Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3609

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
18-12-2015
Zaaknummer
14/04364
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2043, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1762, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Internationaal publiekrecht. Immuniteit van jurisdictie van internationale organisatie (European Space Agency) voor arbeidsgeschillen met haar werknemers. Toegang tot de rechter (art. 6 EVRM); biedt interne ‘Appeals Board’ een rechtsgang met effectieve rechtsbescherming? Rechtspraak EHRM; toepassing van Unierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1275
JAR 2016/40
AR 2015/2580
NJB 2016/81
JWB 2016/1
RvdW 2016/92
RAR 2016/39
JAR 2016/40
TRA 2016/36 met annotatie van mr. M.D. Ruizeveld
NJ 2016/264 met annotatie van E.A. Alkema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2015

Eerste Kamer

14/04364

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1],
wonende te [plaats],

2. en 102 anderen van wie de namen en woonplaatsen zijn vermeld op de aan de cassatiedagvaarding gehechte lijst,

EISERS tot cassatie,

advocaten: mr. D. Rijpma,

mr. D.M. de Knijff en

mr. A. van Staden ten Brink,

t e g e n

de EUROPESE RUIMTEVAARTORGANISATIE (EUROPEAN SPACE AGENCY),
gevestigd te Parijs, Frankrijk en tevens
te Noordwijk, Zuid-Holland,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. G.R. den Dekker.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en ESA.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 1069523/11-4195 van de kantonrechter te Leiden van 14 maart 2012;

b. het arrest in de zaak 200.108.812/01 van het gerechtshof Den Haag van 6 mei 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

ESA heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] c.s. door mr. L. Zegveld, mr. E. Steyger en mr. D. Rijpma en voor ESA door mr. G.R. den Dekker mondeling en schriftelijk toegelicht.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Mr. Rijpma en mr. Den Dekker voornoemd hebben ieder bij brief van 30 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.6 en 2.2-2.3. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

  • -

    i) ESA is een internationale, intergouvernementele organisatie met rechtspersoonlijkheid. ESA is in 1975 opgericht bij het Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap, gesloten te Parijs op 30 mei 1975 (Trb. 1975, 123; hierna: ESA-Verdrag).

  • -

    ii) Art. XV lid 2 ESA-Verdrag in verbinding met art. IV lid 1 van Bijlage I bij het ESA-Verdrag bepaalt dat ESA immuniteit van jurisdictie en van executie geniet.

  • -

    iii) Ingevolge art. XXVII van Bijlage I bij het ESA-Verdrag treft ESA passende voorzieningen voor een bevredigende regeling van geschillen die ontstaan tussen, onder meer, ESA en haar personeelsleden. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven in Chapter VIII (‘Disputes’) van de ESA Staff Regulations, Rules and Instructions (hierna: Staff Regulations), door het instellen van een Appeals Board, dat voorziet in een interne rechtsgang voor geschillen tussen ESA en haar werknemers.

  • -

    iv) [eiser] c.s. zijn in dienst van ESA en als zodanig werkzaam voor het European Space Research and Technology Centre (ESTEC), de ESA-standplaats in Noordwijk.

  • -

    v) Ten tijde van hun indiensttreding bij ESA woonden [eiser] c.s., die geen van allen de Nederlandse nationaliteit bezitten, meer dan één jaar (respectievelijk drie jaar voor hen die vóór 1 januari 1996 bij ESA in dienst traden) in Nederland. Op grond van de Staff Regulations worden zij daarom beschouwd als lokaal geworven personeel.

  • -

    vi) Tussen [eiser] c.s. en ESA is een geschil ontstaan over de arbeidsvoorwaarden van [eiser] c.s., dat in de kern erop neerkomt dat laatstgenoemden menen ongelijk te worden behandeld ten opzichte van bepaalde andere werknemers van ESA. Als lokaal geworven personeel ontvangen [eiser] c.s. geen expatriation allowance (hierna: ontheemdingstoelage), terwijl werknemers die bij indiensttreding niet of minder dan één jaar (respectievelijk drie jaar voor hen die vóór 1 januari 1996 bij ESA in dienst traden) in Nederland woonden, die ontheemdingstoelage wel ontvangen. Volgens [eiser] c.s. is dit onderscheid discriminatoir, omdat zij dezelfde persoonlijke en financiële nadelen van een dienstbetrekking buiten hun land van herkomst ondervinden als de werknemers die de ontheemdingstoelage wel ontvangen.

