Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3623

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
14/03435
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1976, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:923, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Uitleg sociaal plan, waarin ook bezwarencommissie is ingesteld. Is oordeel bezwarencommissie over een in dat plan overeengekomen regeling van vroegpensioen bindend voor de werkgever? Ondubbelzinnige afstand van recht op toegang tot overheidsrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1273 met annotatie van L.C.J. Sprengers
JAR 2016/38
NJB 2016/77
AR 2015/2591
JWB 2016/28
RvdW 2016/106
JAR 2016/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2015

Eerste Kamer

14/03435

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

STICHTING KEMPISCH CENTRUM VOOR MUZIEK & DANS,
gevestigd te Bergeijk,

EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. K. Teuben,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als KCMD en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 685558/10-3898 van de kantonrechter te Eindhoven van 4 november 2010 en 24 februari 2011;

b. de arresten in de zaak 200.088.237/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 juli 2011, 3 april 2012, 23 oktober 2012, 9 april 2013, 2 juli 2013 en 1 april 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 3 april 2012 en 1 april 2014 heeft KCMD beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor KCMD mede door mr. K.J.O. Jansen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.

De advocaat van de Stichting heeft bij brief van 2 oktober 2015 op de conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) KCMD heeft haar activiteiten met ingang van 1 augustus 2008 gestaakt. Zij is met de vakbonden, de Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaarsvereniging (KNTV) en de Nederlandse Toonkunstenaarsbond (Ntb) een sociaal plan overeengekomen. Hierin zijn de gevolgen geregeld van de beëindiging van de onderneming van KCMD voor haar werknemers, onder wie [verweerder]. De ingangsdatum van het sociaal plan is 1 augustus 2008.

(ii) Het sociaal plan houdt, voor zover in cassatie van belang, onder meer de volgende bepalingen in:

Art. 6.2:

Werknemers geboren voor 1 januari 1950 worden per 1 augustus 2008 op non-actief gesteld met behoud van salaris en pensioenopbouw, zodat zij op de spilleeftijd (62 jaar en 3 maanden) gebruik kunnen maken van de FPU. Eventuele salarisverhogingen vallen tot aan de spilleeftijd binnen deze afspraak. Tijdens FPU wordt salaris aangevuld en pensioen ingekocht, waardoor de werknemer geen nadeel ondervindt van gebruik FPU.

Art. 8.7:

De werkgever is verplicht, indien het bezwaar gegrond is verklaard, met in achtneming van die uitspraak, een nieuw besluit te nemen, tenzij tot genoegen van de bezwarencommissie kan worden aangetoond dat zulks geheel of gedeeltelijk onmogelijk is.”

(iii) [verweerder] heeft de leeftijd van 62 jaar en drie maanden bereikt op 21 januari 2009. Hij is ontslagen met ingang van 1 februari 2009. Vanaf die datum maakt hij gebruik van FPU.

(iv) Werknemers met een aanspraak op ABP-pensioen zoals [verweerder], die tot één maand voor de maand waarin zij 65 jaar worden geen gebruik hebben gemaakt van FPU, kunnen hun niet-opgenomen FPU-tijd omzetten in een verhoging van hun ouderdomspensioen (het Vendrikeffect). Omdat [verweerder] per
1 februari 2009 van FPU gebruik maakt, loopt hij deze mogelijkheid mis. KCMD stelt zich op het standpunt dat zij niet op grond van art. 6.2 van het Sociaal Plan het nadeel hoeft te compenseren dat voor [verweerder] voortvloeit uit het gemis van deze mogelijkheid. [verweerder] verdedigt het omgekeerde standpunt.

(v) [verweerder] heeft op grond van art. 8 van het sociaal plan, bezwaar gemaakt bij de in deze bepaling bedoelde bezwarencommissie tegen de weigering van KCMD om zijn zojuist genoemde nadeel te compenseren. In een uitspraak van 13 februari 2009 heeft de bezwarencommissie als volgt geoordeeld:

“6.1. Art. 6.2 van het sociaal plan schrijft onder meer voor dat pensioen wordt ingekocht waardoor de werknemer van zijn FPU-gebruik geen nadeel ondervindt.

6.2.

Gezien de opzet van de Vendrikregeling zal het pensioen van [verweerder] als gevolg van het FPU-gebruik per 1 februari 2009 minder hoog uitvallen dan als hij was blijven werken tot een maand voor zijn 65e; dat staat vast.

6.3.Wil de pensioeninkoop die art. 6.2 voorschrijft het gecursiveerde effect hebben, dan zal zij dus mede de Vendriksuppletie op het ouderdomspensioen moeten omvatten die [verweerder] misloopt doordat hij veel eerder van FPU gebruik moet maken.

6.4.

Dit volgt uit de tekst van het sociaal plan; de voorgeschiedenis ervan is dus niet van belang.

