Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3627

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
14/04733
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2423, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:2210, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid van journalist en uitgever voor publicaties waarin de volledige naam van de verdachte is vermeld. Vrijheid van meningsuiting (art. 10 EVRM); eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM). Belangenafweging; noodzakelijkheidstoets (art. 10 lid 2 EVRM); rechtspraak EHRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/84
NJ 2016/31 met annotatie van
JWB 2016/20
RvdW 2016/100
RAV 2016/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2015

Eerste Kamer

14/04733

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. HEARST MAGAZINES NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

advocaten: mr. B.T.M. van der Wiel en mr. A.M. van Aerde.

Eisers tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser 1] en Hearst Magazines en gezamenlijk als [eisers] ; verweerder zal hierna ook worden aangeduid als [verweerder] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 497600/HA ZA 11-2349 van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2011 en 7 maart 2012;

b. het arrest in de zaak 200.106.871/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 juni 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mrs. A.P. Groen en M.Ch. Kaaks.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eisers] heeft bij brief van 13 november 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

  • -

    i) De FIOD-ECD heeft in 2007 [verweerder] als getuige gehoord in het kader van een justitieel onderzoek naar [betrokkene 1] . Laatstgenoemde werd verdacht van faillissementsfraude. [verweerder] was gedurende een deel van de periode waarin deze fraude zich zou hebben afgespeeld werkzaam als financial controller van het door [betrokkene 1] bestuurde RDM-concern, waarbinnen de fraude zou hebben plaatsgevonden.

  • -

    ii) In 2008 heeft [verweerder] van een opsporingsambtenaar van de FIOD-ECD vernomen dat de officier van justitie had besloten hem aan te merken als verdachte in het lopende justitiële onderzoek naar de vermeende faillissements-fraude.

  • -

    iii) In september 2010 is onder redactie van financieel journalist [eiser 1] een artikel in NRC Handelsblad verschenen onder de kop “Nieuwe verdachte in fraudezaak RDM”. In dit artikel is, voor zover in cassatie van belang, de volgende passage opgenomen:

“(...) In dat dossier waren al twee medeverdachten bekend: [betrokkene 1] voormalige secretaresse [betrokkene 2] en ex-directeur [betrokkene 3] . Naar nu blijkt, is er nog een vierde persoon als verdachte in deze zaak aangemerkt: [verweerder] , de voormalige controller van het concern.”

  • -

    iv) In oktober 2010 heeft [eiser 1] , die toen bezig was met het schrijven van een biografie over [betrokkene 1] , telefonisch contact opgenomen met [verweerder] . Deze heeft in dit telefoongesprek tegenover [eiser 1] , die zich voorstelde als een journalist van NRC Handelsblad, ontkend dat hij degene was naar wie [eiser 1] op zoek was. Diezelfde maand heeft [eiser 1] contact gezocht met de advocaat die [verweerder] in de strafzaak bijstond. Die advocaat heeft laten weten dat zij niet (inhoudelijk) wilde ingaan op vragen van [eiser 1] .

  • -

    v) In een door [eiser 1] geschreven en door Uitgeverij Prometheus B.V. (hierna: Prometheus) uitgegeven biografie over [betrokkene 1] met de titel “JOEP! Van held tot hoofdverdachte” wordt [verweerder] in vier passages met naam en toenaam genoemd.

  • -

    vi) In het decembernummer van 2010 van het door (toen nog Hachette, thans) Hearst Magazines uitgegeven maandblad Quote is een artikel verschenen van de hand van [eiser 1] , met als titel “JOEP BESMEURD HAVENGELD”, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“(...) In de loop van het strafrechtelijk onderzoek wordt ook nog een hulpje [betrokkene 3] als verdachte aangemerkt, controller [verweerder] . (...)

De verdachten

(...)

[verweerder] (41) Ex-marinier en boekhouder. Werd in februari 2004 door [betrokkene 3] bij RDM aangetrokken om te helpen met financieel puinruimen. De twee werkten ook al nauw samen bij Flex Group Nederland. Tijdens zijn verhoren als getuige in de faillissementsfraudezaak vond Justitie dat hij dermate veel had meegewerkt aan omstreden geldtransacties, dat men hem aanmerkte als verdachte.

Tegenover de buitenwereld ontkent [verweerder] bij de zaak betrokken te zijn, laat staan dat hij bij RDM gewerkt heeft. Hij is tegenwoordig in te huren als freelance controller en financieringsadviseur voor het mkb. [betrokkene 1] maakt nog altijd gebruik van zijn diensten voor een van zijn nog bestaande investeringsmaatschappijen.”