  • -

    vii) In december 2005 hebben [eiser] c.s., althans een aantal van hen, over deze kwestie een petitie gericht aan de Directeur-Generaal van ESA. De Directeur-Generaal heeft in zijn reactie van 12 december 2005 (hierna: het besluit van ESA) afwijzend gereageerd op deze petitie.

(viii) Op 10 augustus 2009 hebben [eiser] c.s., althans een aantal van hen, op de voet van de Staff Regulations tegen het besluit van ESA beroep ingesteld bij de Appeals Board. In de beroepsprocedure hebben [eiser] c.s. gevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat de Appeals Board (i) het besluit van ESA vernietigt, welk besluit met betrekking tot ieder van hen is gebaseerd op de Staff Regulations, voor zover deze Staff Regulations het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van non-discriminatie, alsmede art. 17, 18 en 39 EG-Verdrag en het 12e Protocol bij het EVRM schenden, met als resultaat van deze vernietiging dat [eiser] c.s. recht hebben op de ontheemdingstoelage, (ii) aan hen schadevergoeding toekent, en (iii) voor recht verklaart dat de genoemde Staff Regulations discriminatoir zijn en niet meer op hen zullen worden toegepast.

(ix) Bij uitspraak van 19 juli 2010 heeft de Appeals Board het beroep ongegrond verklaard en daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

‘(…)

The different treatment of staff members who joined ESA from abroad compared to those who are already living in the duty station country upon their own and free decision is justified. (…)

The different treatment compared to staff members not receiving the expatriation allowance since they are living already from a certain time in the country of recruitment is also in accordance with the requirement of proportionality. (…)

Furthermore, the contested Rule concerning the expatriation allowance does not discriminate the Appellants. (…)

Since the exclusion of the Appellants from the eligibility for expatriation allowance does not present any unjustified unequal treatment or any discrimination of the Appellants, there is also no reason to assume a violation of their human rights. (…)

Finally, the ESA Staff Rule governing the expatriation allowance does not restrict the Appellant’s right of free movement in the countries of the European Union. (…)’.

3.2.1

In het onderhavige geding hebben [eiser] c.s. gevorderd dat ESA wordt veroordeeld om, met het buiten toepassing laten van de bepalingen uit de Staff Regulations die volgens [eiser] c.s. in strijd zijn met het recht, aan [eiser] c.s. de hun toekomende achterstallige en toekomstige ontheemdingstoelage te betalen, alsmede een verklaring voor recht dat ESA jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden.

ESA heeft vóór alle weren gevorderd dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het onderhavige geschil, op de grond dat ESA ingevolge het ESA-Verdrag immuniteit van jurisdictie geniet.

3.2.2

De kantonrechter heeft de incidentele vordering van ESA toewijsbaar geacht en zich onbevoegd verklaard om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen wegens het ontbreken van rechtsmacht.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

