Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3631

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
15/04237
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2335, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:6547, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek toepassing schuldsaneringsregeling ten onrechte afgewezen vanwege alimentatieverplichting; art. 288 lid 1, onder c, Fw. HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7589, NJ 2009/52.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2016/4
RvdW 2016/97
NJB 2016/151
RFR 2016/43
NJ 2016/161 met annotatie van S.F.M. Wortmann
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2015

Eerste Kamer

15/04237

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. P.S. Kamminga, thans mr. A.H.M. van den Steenhoven.

Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 389470 FT RK 15-704 mrc van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juni 2015;

b. het arrest in de zaak 200.171.303 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 september 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verzoeker] is in 2006 gehuwd. Het huwelijk is in 2011 door echtscheiding ontbonden.

(ii) [verzoeker] en zijn ex-echtgenote hebben drie kinderen.

(iii) Bij beschikking van het hof Amsterdam van 8 mei 2012 is de door [verzoeker] te betalen kinderalimentatie bepaald op € 505,-- per kind per maand en de partneralimentatie op € 787,-- per maand.

(iv) [verzoeker] heeft van 2004 tot eind 2013 een eenmanszaak gedreven. Na de beëindiging daarvan heeft hij tot 1 mei 2014 een WWB-uitkering ontvangen. Sinds 1 mei 2014 is hij in dienstverband werkzaam; hij heeft daaruit een inkomen van € 1.650,-- bruto per maand.

3.2

[verzoeker] verzoekt in dit geding toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen op de grond, kort gezegd, dat [verzoeker] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van zijn schulden aan de belastingdienst. Het hof heeft (in rov. 3.5) overwogen dat [verzoeker] onvoldoende verwijt valt te maken van het ontstaan en onbetaald laten van zijn belastingschulden, maar heeft (in rov. 3.6) onder verwijzing naar art. 288 lid 1, aanhef en onder c, Fw geoordeeld dat het verzoek moet worden afgewezen op de grond dat niet voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het hof heeft daartoe in rov. 3.6 onder meer het volgende overwogen:

“(…) Omdat vaststaat dat [verzoeker] thans niet in staat is om aan zijn alimentatieverplichting te voldoen en zijn alimentatieschuld dus elke maand verder oploopt, zullen in het geval hij thans zou worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden ontstaan. Dit is tijdens die regeling niet toegestaan. (…)”

3.3.1

Het middel komt op tegen rov. 3.6 met de klacht dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. Het middel wijst erop dat [verzoeker] in hoger beroep heeft aangevoerd dat hij bij toepassing van de schuldsaneringsregeling zo spoedig mogelijk zal verzoeken om de alimentatieverplichtingen op nihil te stellen en dat gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad de verwachting gerechtvaardigd is dat dit verzoek zal worden toegewezen.

3.3.2

De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7589, NJ 2009/52, het volgende overwogen:

“3.3.2 Uitgangspunt (…) is dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek van een alimentatieplichtige een vastgestelde uitkering tot levensonderhoud op grond van een wijziging van omstandigheden op een lager bedrag of op nihil vast te stellen, in aanmerking zal kunnen nemen dat ten aanzien van de alimentatieplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is en veelal de in dat verband vastgestelde feiten tot uitgangspunt zal kunnen nemen (…). In aanmerking genomen voorts dat de saniet gedurende de tijd waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, slechts kan beschikken over het op de voet van artikel 295 lid 2 Fw door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag en dit bedrag, gelet op het daarbij van toepassing verklaarde art. 475d Rv, onder het bijstandsniveau is gelegen, tenzij de rechter-commissaris op de voet van art. 295 lid 3 Fw anders heeft bepaald, moet worden aangenomen dat een saniet, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen.”

3.3.3

In het licht van deze uitspraak en gelet op de hiervoor in 3.3.1 bedoelde stelling van [verzoeker] is het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het hof onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd. Het middel slaagt dus.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 september 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 december 2015.