Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3624

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
14/04430
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2421, Gevolgd
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2017:4005
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2018:1090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervoersrecht. CMR. Betekenis HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333, NJ 1995/114 (Cargofoor). Schade door tekortkoming in gegevensverstrekking die tot schade leidt na einde vervoersovereenkomst. Beoordeling naar nationaal recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/82
JWB 2016/19
RvdW 2016/93
S&S 2016/37
NJ 2016/341 met annotatie van K.F. Haak
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2015

Eerste Kamer

14/04430

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink,

t e g e n

TRANSFENNICA LOGISTICS B.V.B.A.,
gevestigd te Kallo (Beveren), België,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. K. Teuben.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Transfennica.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 225427/HA ZA 12-65 van de rechtbank Arnhem van 8 februari 2012 en 26 september 2012 (gecorrigeerd op 23 oktober 2012);

b. het arrest in de zaak 200.120.040 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Transfennica heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Transfennica mede door mr. K.J.O. Jansen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2014 en tot verwijzing.

De advocaat van Transfennica heeft bij brief van 9 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

  • -

    i) In september 2010 heeft [eiseres] Transfennica opgedragen een aantal zendingen Nokia-artikelen te vervoeren van Roosendaal naar Hamina (Finland).

  • -

    ii) [eiseres] was als ondervervoerder ingeschakeld door de Finse rechtspersoon [A], die had aangenomen de Nokia artikelen van Roosendaal naar Moskou (Rusland) te vervoeren.

  • -

    iii) Transfennica heeft [B] N.V. (hierna: [B]) belast met het vervoer over de weg van Roosendaal naar de haven van Antwerpen (België).

  • -

    iv) Op 11 september 2010 zijn de zendingen in Roosendaal in de containers van [B] geladen.
    De zendingen hadden laadreferentienummers. Op de CMR vrachtbrieven is per zending aangegeven in welke container zij zijn geladen. De zendingen zijn op 17 september 2010 in Hamina aangekomen.

  • -

    v) Op 13 september 2010 heeft Transfennica desverzocht de containernummers per e-mail aan [eiseres] doorgegeven. In dat bericht is ten aanzien van drie laadreferentienummers een onjuist containernummer opgenomen doordat twee containernummers waren verwisseld. [eiseres] heeft het e-mailbericht van Transfennica doorgestuurd naar [A]. [A] heeft op basis van het e-mailbericht douanedocumenten opgesteld voor de uitvoer uit de EU (carnet-tirs).

  • -

    vi) Het vervoer van Hamina naar Rusland is in opdracht van [A] uitgevoerd door Contento OY en JSP Cargo OY. Bij de Russische grens zijn de twee hiervoor onder (v) genoemde containers achtergehouden, omdat de gewichten van de ladingen afweken van de op de carnet-tirs vermelde gegevens. De achtergehouden containers zijn opgeslagen aan de Russische grens en pas na een rechterlijke uitspraak vrijgegeven. [A] heeft de aan haar doorbelaste opslagkosten en de aan Contento OY en JSP Cargo OY door de Russische douane opgelegde boetes voldaan en op haar beurt aan [eiseres] doorbelast.

  • -

    vii) [eiseres] heeft Transfennica laten weten de transportkosten te verrekenen met de door haar geleden schade bestaande uit de aan haar doorbelaste boetes en opslagkosten als hiervoor onder (vi) bedoeld, de truckdemurrage en de kosten voor het in- en uitslaan van de goederen.

3.2.1

Transfennica vordert in dit geding in conventie betaling van de (volledige) transportkosten. [eiseres] heeft in reconventie vergoeding gevorderd van de hiervoor in 3.1 onder (vi) en (vii) genoemde schade. De rechtbank heeft de vordering van Transfennica afgewezen en die van [eiseres] toegewezen, onder vermindering van de door Transfennica gevorderde transportkosten.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van [eiseres] afgewezen en die van Transfennica toegewezen. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen.