“2.2 (…) [eiser] c.s. beroepen zich voor hun stelling dat de Nederlandse rechter in dit geval voorbij zou moeten gaan aan de in de Bijlage I bij het ESA-Verdrag aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie, op art. 6 EVRM. Het in art. 6 EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter is volgens vaste jurisprudentie van het EHRM echter niet absoluut. Dit recht kan worden beperkt, mits de kern van het recht niet wordt aangetast en mits de beperking een legitiem doel dient en proportioneel is ten opzichte van het met de beperking nagestreefde doel. Het EHRM heeft in de zaken Beer and Regan v. Germany (28934/95) en Waite and Kennedy v. Germany (26083/94) van 18 februari 1999 beslist dat het verlenen van immuniteit aan een internationale organisatie als ESA een legitiem doel dient. Bij de beoordeling of voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste hecht het EHRM groot belang aan de vraag of aan partijen als [eiser] c.s. "reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention" ten dienste staan. Het hof leidt uit de uitspraken van het EHRM in de twee genoemde zaken, alsmede uit zijn uitspraken in de zaken A.L. v. Italie (41387/98) van 11 mei 2000 en Bosphorus v. Ireland (45036/98) van 30 juni 2005 af, dat het daarbij niet gaat om de vraag of de alternatieve rechtsgang dezelfde bescherming biedt als art. 6 EVRM, maar of deze een bescherming verschaft die daarmee vergelijkbaar ("comparable") is. Doorslaggevend is of de beperking in de toegang tot de nationale rechter "the essence of their "right to a court" ("la substance même du droit") aantast, of dat de bescherming van de door het EVRM gewaarborgde rechten "manifestly deficient" is. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat de stellingen en grieven van [eiser] c.s. getoetst moeten worden aan de vraag of de aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie het wezen van hun recht op toegang tot de rechter heeft aangetast. Aangezien [eiser] c.s. zich er daarbij uitsluitend op beroepen dat de door ESA in het leven geroepen alternatieve rechtsgang ontoereikend is, dient het hof tegen de achtergrond van de door het EHRM aangelegde maatstaf, te toetsen, niet zoals [eiser] c.s. kennelijk menen of de rechtsgang bij de Appeals Board in alle opzichten aan art. 6 EVRM beantwoordt, zoals dit door het EHRM wordt uitgelegd wanneer de rechtsgang bij de overheidsrechter ter discussie wordt gesteld, maar of deze alternatieve rechtsgang zodanige gebreken vertoont dat het wezen van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter wordt aangetast respectievelijk of de aan hen in de alternatieve rechtsgang verleende bescherming kennelijk ontoereikend ("manifestly deficient") is. Aangezien het hof hierna tot de slotsom komt dat daarvan geen sprake is komt het hof niet toe aan de door ESA opgeworpen vraag of de uitspraak van het EHRM inzake Stichting Mothers of Srebrenica and others v. The Netherlands (65542/12) van 11 juni 2013 niet meebrengt dat een dergelijke toetsing geheel achterwege zou moeten blijven, omdat zonder meer gevolg zou moeten worden gegeven aan de aan ESA verleende immuniteit van jurisdictie. Bij die vraag heeft ESA immers geen belang meer.”

Volgens het hof volgt noch uit de Staff Regulations noch uit de jurisprudentie van de Appeals Board dat de Appeals Board niet bevoegd is om met het buiten toepassing laten van de Staff Regulations wegens strijd met een hogere norm, de vergoeding van de ontheemdingstoelage toe te kennen (rov. 4.2-4.5). Zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat de Appeals Board niet bevoegd was (onderdelen van) de vordering van [eiser] c.s. toe te wijzen, betekent dit in de omstandigheden van dit geval niet dat het wezen van het recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter is aangetast. [eiser] c.s. hebben immers hun geschil met ESA aan de Appeals Board voorgelegd, waarbij zij zich kennelijk niet op het standpunt hebben gesteld dat de Appeals Board onbevoegd was van hun vorderingen kennis te nemen. [eiser] c.s. hebben van de Appeals Board een inhoudelijk oordeel gekregen over de vragen die zij aan de Appeals Board hebben voorgelegd. Dit betekent dat [eiser] c.s. een rechtsgang hebben kunnen benutten die voldoet aan de eisen die door art. 6 EVRM aan een dergelijke rechtsgang moeten worden gesteld. (rov. 4.7).

Ten slotte heeft het hof overwogen:

“7.2 Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat de Appeals Board het EU-recht niet juist zou hebben toegepast, geen reden kan opleveren om te oordelen dat het wezen van het recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter is aangetast. Het valt dan niet in te zien dat dit laatste anders zou zijn indien het oordeel van de Appeals Board in dit opzicht niet alleen onjuist maar ook onvoldoende gemotiveerd is. Indien het oordeel van de Appeals Board juist is, maar ontoereikend is gemotiveerd zijn [eiser] c.s. daardoor uiteindelijk niet benadeeld. Over een en ander zou wellicht anders moeten worden geoordeeld indien aan het oordeel van de Appeals Board iedere motivering ontbreekt, maar dat is niet het geval. De Appeals Board heeft immers overwogen dat de Staff Rules die het recht op de expatriation allowance regelt, het vrij verkeer voor werknemers als [eiser] c.s. niet beperkt, dat [eiser] c.s. vrij waren en zijn om te gaan naar het land van hun keuze en dat noch de Staat noch enige werkgever in de EG verplicht is de kosten van een dergelijke verhuizing te dragen. (…)”

3.3.1

Onderdeel 1 klaagt over de maatstaf die het hof in rov. 2.2 heeft aangelegd om te bepalen of met de eerbiediging van de immuniteit van ESA het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter wordt aangetast. Volgens het onderdeel heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en vindt de door het hof gehanteerde maatstaf geen steun in de rechtspraak van het EHRM.

