Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3571

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
15-12-2015
Zaaknummer
15/01834
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2391, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474. Het Hof heeft voor zijn oordeel dat sprake is van het medeplegen van brandstichten i.h.b. in aanmerking genomen dat verdachte bij "de groep" is gebleven toen o.m. flessen met wasbenzine werden aangereikt aan mensen op het dak van het pand waar brand is gesticht, dat hij is blijven kijken naar hetgeen gebeurde, dat hij naar het dak heeft gewezen en dat hij op twee momenten hulp heeft verleend aan personen die van het dak afklommen en daar kennelijk brand hadden gesticht. Deze omstandigheden zijn niet z.m. voldoende om te kunnen aannemen dat verdachte het stichten van de brand heeft medegepleegd. De bewezenverklaring is in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0598
NJB 2016/86
RvdW 2016/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 december 2015

Strafkamer

nr. S 15/01834 J

SG/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 12 maart 2015, nummer 23/003621-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde medeplegen.

2.2.1.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"Primair

hij op of omstreeks 31 december 2013 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/ op het dak en/of in de afvoerpijp en/of in de afzuiginstallatie van/in jongerencentrum ' [A] ', in elk geval een pand gevestigd aan de [a-straat 1] , immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) (op het dak van " [A] ") toen aldaar opzettelijk een of meer vuurpijl(en) en/of een lap textiel en/of andere brandbare stoffen, aangestoken, althans in aanraking gebracht met open vuur en of (vervolgens) die vuurpijlen en/of lap textiel en/of die andere brandende stoffen door een of meer gaten in het dak en/of in een of meerdere afvoerbuizen naar beneden gegooid (terwijl zij daarbij een brandversnellend middel hebben gebruikt) ten gevolge waarvan een [groot] deel van dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris waaronder [onder meer] keukenapparatuur en/of computers en/of een muziekinstallatie en/of meubels geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de genoemde) en/of andere (in dat pand aanwezige) goederen en/of (andere delen van) het pand en/of omringende bomen/struiken/bossages en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

Subsidiair

[betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] op of omstreeks 31 december 2013 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heelt/hebben gesticht in/ op het dak en/of in de afvoerpijp en/of in de afzuiginstallatie van/in jongerencentrum ' [A] ', in elk geval een pand gevestigd aan de [a-straat 1] , immers heeft/hebben die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s) (op het dak van " [A] ") toen aldaar opzettelijk een of meer vuurpijl(en) en/of een lap textiel en/of andere brandbare stoffen, aangestoken, althans in aanraking gebracht met open vuur en of (vervolgens) die vuurpijlen en/of lap textiel en/of die andere brandende stoffen door een of meer gaten in het dak en/of in een of meerdere afvoerbuizen naar beneden gegooid (terwijl hij/zij daarbij een brandversnellend middel heeft/hebben gebruikt) ten gevolge waarvan een [groot] deel van dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris waaronder [onder meer] keukenapparatuur en/of computers en/of een muziekinstallatie en/of meubels geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de genoemde) en/of andere (in dat pand aanwezige) goederen en/of (andere delen van) het pand en/of omringende bomen/struiken/bossages en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was bij het plegen van welk vorenomschreven hij verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest door voornoemde [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of een of meer van zijn/hun mededader(s) te vergezellen naar dat jongerencentrum en/of hem/hen te helpen van het dak van dat jongerencentrum te klimmen en/of op de uitkijk te staan."

2.2.2.

Daarvan is bewezenverklaard dat:

"hij op 31 december 2013 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk brand heeft gesticht op het dak en in de afvoerpijp en/of in de afzuiginstallatie van jongerencentrum ' [A] ', gevestigd aan de [a-straat 1] , immers hebben verdachte en zijn mededaders (op het dak van ' [A] ') toen aldaar opzettelijk een of meer vuurpijlen en een lap textiel en andere brandbare stoffen aangestoken, en vervolgens die vuurpijlen en/of lap textiel en/of die andere brandende stoffen door een of meer gaten in het dak en/of in een of meerdere afvoerbuizen naar beneden gegooid, terwijl zij daarbij een brandversnellend middel hebben gebruikt, ten gevolge waarvan een groot deel van dat pand en de in dat pand aanwezige inventaris waaronder onder meer keukenapparatuur en computers en een muziekinstallatie en meubels geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de genoemde en andere in dat pand aanwezige goederen en andere delen van het pand te duchten was."

2.2.3.

Het door het Hof bevestigde vonnis van de Rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 11 september 2014, houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende in:

"Op 31 december 2013 heeft omstreeks 20.05 uur brand gewoed in het jongerencentrum ' [A] ' aan de [a-straat 1] te Haarlem. Door het vuur en de hitteoverdracht zijn delen van het pand verwoest. Andere delen van het pand zijn door de rook en roetontwikkeling extreem vervuild; zelfs in de plafonds en de spouwmuren is roet doorgedrongen. De schade aan het pand werd door deskundigen voorlopig geschat op ongeveer € 300.000,- en is zodanig dat het pand tot aan het casco zal moeten worden gestript. Ook is er naar schatting schade van € 80.000,- toegebracht aan de inboedel, bestaande uit onder andere computers, kantoormeubilair, keukenapparatuur en muziekapparatuur.

Uit onderzoek is gebleken dat de brand is aangestoken. Op het dak van de keuken zijn bij de schoorsteen drie lege flessen wasbenzine, vuurwerk van het type Romeinse kaars en Kobra 6 en een kleine gasbrander aangetroffen. