Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3618

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
14/03392
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2007, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:4597, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Verjaring van de rechtsvordering tot het doen van uitkering? Stuiting van de verjaring (art. 7:942 leden 2-3 (oud) BW). Overgangsrecht (art. 68a, 72 en 75 Ow NBW).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 68a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/76
JWB 2016/7
RvdW 2016/90
NJ 2016/109 met annotatie van T.F.E. Tjong Tjin Tai
RAV 2016/32
JA 2016/27
NTHR 2016, afl. 2, p. 117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2015

Eerste Kamer

14/03392

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

advocaten: mr. D. Rijpma en

mr. A. van Staden ten Brink,

t e g e n

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Rotterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. R.S. Meijer en

mr. D.A. van der Kooij.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Allianz.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 349201/HA ZA 10-643 van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2011, 2 november 2011 en 14 december 2011;

b. het arrest in de zaak 200.101.614/01 van het gerechtshof Den Haag van 1 april 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Allianz heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaten van [eiser] hebben bij brief van 8 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [eiser] is, althans was, samen met zijn voormalige partner eigenaar van een woning te [woonplaats] (hierna: de woning). Het risico van schade door brand was verzekerd bij de rechtsvoorganger van Allianz (Allianz en haar rechtsvoorganger worden hierna beide aangeduid als Allianz). Allianz heeft in 2003 aan [eiser] een zogeheten polis van woonhuisverzekering verstrekt. Hierin is een bedrag van € 242.300,-- als verzekerd bedrag vermeld.

(ii) Op 1 maart 2004 heeft in de woning van [eiser] brand gewoed. Als gevolg van de brand is schade aan de woning ontstaan.

(iii) Allianz heeft door Toplis & Harding Forensic B.V. (hierna: Toplis) een onderzoek doen instellen naar de oorzaak van de brand. Toplis heeft op 15 april 2004 een rapport uitgebracht.

(iv) Allianz heeft geweigerd dekking onder de polis te verlenen en zich in dit verband onder meer beroepen op art. 294 WvK en op bepalingen van de verzekeringsvoorwaarden. Allianz heeft hiervan bij brief van 13 mei 2004 aan [eiser] mededeling gedaan.

( v) De verzekeringsovereenkomst is op 11 juni 2004 door Allianz beëindigd.

(vi) Namens [eiser] is bij brief van 23 september 2004 gericht aan Allianz betwist dat [eiser] de brand in de woning zelf had gesticht en is aan Allianz een laatste termijn gegeven om haar eerder ingenomen standpunt te wijzigen en alsnog dekking onder de polis te verlenen. Daarop heeft Allianz bij brief van 1 december 2004, onder toezending van een aanvullend rapport van [A] , meegedeeld haar eerder ingenomen standpunt te handhaven.

(vii) Aannemersbedrijf [B] B.V. heeft op 16 maart 2005 een offerte uitgebracht voor het verrichten van herstelwerkzaamheden in en aan de woning voor een bedrag van € 251.685,-- inclusief BTW. In 2005 is tussen Allianz en [eiser] gecorrespondeerd over de hoogte van de schade.

(viii) Namens [eiser] is aan Allianz bij brief van 2 juli 2009 opnieuw aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade aan de woning.

3.2.1

[eiser] heeft gevorderd Allianz te veroordelen tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst door de schade te laten vaststellen conform de polisvoorwaarden en het aldus vastgestelde schadebedrag aan hem uit te keren, met rente en kosten.

3.2.2

Allianz heeft zich primair beroepen op verjaring van de vordering van [eiser] , daarbij verwijzend naar art. 7.1 van de toepasselijke polisvoorwaarden, luidende: “Elk recht op schadevergoeding verjaart door verloop van 3 jaren na de gebeurtenis”. Zij heeft aangevoerd dat de laatst mogelijke (door Allianz betwiste) stuiting van de verjaringstermijn moet worden gedateerd op 16 maart 2005 en dat [eiser] de verjaringstermijn van drie jaar die na die stuiting is gaan lopen, niet opnieuw tijdig heeft gestuit nu de aan Allianz gezonden brief van zijn advocaat waarbij wederom aanspraak op vergoeding wordt gemaakt, dateert van 2 juli 2009. Ook op grond van het op 1 januari 2006 ingevoerde art. 7:942 lid 1 (oud) BW, waarin een verjaringstermijn van drie jaar is opgenomen, is de vordering verjaard, aldus Allianz.