3.3.2

Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het verlenen van immuniteit van jurisdictie aan internationale organisaties in het kader van de beperking van het recht op toegang tot de rechter in de zin van art. 6 EVRM, een legitiem doel dient (EHRM 18 februari 1999, nr. 26083/94, Waite & Kennedy/Duitsland, rov. 63). Bij de beantwoording van de vraag of toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie in het kader van een geding bij de overheidsrechter is geoorloofd, acht het EHRM van belang (“a material factor”) of de rechtzoekende beschikt over redelijke alternatieve middelen om de door het EVRM aan hem toegekende rechten effectief te kunnen beschermen (“whether the applicants had available to them reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention”; Waite & Kennedy/Duitsland,
rov. 68) en komt het erop aan of, gelet op die alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter aantast (“the limitation on their access to the (…) courts (…) impaired the essence of their ‘right to a court’”; Waite & Kennedy/Duitsland, rov. 73). Deze maatstaf is door het EHRM onder meer herhaald in zijn uitspraak in de zaak Klausecker/Duitsland (EHRM 29 januari 2015, nr. 415/07, rov. 62-64).

3.3.3

In rov. 2.2 heeft het hof aansluiting gezocht bij de maatstaf die het EHRM heeft geformuleerd in zijn hiervoor in 3.3.2 genoemde uitspraken. Vervolgens heeft het hof deze maatstaf toegepast bij zijn beoordeling – in de rov. 3.2-3.5, 4.2-4.7, 5.2-5.8, 6.3-6.5, 7.2 en 8.1 – van de stellingen van [eiser] c.s. dat gebreken en onregelmatigheden in de rechtsgang bij de Appeals Board het wezen van het recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter hebben aangetast. Aldus heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Aan het vorenstaande doet niet af dat de door het hof in rov. 2.2 genoemde uitspraak van het EHRM in de zaak Bosphorus/Ierland (EHRM 30 juni 2005, nr. 45036/98), niet ziet op een geval als het onderhavige (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.14). Het hof heeft de in die zaak ontwikkelde maatstaf kennelijk gelijk geacht aan de maatstaf van aantasting van het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter, en heeft vervolgens de stellingen van [eiser] c.s. aan de hand van louter die laatste maatstaf beoordeeld.

3.3.4

De klachten van onderdeel 1 stuiten op het vorenstaande af.

3.4.1

Onderdeel 2 keert zich tegen de afwijzing door het hof in de rov. 4.2-4.8 van het betoog van [eiser] c.s. dat de Appeals Board niet bevoegd is om, met het buiten toepassing laten van de Staff Regulations Rule inzake de ontheemdingstoelage, de door [eiser] c.s. gevorderde ontheemdingstoelage toe te kennen, hetgeen in visie van [eiser] c.s. meebrengt dat de rechtsgang ten overstaan van de Appeals Board niet voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM. Onderdeel 2.1 klaagt dat het hof, als onderdeel van zijn taak om te onderzoeken of [eiser] c.s. “had available to them reasonable alternative means to protect effectively their rights under the Convention”, tevens – zo nodig ambtshalve – had dienen te onderzoeken of de Appeals Board bevoegd was de vorderingen van [eiser] c.s. toe te wijzen indien het deze gegrond zou hebben bevonden, en dat het hof ten onrechte heeft nagelaten dat onderzoek te verrichten. Volgens onderdeel 2.2 heeft het hof in de rov. 4.2-4.6 miskend dat de Appeals Board niet de bevoegdheid toekomt om een besluit van ESA te vernietigen wegens strijd met een hogere norm (dan de Staff Regulations), laat staan dat de Appeals Board de bevoegdheid toekomt een bepaling van de Staff Regulations onverbindend te verklaren of buiten toepassing te laten wegens strijd met een hogere norm. Ten slotte richt onderdeel 2.3 klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 4.7 dat, zelfs indien geoordeeld zou moeten worden dat de Appeals Board niet bevoegd was (onderdelen van) de vorderingen van [eiser] c.s. toe te wijzen, dit in de omstandigheden van het geval niet betekent dat het wezen van het recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter is aangetast.