Transfennica was noch op grond van de transportopdracht noch op grond van de op de vervoersovereenkomst toepasselijke CMR verplicht laadreferentie- en containernummers aan [eiseres] te verstrekken. Dat laat evenwel onverlet dat een dergelijke verplichting onderdeel kan uitmaken van de vervoersovereenkomst. [eiseres] heeft zich erop beroepen dat Transfennica naar branchegebruik gehouden was genoemde gegevens aan haar te verstrekken. (rov. 4.4)

3.2.3

Vervolgens heeft het hof overwogen:

“4.5 Voor zover zou moeten worden aangenomen dat Transfennica inderdaad verplicht was op verzoek van [eiseres] onder de vervoersovereenkomst voormelde gegevens [laadreferentie- en containernummers; toevoeging Hoge Raad aan [eiseres] te verstrekken en in moest staan voor de juistheid daarvan, geldt het volgende. [eiseres], als wederpartij van Transfennica, heeft haar vordering gestoeld op het schenden van een contractuele verplichting. Haar stelling is dat Transfennica de verplichting tot juiste gegevensverstrekking jegens haar niet is nagekomen. Aangenomen dat dit juist is, geldt dat de contractuele verhouding tussen Transfennica en [eiseres] omkaderd en beperkt is door de transportopdracht waarop de CMR van toepassing is. Nu vast staat dat Transfennica de zaken tijdig en in goede staat in Hamina heeft afgeleverd, is de vervoersovereenkomst tussen [eiseres] en Transfennica op dat moment geëindigd. De gestelde fout van Transfennica heeft in de contractuele relatie tussen Transfennica en [eiseres], dus tijdens het vervoer van Roosendaal naar Hamina, niet tot schade – bijvoorbeeld vanwege vertraging in de aflevering – geleid en daarmee niet tot schadeplichtigheid van Transfennica binnen de vervoersovereenkomst.

4.6

De gestelde schade is immers pas ingetreden tijdens het verdere vervoer door Contento OY en JSP Cargo OY, dat in opdracht van [A] is verricht. De vervoerde zaken zijn opgehouden waardoor vertraging is ontstaan in de aflevering en er zijn extra kosten gemaakt voor onder meer opslag. Transfennica was echter geen partij bij deze contractuele relatie – evenmin als [eiseres] – en [eiseres] heeft ook onvoldoende toegelicht op welke wijze Transfennica desalniettemin contractueel op grond van de CMR aansprakelijk is jegens haar voor een in de verhouding tussen [A] en Contento OY/JSP Cargo OY ontstane schade. Het enkele feit dat schade is veroorzaakt door een fout van Transfennica en [A] de kosten heeft doorbelast aan [eiseres] is daartoe onvoldoende. Er is geen reden om een uitzondering te maken op het in de CMR (strikt) gehanteerde uitgangspunt. Ook uit het nationale recht, artikel 8:1103 BW, volgt overigens dat de afzender geen ander recht heeft dan betaling van de limiet in geval van schendingen van artikel 8:1095 en 8:1096 BW. Gevolgschade, zoals hier aan de orde, komt niet voor vergoeding in aanmerking.

4.7

[eiseres] heeft betoogd dat in het onderhavige geval het arrest Cargofoor toepassing moet vinden, maar dat betoog faalt. In dat arrest ging het om een schadevordering van de gesubrogeerde opdrachtgever op grond van onrechtmatige daad voor schade die de vervoerder bij het lossen aan andere dan de vervoerde goederen had toegebracht. [eiseres] vordert echter op een contractuele grondslag vergoeding van schade die in verband staat met de vervoerde zaken en heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de schadelijdende partij is. Uitbreiding van de leer van het Cargofoor-arrest naar gevallen als het onderhavige acht het hof voorts niet opportuun, mede gelet op de opvattingen in naburige landen over de (on)mogelijkheid van aansprakelijkheid van de vervoerder buiten de CMR. De rechter dient naar het oordeel van het hof dan ook terughoudendheid te betrachten bij het aannemen van een dergelijke aansprakelijkheid.”