7. Het bezwaar van [verweerder] is dus gegrond.

8. Uit art. 8.7 van het sociaal plan volgt, dat KCMD met inachtneming van dit oordeel een nieuw besluit moet nemen.”

(vi) Op 30 december 2009 heeft KCMD een nieuw besluit genomen. Dit besluit luidt als volgt:

“Op grond van het voorgaande concludeert het bestuur van het KCMD dat het uitgangspunt dat de werknemer geen nadeel mag ondervinden van de gebruikmaking van de FPU niet de verplichting omvat de Vendrikregeling te compenseren.”

In de bijlage bij dit besluit zijn de gronden daarvoor vermeld.

3.2.1

In dit geding heeft [verweerder] gevorderd KCMD te veroordelen voor hem een stamrechtuitkering vanaf 1 januari 2010 aan te schaffen tot een bedrag van € 136.000,--, althans tot een zodanig bedrag dat het mislopen van het Vendrik-effect wordt opgeheven. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen.

3.2.2

[verweerder] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. Het hof heeft bij tussenarrest overwogen dat de grieven van [verweerder] slagen en heeft KCMD toegelaten zich uit te laten over de hoogte van de schade van [verweerder]. Bij eindarrest heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en KCMD veroordeeld om ten behoeve van [verweerder] vanaf 1 januari 2010 op een door [verweerder] aan te geven wijze een stamrechtuitkering aan te schaffen tot een bedrag van € 129.147,63 met rente. Het hof heeft zijn oordeel in het tussenarrest op twee zelfstandige gronden gebaseerd.
De eerste grond van zijn oordeel was dat de beslissing van de in art. 8.7 van het sociaal plan bedoelde bezwarencommissie (zie hiervoor in 3.1 onder (ii)) bindend is voor KCMD. Daarnaast overwoog het hof dat het de beslissing van de bezwarencommissie onderschreef omdat deze is gebaseerd op een juiste uitleg van art. 8.7 van het sociaal plan, althans omdat die beslissing onder de in het tussenarrest genoemde omstandigheden, in het geval van [verweerder] juist is.

Het hof heeft de eerste grond voor zijn oordeel als volgt gemotiveerd:

“8.5.1. Het hof overweegt allereerst dat de vraag of de werkgever, in casu KCMD, bij het nemen van een nieuw besluit al dan niet is gebonden aan de uitspraak van de bezwarencommissie dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 8.7 van het Sociaal Plan (zie rechtsoverweging 8.1.3).

8.5.2.

Het hof stelt in dat verband voorop dat voor de uitleg van bepalingen uit het Sociaal Plan, ook indien het Sociaal Plan niet als een collectieve arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt, de CAO-norm dient te worden gehanteerd (Hoge Raad 26 mei 2000, LJN AA5961, NJ 2000, 473). Voorts overweegt het hof dat tussen de Haviltex-norm, die wordt gehanteerd bij de uitleg van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst, en de voormelde CAO-norm geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang. Kort gezegd heeft enerzijds ook bij toepassing van de Haviltexnorm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd, de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen naarmate de typerende - in het arrest nader aangeduide - omstandigheden van het geval zo’n uitleg meer verlangen. Anderzijds is de CAO-norm niet een louter taalkundige norm, maar is hier sprake van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO moeten worden betrokken; bovendien kan, indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de bepalingen van de CAO en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend (Hoge Raad 20 februari 2004, LJN AO1427, NJ 2005, 493; Hoge Raad 9 juli 2004, LJN AO7000, NJ 2005, 496). Het hof overweegt hierbij dat waar in het bovenstaande is gesproken over de CAO in casu ook het Sociaal Plan kan worden gelezen.

8.5.3.

Vaststaat dat [verweerder] op grond van de in artikel 8 van het Sociaal Plan opgenomen bezwarenregeling een bezwaar heeft ingediend bij de bezwarencommissie. Voorts staat vast dat de bezwarencommissie in haar uitspraak van 13 februari 2009 dat bezwaar gegrond heeft verklaard (zie rechtsoverweging 8.1.7). Met inachtneming van de in rechtsoverweging 8.5.2 geformuleerde uitlegmaatstaf moet artikel 8.7 van het Sociaal Plan naar het oordeel van het hof aldus worden uitgelegd dat KCMD gehouden was, nu de bezwarencommissie het bezwaar van [verweerder] gegrond had verklaard, om met inachtneming van de uitspraak van de bezwarencommissie een nieuw besluit te nemen. De woorden “tenzij tot genoegen van de bezwarencommissie kan worden aangetoond dat zulks geheel of gedeeltelijk onmogelijk is” kunnen, in samenhang met de woorden “met in achtneming van de uitspraak, een nieuw besluit te nemen” niet anders worden begrepen dan dat KCMD daarbij gebonden was aan de uitspraak van de bezwarencommissie. Nu KCMD een nieuw besluit heeft genomen, waarin voorbij werd gegaan aan (de inhoud van) de uitspraak van de bezwarencommissie, kan niet worden gesteld dat KCMD dat besluit heeft genomen “met inachtneming” van de uitspraak van de bezwarencommissie. Blijkens artikel 8.7 van het Sociaal Plan was KCMD alleen dan niet gebonden aan de uitspraak van de bezwarencommissie, indien “tot genoegen van de bezwarencommissie kan worden aangetoond dat zulks geheel of gedeeltelijk onmogelijk is”. Dat van dat laatste sprake is geweest, is echter niet gesteld noch gebleken. Uit het vorenstaande volgt dat de eerste grief slaagt. ”