  • -

    vii) In februari 2011 heeft [verweerder] tegen [eiser 1] , tegen Prometheus en tegen de hoofdredacteuren van Quote een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek. Deze klacht hield in dat zijn privacy is geschonden door het vermelden van zijn volledige naam in de hiervoor geciteerde publicaties waarin hij is aangeduid als ‘verdachte’.

  • -

    viii) In het aprilnummer van 2011 van Quote, in de rubriek “Tot mij wendde zich”, heeft Quote, onder de kop “SCHANDE” en geïllustreerd met een foto van een huilende baby, als volgt op de tegen haar ingediende klacht gereageerd:

“KLACHT Advocate [advocate] van pleitkantoor Lawton (Rotterdam) dient namens haar cliënt [verweerder] een klacht in bij de Raad van de Journalistiek tegen Quote. In het verhaal ‘Besmeurd havengeld’ (Quote december p. 70) over [betrokkene 1] heeft Quote de naam van de van fraude verdachte boekhouder van [betrokkene 1] , [verweerder] , voluit geschreven en hem daarmee besmeurd.

Volgens [verweerder] hebben degenen tegen wie de klacht zich richt de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

NASCHRIFT Het spijt ons, [verweerder] .”

(ix) Bij beslissing van 29 april 2011 heeft de Raad voor de Journalistiek de klacht gegrond geacht. Deze beslissing luidt, voor zover hier van belang:

“(...) Een en ander leidt tot de slotsom dat met de vermelding van klagers naam diens privacy disproportioneel is aangetast. Verweerders hebben derhalve door klagers naam te vermelden de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.”

Aan het in de beslissing van de Raad voor de Journalistiek opgenomen verzoek om de beslissing van de Raad, integraal of in samenvatting, in Quote en op de website van Prometheus te publiceren, is geen gevolg gegeven.

(x) Bij brief van 10 mei 2011 heeft [verweerder] zowel [eiser 1] , Prometheus als Hearst Magazines aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van de (in zijn visie) onrechtmatige handelwijze geleden en nog te lijden schade.

3.2.1

[verweerder] heeft gevorderd dat [eiser 1] , Hearst Magazines en Prometheus worden veroordeeld tot betaling van € 95.288,-- aan schadevergoeding, alsmede tot vergoeding van verdere schade, op te maken bij staat. [verweerder] heeft hiertoe gesteld dat [eiser 1] , Hearst Magazines en Prometheus jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld door in de hiervoor in 3.1 onder (v), (vi) en (viii) genoemde publicaties zijn volledige naam te vermelden en niet slechts zijn initialen, zoals in journalistieke kringen te doen gebruikelijk is bij publicaties over personen die voorwerp zijn van justitieel onderzoek.

3.2.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [verweerder] afgewezen.

3.2.3

In het in cassatie bestreden tussenarrest heeft het hof buiten beschouwing gelaten of Prometheus in verband met de hiervoor in 3.1 onder (v) genoemde publicatie jegens [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld, omdat [verweerder] de mogelijkheid van schade als gevolg van deze publicatie niet aannemelijk heeft gemaakt (rov. 3.5.1-3.5.3).

3.2.4

Vervolgens heeft het hof onderzocht of [eiser 1] en Hearst Magazines met de hiervoor in 3.1 onder (vi) en (viii) genoemde publicaties jegens [verweerder] onrechtmatig hebben gehandeld (rov. 3.6-3.13).

Daartoe heeft het hof overwogen dat bij de hier aan de orde zijnde botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van [eiser 1] en Hearst Magazines enerzijds met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [verweerder] anderzijds, het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. In het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting komt daarbij aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen en anderzijds het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Bij deze afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan het door art. 7 Gw en art. 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting, en hetzelfde geldt voor de door art. 8 EVRM beschermde persoonlijke levenssfeer. Een en ander leidt ertoe dat de toetsing in één keer dient te geschieden, waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle ter zake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op dat andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van art. 8 lid 2 respectievelijk art. 10 lid 2 EVRM. (rov. 3.6)

Bij de beantwoording van de vraag of de door [verweerder] gevorderde schadevergoeding een te vergaande inperking van het recht op vrijheid van meningsuiting vormt, heeft het hof betekenis toegekend aan een groot aantal feiten en omstandigheden (rov. 3.7), waaronder het feit dat [verweerder] geen publieke figuur is (eerste gedachtestreepje), dat [verweerder] een beperkte rol heeft gespeeld in de door de publicaties onthulde misstand (tweede gedachtestreepje), dat [verweerder] geen publieke functie uitoefent (derde gedachtestreepje), dat [verweerder] ten tijde van de publicaties slechts de status van verdachte in een strafzaak had (vijfde gedachtestreepje), en dat [verweerder] op geen enkele wijze de publiciteit heeft gezocht (zesde gedachtestreepje).