3.3

Het middel is gericht tegen het hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordeel van het hof in rov. 4.5-4.7. Onderdeel 2 onder (a) klaagt dat het hof heeft miskend dat degene die in het kader van de vervoersovereenkomst onjuiste gegevens verstrekt voor de ten gevolge daarvan veroorzaakte schade aansprakelijk kan worden gehouden ook indien de schade zich tijdens het vervolgtransport manifesteert. Onderdeel 3 klaagt dat het hof heeft miskend dat de CMR niet voorziet in een uitputtende regeling van de aansprakelijkheid van de vervoerder en dat de onderhavige schade in ieder geval niet onder de door de CMR geregelde en gelimiteerde schade valt. Die schade valt evenmin onder de art. 8:1095, 8:1096 en 8:1103 BW. Van schade die een gevolg is van wel door de CMR of laatstgenoemde bepalingen geregelde schade is geen sprake, aldus het onderdeel.

3.4.1

Art. 17 lid 1 CMR bepaalt dat de vervoerder aansprakelijk is voor geheel of gedeeltelijk verlies en voor beschadiging van de goederen, welke ontstaan is tussen het ogenblik van de inontvangstneming van de goederen en het ogenblik van de aflevering, alsmede voor vertraging in de aflevering. Art. 23 lid 5 CMR houdt in dat indien de rechthebbende bewijst dat door vertraging schade is ontstaan, de vervoerder gehouden is voor deze schade een vergoeding te betalen, die niet meer kan bedragen dan de vrachtprijs.

3.4.2

De CMR voorziet niet in een uitputtende regeling van de aansprakelijkheid van de vervoerder. Art. 17 CMR regelt uitsluitend de aansprakelijkheid van de vervoerder voor verlies van of schade aan door hem vervoerde zaken, alsmede voor vertraging in de aflevering. Voor andere schade dan deze kan de vervoerder aansprakelijk zijn op grond van het toepasselijke nationale recht (vgl. met betrekking tot schade aan andere dan de vervoerde zaken HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1333, NJ 1995/114 (Cargofoor)).

3.4.3

Het hof heeft in rov. 4.5 terecht overwogen dat de vervoersovereenkomst tussen [eiseres] en Transfennica is geëindigd op het moment dat Transfennica de goederen in Hamina had afgeleverd (vgl. HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8464, NJ 2012/289 (Tele Tegelen/Stainalloy)). Het hof heeft evenwel hieraan ten onrechte de gevolgtrekking verbonden dat de door [eiseres] gestelde tekortkoming van Transfennica in haar verplichting tot juiste gegevensverstrekking niet tot aansprakelijkheid van Transfennica op grond van de vervoersovereenkomst kan leiden. De aansprakelijkheid wegens die tekortkoming ziet niet op verlies van of schade aan de vervoerde zaken of op vertraging in de aflevering als bedoeld in de CMR. De CMR regelt deze aansprakelijkheid niet en staat niet aan het aannemen daarvan in de weg. Die aansprakelijkheid moet worden beoordeeld naar nationaal recht.

Ook de art. 8:1095, 8:1096 en 8:1103 BW, waarnaar het hof aan het slot van rov. 4.6 verwijst, hebben op deze aansprakelijkheid geen betrekking.

3.4.4

Voorts heeft het hof miskend dat het feit dat de schade pas na het einde van de vervoersovereenkomst is ontstaan of aan het licht is gekomen, niet meebrengt dat geen aansprakelijkheid van de vervoerder op grond van de vervoersovereenkomst kan bestaan. Bepalend is immers of de schade, ook als die pas ontstaat of aan het licht komt nadat de vervoersovereenkomst is geëindigd, is veroorzaakt bij de uitvoering van die overeenkomst.

3.4.5

Uit het vorenstaande volgt dat de hiervoor in 3.3 weergegeven klachten gegrond zijn. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Transfennica in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.716,70 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 december 2015.