3.3.1

Onderdeel 1 van het middel richt klachten tegen de zojuist aangehaalde overwegingen van het hof. Deze komen erop neer dat art. 8.7 van het sociaal plan, voor het geval een door een werknemer gemaakt bezwaar tegen een besluit van de werkgever gegrond is verklaard, aldus moet worden uitgelegd dat de werkgever dan is gebonden aan de uitspraak van de bezwarencommissie en daarom een nieuw besluit moet nemen in overeenstemming daarmee, tenzij de werkgever aantoont dat zulks geheel of gedeeltelijk onmogelijk is.

3.3.2

Het onderdeel voert in de eerste plaats aan dat het oordeel van het hof onjuist is op de grond dat art. 8.7 van het sociaal plan een afstand van recht op toegang tot de overheidsrechter inhoudt, zodat deze afstand ondubbelzinnig moet zijn gedaan.

Bij de beoordeling van deze klacht dient tot uitgangspunt dat KCMD bij de door het hof aan art. 8.7 gegeven uitleg slechts in zoverre wordt beperkt in haar bevoegdheid het geschil aan de rechter voor te leggen, dat de verplichting om een nieuw besluit te nemen in overeenstemming met het oordeel van de bezwarencommissie eerst geldt indien het geschil niet door een werknemer of de werkgever bij de rechter aanhangig is gemaakt, hetgeen zelfs nog mogelijk is tijdens de behandeling van het bezwaar door de bezwarencommissie (art. 8.8 en 8.9 van het sociaal plan).

In het oordeel van het hof ligt besloten dat KCMD, die als contractspartij betrokken was bij het overeenkomen van het sociaal plan, de uit de uitleg van het hof voortvloeiende beperking van haar bevoegdheid ondubbelzinnig heeft aanvaard. Het onderdeel mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

3.3.3

Het onderdeel voert daarnaast aan dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is gemotiveerd. In dit verband wijst het erop dat KCMD in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat het in taalkundig opzicht geenszins voor de hand ligt om de in art. 8.7 van het sociaal plan bedoelde verplichting van KCMD als werkgever om "met inachtneming van" de uitspraak van de bezwarencommissie een nieuw besluit te nemen, aldus uit te leggen dat de werkgever in beginsel aan die uitspraak is gebonden. Volgens KCMD moet “met inachtneming van” aldus worden begrepen dat KCMD zich bij het nemen van een nieuw besluit rekenschap dient te geven van de uitspraak van de bezwarencommissie, in die zin dat zij slechts is gehouden de daaraan ten grondslag liggende overwegingen te verdisconteren in de motivering van haar nieuwe besluit.

Het hof heeft deze uitleg klaarblijkelijk niet aannemelijk geacht. Dat is niet onbegrijpelijk, nu die uitleg zou leiden tot het onaannemelijke rechtsgevolg dat de in de bepaling voorziene uitzondering (“tenzij tot genoegen van de bezwarencommissie kan worden aangetoond dat zulks geheel of gedeeltelijk onmogelijk is”) enkel betrekking zou hebben op de motiveringsplicht. KCMD heeft niet aangevoerd, en het valt ook niet in te zien, in welke omstandigheden het geheel of gedeeltelijk onmogelijk zou zijn een afwijking van de uitspraak van de bezwarencommissie te motiveren, zodat de uitzondering waarin de bepaling voorziet bij de door KCMD bepleite uitleg zonder zin zou zijn.

Het in de motivering van het hof besloten liggende oordeel dat KCMD de inhoud van art. 8.7 van het sociaal plan redelijkerwijs niet anders heeft kunnen begrijpen dan in de door het hof genoemde zin, en dat zij dan ook geacht moet worden daarmee - als partij bij het sociaal plan - ondubbelzinnig te hebben ingestemd, is, gelet op het voorgaande, evenmin onbegrijpelijk.

3.3.4

Onderdeel 1 faalt dus.

3.4

Omdat de klachten die zijn gericht tegen de eerste grond voor het oordeel van het hof falen, en deze grond dat oordeel zelfstandig kan dragen, behoeven alle overige klachten van het middel bij gebrek aan belang geen behandeling. Datzelfde geldt voor de klachten van het incidentele cassatieberoep, nu de voorwaarde waaronder dit beroep is ingesteld, niet is vervuld.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.991,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 december 2015.