3.4.2

Blijkens rov. 4.2 heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat de Appeals Board in zijn uitspraak in de zaak van [eiser] c.s. geen oordeel heeft gegeven over zijn bevoegdheid om, met het buiten toepassing laten van de Staff Regulations Rule inzake de ontheemdingstoelage, de door [eiser] c.s. gevorderde ontheemdingstoelage toe te kennen. De Appeals Board was immers van oordeel dat de vorderingen van [eiser] c.s. op inhoudelijke gronden niet kunnen worden toegewezen. Vervolgens heeft het hof onderzocht of uit paragraaf 33 van de Staff Regulations dan wel uit eerdere rechtspraak van de Appeals Board ondubbelzinnig volgt dat de Appeals Board niet bevoegd zou zijn geweest om de vorderingen van [eiser] c.s. toe te wijzen indien deze wel gegrond zouden zijn bevonden.

In rov. 4.3 heeft het hof overwogen dat met name paragraaf 33.1 van de Staff Regulations (“There shall be set up an Appeals Board, independent of the Agency, to hear disputes relating to any explicit or implicit decision taken by the Agency and arising between it and a staff member …”) een vrij ruime omschrijving geeft van de geschillen waarover de Appeals Board bevoegd is te oordelen en dat deze bevoegdheid niet alleen is neergelegd in paragraaf 33.2 van de Staff Regulations (“The Appeals Board shall rescind any decision against which there has been an appeal if the decision is contrary to the Staff Regulations … or to the claimant’s terms of appointment or vested rights, and if the claimaint’s personal interests are affected”). Volgens het hof valt in die paragrafen 33.1 en 33.2 niet een beperking te lezen in die zin dat de Appeals Board niet de Staff Regulations buiten toepassing zou mogen laten wegens strijd met een hogere norm, en volgt uit deze bepalingen evenmin dat de Appeals Board niet bevoegd zou zijn een besluit te vernietigen op grond van het oordeel dat de regel waarop dat besluit berust onverbindend is.

In de rov. 4.4-4.5 heeft het hof overwogen dat uit eerdere uitspraken van de Appeals Board niet blijkt dat deze de bevoegdheid mist om de Staff Regulations buiten toepassing te laten wegens strijd met een hogere norm, dan wel om besluiten te vernietigen die individueel tot personen als [eiser] c.s. zijn gericht.

3.4.3

De oordelen van het hof in de rov. 4.3 en 4.4-4.5 met betrekking tot paragraaf 33 van de Staff Regulations respectievelijk de eerdere uitspraken van de Appeals Board geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onvoldoende gemotiveerd. Uit die oordelen blijkt dat het hof de bevoegdheid van de Appeals Board heeft onderzocht en toereikend heeft geoordeeld.