Deze omstandigheden in aanmerking genomen is het hof tot het oordeel gekomen dat [eiser 1] en Hearst Magazines jegens [verweerder] in strijd met art. 6:162 BW – een wettelijke beperking als bedoeld in art. 10 lid 2 EVRM – en mitsdien onrechtmatig hebben gehandeld (rov. 3.8-3.13).

3.2.5

Voor de schade die is ontstaan door de hiervoor in 3.1 onder (vi) genoemde publicatie zijn [eiser 1] en Hearst Magazines hoofdelijk aansprakelijk; voor de (extra) schade ontstaan door de hiervoor in 3.1 onder (viii) genoemde publicatie is alleen Hearst Magazines aansprakelijk (rov. 3.14).

Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden, omdat het debat omtrent de schade naar het oordeel van het hof nog onvoldragen is (rov. 3.15-3.16).

Ten slotte heeft het hof bepaald dat tegen zijn tussenarrest cassatieberoep openstaat (rov. 3.17).

3.3

In cassatie is alleen de aansprakelijkheid van [eiser 1] en Hearst Magazines voor de hiervoor in 3.1 onder (vi) en (viii) genoemde publicaties aan de orde.

3.4.1

Onderdeel 3.4 klaagt dat het hof in de rov. 3.7-3.13 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het hof art. 10 EVRM op onjuiste wijze heeft toegepast dan wel onvoldoende aansluiting heeft gezocht bij de criteria die zijn ontwikkeld door het EHRM. In dit verband doen het onderdeel en de toelichting daarop met name een beroep op de uitspraken van het EHRM in de zaken Eerikaïnen c.s./Finland (EHRM 10 februari 2009, nr. 3514/02), Standard Verlags/Oostenrijk (EHRM 10 januari 2012, nr. 34702/07) en Lahtonen/Finland (EHRM 17 januari 2012, nr. 29576/09). Volgens de klacht was in elk van deze zaken sprake van een publicatie over een persoon die werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit, waarbij de volledige naam van deze persoon werd vermeld, en heeft het EHRM telkens geoordeeld dat het resultaat van de door de nationale rechter op de voet van art. 10 lid 2 EVRM verrichte noodzakelijkheidstoets een ontoelaatbare inperking van de (journalistieke) vrijheid van meningsuiting behelsde.

3.4.2

Deze klacht faalt. Zij miskent in de eerste plaats dat het EHRM in de hiervoor in 3.4.1 genoemde uitspraken geen andere rechtsopvatting of criteria heeft ontwikkeld dan die welke het hof in rov. 3.6 tot uitgangspunt heeft genomen. Voorts miskent de klacht dat het EHRM in elk van deze drie zaken weliswaar tot het oordeel is gekomen dat sprake was van een schending van art. 10 EVRM, maar zijn oordeel in belangrijke mate heeft gebaseerd op een motiveringsgebrek in de beslissing van de nationale rechter – doordat niet duidelijk was welke betekenis daarin was toegekend aan bepaalde, op zichzelf relevante, omstandigheden (vgl. Eerikaïnen c.s./Finland rov. 69-70), of de appelrechter niet was ingegaan op een door de rechter in eerste aanleg in aanmerking genomen, relevante omstandigheid (vgl. Standard Verlags/Oostenrijk, rov. 45) – dan wel op het onevenredig zware karakter van de opgelegde sanctie (vgl. Lahtonen/Finland, rov. 78-81). Ook in zoverre volgt uit deze uitspraken van het EHRM niet dat het oordeel van het hof berust op een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 10 EVRM.

3.5

De onderdelen 4.1 en 4.2 keren zich met motiveringsklachten tegen de belangenafweging die het hof in de rov. 3.7-3.13 heeft verricht.

Voor zover deze klachten voortbouwen op onderdeel 3.4 moeten zij het lot daarvan delen. Voor het overige richten de klachten zich tegen begrijpelijke en voldoende gemotiveerde overwegingen van het hof, in welk verband het hof geen essentiële stellingen van [eiser 1] en Hearst Magazines onbehandeld heeft gelaten. Deze klachten treffen dan ook geen doel.

3.6

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 390,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 december 2015