Subsidiair heeft Allianz aangevoerd niet tot uitkering te zijn gehouden op de grond dat sprake is van merkelijke schuld aan de zijde van [eiser] . Volgens Allianz is het vermoeden gerechtvaardigd dat [eiser] zelf de brand in de woning heeft gesticht.

3.2.3

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering van [eiser] niet is verjaard.

Het hof heeft geoordeeld dat het beroep van Allianz op verjaring doel treft, en heeft daartoe als volgt overwogen:

“5. (…) Tussen partijen staat niet ter discussie dat de verjaringstermijn op grond van artikel 7:942 BW – zoals dit artikel tot 1 juli 2010 luidde – na 1 januari 2006 drie jaar bedroeg, evenals dit het geval was vóór 1 januari 2006. De omstandigheid dat de verjaringstermijn vóór 1 januari 2006 op grond van de polisvoorwaarden en niet op grond van de wet drie jaar bedroeg, is niet van beslissende betekenis. Evenmin staat ter discussie dat Allianz bij brieven van 13 mei 2004 en 1 december 2004 uitkering onder de polis had geweigerd en dat door of namens [eiser] na toezending van de offerte van 16 maart 2005, daargelaten de vraag of Allianz deze destijds als stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW had moeten aanmerken, tot 2 juli 2009 geen aanspraak is gemaakt op uitkering.

6. Het gaat derhalve om de vraag of in dit geval een vóór 1 januari 2006 aangevangen verjaring op 2 juli 2009 niet was voltooid doordat op grond van artikel 68a Overgangswet NBW juncto artikel 7:942 lid 2 BW, zoals dit artikel destijds luidde, de lopende verjaring op 1 januari 2006 was vervallen en eerst dan een nieuwe verjaringstermijn zou zijn ontstaan in de zich hier niet voordoende situatie dat Allianz aan [eiser] na 1 januari 2006 een schriftelijke mededeling had gedaan in de zin van artikel 7:942, lid 2 BW.

7. Het hof volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat artikel 7:942 BW tot gevolg heeft gehad dat eerst dan een nieuwe verjaringstermijn zou zijn gaan lopen nadat een aanspraak gedaan vóór 1 januari 2006 ondubbelzinnig door Allianz na 1 januari 2006 zou zijn afgewezen. Dit volgt ook niet uit de systeemwijziging waarvan [eiser] uitgaat – namelijk een vervanging van de passieve verjaringstermijn door een actieve verjarings-termijn per 1 januari 2006 – daar de op 1 januari 2006 ingevoerde specifieke regeling voor de verjaring van vorderingen uit verzekerings-overeenkomsten weliswaar voorziet in hetzij afwijzing van de aanspraak door de verzekeraar hetzij erkenning, doch eerst na een stuiting van de verjaring door middel van een schriftelijke mededeling waarbij aanspraak wordt gemaakt op uitkering.

8. Nu gesteld noch gebleken is dat een dergelijke stuitingshandeling na 31 december 2005 is verricht op een tijdstip gelegen vóór 2 juli 2006, moet de conclusie zijn dat de op 1 januari 2006 nog lopende termijn was voltooid op een tijdstip gelegen vóór de datum waarop namens [eiser] op 2 juli 2009 opnieuw aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de schade. Een vordering van [eiser] op Allianz is derhalve verjaard. Dit brengt mee dat het hof de stellingen van partijen met betrekking tot de vraag of het indienen van de offerte door [eiser] op 16 maart 2005 al dan niet als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW had te gelden, onbesproken kan laten. Ook indien dit het geval zou zijn, zou de daardoor aangevangen verjaring immers op 2 juli 2009 zijn voltooid.”

3.3

Het onderhavige geval heeft betrekking op de regeling van art. 7:942 BW zoals die heeft gegolden in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2010 (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 10). Deze bepaling, die hierna wordt aangeduid als art. 7:942 (oud) BW, luidt als volgt:

“1. Een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Niettemin verjaart de rechtsvordering bij verzekering tegen aansprakelijkheid niet voordat zes maanden zijn verstreken nadat de vordering waartegen de verzekering dekking verleent, binnen de voor deze geldende verjarings- of vervaltermijn is ingesteld.

2.De verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de verzekeraar hetzij de aanspraak erkent, hetzij bij aangetekende brief ondubbelzinnig heeft medegedeeld de aanspraak af te wijzen onder eveneens ondubbelzinnige vermelding van het in lid 3 vermelde gevolg.

3.In geval van afwijzing verjaart de rechts-vordering door verloop van zes maanden.”