Anders dan de onderdelen betogen was het hof niet gehouden tot een verdergaand onderzoek van de vraag of de Appeals Board bevoegd is een besluit van ESA te vernietigen dan wel de Staff Regulations onverbindend te verklaren of buiten toepassing te laten, een en ander wegens strijd met een hogere norm. De uitkomst van de procedure voor de Appeals Board noopte daartoe immers niet. De ongegrondverklaring van het beroep van [eiser] c.s. door de Appeals Board berust op een inhoudelijke beoordeling van de door [eiser] c.s. betrokken stellingen, waartoe de Appeals Board zich kennelijk bevoegd heeft geacht. Uit de hiervoor in 3.1 onder (ix) aangehaalde passages uit de uitspraak van 19 juli 2010 blijkt dat de Appeals Board het beroep van [eiser] c.s. tegen het besluit van ESA ongegrond heeft verklaard op de gronden (i) dat een ongelijke behandeling van personeelsleden die vanuit het buitenland bij ESA in dienst zijn getreden ten opzichte van lokaal geworven personeelsleden gerechtvaardigd is, (ii) dat een ongelijke behandeling wat betreft de toekenning van de ontheemdingstoelage tevens strookt met het vereiste van proportionaliteit, (iii) dat de bestreden Staff Regulations Rule inzake de ontheemdingstoelage geen discriminatie van [eiser] c.s. teweegbrengt, (iv) dat er geen reden is om aan te nemen dat sprake is van schending van aan [eiser] c.s. toekomende fundamentele rechten, en (v) dat de Staff Regulations Rule inzake de ontheemdingstoelage niet leidt tot een beperking van het aan [eiser] c.s. toekomende recht op vrij verkeer van personen binnen de Europese Unie. De uitspraak van 19 juli 2010 laat dan ook geen andere lezing toe dan dat de Appeals Board het besluit van ESA en de Staff Regulations Rule inzake de ontheemdingstoelage waarop dat besluit berust, heeft getoetst aan het verbod op ongelijke behandeling van werknemers, aan de fundamentele rechten en aan het Unierechtelijke recht op vrij verkeer van personen, en dat de Appeals Board tot het oordeel is gekomen dat het besluit van ESA en de onderliggende Staff Regulations Rule verenigbaar zijn met die hogere normen.

3.4.4

In het licht van het vorenstaande falen de onderdelen 2.1 en 2.2. Onderdeel 2.3 is gericht tegen een overweging ten overvloede en kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.5.1

Onderdeel 4 keert zich tegen rov. 7.2 waarin het hof is ingegaan op het betoog van [eiser] c.s. dat de beslissing van de Appeals Board ontoereikend is gemotiveerd in het licht van het beroep van [eiser] c.s. op het Unierecht. Het onderdeel klaagt in de kern dat het hof, in het kader van de toekenning van immuniteit van jurisdictie aan ESA, is voorbijgegaan aan het beroep van [eiser] c.s. op het Unierecht, en dat het hof heeft blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting met betrekking tot de werking van het Unierecht.

3.5.2

De klacht dat het hof is voorbijgegaan aan het beroep van [eiser] c.s. op het Unierecht, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 7.2 immers overwogen dat het enkele feit dat de Appeals Board het Unierecht niet juist zou hebben toegepast, geen reden kan opleveren om te oordelen dat het wezen van het recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter is aangetast.

3.5.3

De klacht dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de werking van het Unierecht, faalt.

Het hof zag zich gesteld voor de vraag of het aan [eiser] c.s. ingevolge art. 6 EVRM toekomende recht op toegang tot de rechter meebrengt dat ESA zich niet kan beroepen op immuniteit van jurisdictie, en welke betekenis in dit verband toekomt aan de stelling van [eiser] c.s. dat de Appeals Board het Unierecht onjuist heeft toegepast. Het hof heeft die vraag aldus beantwoord dat deze stelling onvoldoende is om te oordelen dat het wezen van het recht van [eiser] c.s. op toegang tot de rechter is aangetast. Dit oordeel moet aldus worden verstaan dat het beroep van ESA op immuniteit van jurisdictie niet afstuit op de enkele grond – welke grond door [eiser] c.s. is aangevoerd in het kader van hun beroep op art. 6 EVRM – dat de Appeals Board (beweerdelijk) het Unierecht onjuist heeft toegepast.

Aldus verstaan strookt het oordeel van het hof met het oordeel van het EHRM in de zaak Stichting Mothers of Srebrenica/Nederland (EHRM 11 juni 2013, nr. 65542/12, NJ 2014/263, rov. 158) dat een civielrechtelijke rechtsvordering het beroep op immuniteit van jurisdictie niet terzijde kan schuiven op de enkele grond dat die rechtsvordering berust op een bijzonder ernstige schending van een norm van internationaal recht, of zelfs op een norm van ius cogens. Er is geen grond om bij de beantwoording van de vraag of art. 6 EVRM belet dat in het kader van een civielrechtelijke rechtsvordering met succes een beroep wordt gedaan op immuniteit van jurisdictie, aan een (beweerdelijk) onjuiste toepassing van het Unierecht andere gevolgen toe te kennen dan aan een (beweerdelijk) bijzonder ernstige schending van een norm van internationaal recht, of zelfs een norm van ius cogens.

3.6

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ESA begroot op € 841,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 18 december 2015.