M.V. Polak, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 december 2015.