3.4.1

De onderdelen 1.1 en 1.2 klagen dat het hof heeft miskend dat art. 7:942 (oud) BW ingevolge art. 68a lid 1 Overgangswet nieuw BW (hierna: Ow NBW) onmiddellijke werking heeft, en dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is hoe het hof tot het oordeel is gekomen dat de op 1 januari 2006 nog lopende verjaringstermijn was voltooid op een tijdstip gelegen vóór de datum waarop namens [eiser] op 2 juli 2009 opnieuw aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de schade.

3.4.2

Deze klacht is gegrond.

Ingevolge art. 68a lid 1 Ow NBW heeft art. 7:942 (oud) BW onmiddellijke werking, hetgeen betekent dat vanaf het tijdstip waarop art. 7:942 (oud) BW in werking is getreden – als gezegd 1 januari 2006 – het nieuwe recht geldt ten aanzien van de aard, het aanvangstijdstip en de duur van de termijn. De verjaringstermijn van art. 7:942 lid 3 (oud) BW vangt pas aan nadat de verzekeraar de aanspraak op uitkering heeft afgewezen op de door art. 7:942 lid 2 (oud) BW voorgeschreven wijze. Zie aldus de in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 14 aangehaalde passage in de MvT op de Invoeringswet titel 7.17 Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken II 2004-2005, 30 137, nr. 3, p. 22-23).

Het hof heeft echter niet vastgesteld dat Allianz de aanspraak op uitkering van [eiser] heeft afgewezen met inachtneming van het in art. 7:942 lid 2 (oud) BW bepaalde. Zonder nadere motivering is dan ook onbegrijpelijk hoe het hof tot het oordeel is gekomen dat de op 1 januari 2006 nog lopende verjaringstermijn – waarbij het hof kennelijk het oog had op de hiervoor in 3.2.2 genoemde contractuele verjaringstermijn van drie jaar, die is aangevangen nadat (naar in cassatie tot uitgangspunt dient) [eiser] op 16 maart 2005 volgens het destijds geldende recht een rechtsgeldige stuitingshandeling had verricht – was voltooid op een tijdstip gelegen vóór de datum waarop namens [eiser] op 2 juli 2009 opnieuw aanspraak werd gemaakt op vergoeding van de schade.

3.4.3

Opmerking verdient dat in dit geval geen toepassing kan worden gegeven aan het in art. 72 lid 2 Ow NBW bepaalde met betrekking tot het eindigen van de nieuwe termijn – in dit geval de verjaringstermijn van zes maanden van art. 7:942 lid 3 (oud) BW – uiterlijk op het tijdstip waarop de vervangen termijn – in dit geval de (veronderstellenderwijs) op 16 maart 2005 aangevangen en op 1 januari 2006 nog lopende verjaringstermijn van drie jaar – zou zijn voltooid. Art. 72 lid 2 Ow NBW is immers slechts van toepassing in het in art. 72 lid 1 Ow NBW bedoelde geval dat de (nieuwe) wet de nieuwe termijn op korter dan een jaar stelt, en die termijn overeenkomstig het in de (nieuwe) wet bepaalde vóór het tijdstip van haar in werking treden zou aanvangen. Weliswaar is voldaan aan de voorwaarde dat de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 3 (oud) BW op korter dan een jaar is gesteld, maar nu het hof niet heeft vastgesteld dat Allianz de aanspraak op uitkering van [eiser] vóór 1 januari 2006 heeft afgewezen met inachtneming van het in art. 7:942 lid 2 (oud) BW bepaalde, is niet voldaan aan de voorwaarde dat de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 3 (oud) BW is aangevangen vóór het tijdstip waarop art. 7:942 (oud) BW in werking is getreden. Dit is het overgangsrecht dat blijkens de hiervoor in 3.4.2 aangehaalde toelichting bij de totstandkoming van art. 7:942 (oud) BW is beoogd.

3.5

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

3.6

Na verwijzing zal alsnog moeten worden beslist op de door het hof (in rov. 8) in het midden gelaten stellingen van partijen met betrekking tot de vraag of het indienen van de offerte door [eiser] op 16 maart 2005 al dan niet als een stuitingshandeling in de zin van art. 3:317 BW moet worden aangemerkt.

Zo nodig zal na verwijzing tevens moeten worden beslist op het betoog van Allianz dat art. 68a lid 1 Ow NBW, waaruit voortvloeit dat onmiddellijke werking toekomt aan art. 7:942 (oud) BW, buiten toepassing moet blijven op de in art. 75 Ow NBW bedoelde grond dat die onmiddellijke werking onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 april 2014:

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Allianz in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 493,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 december 2015.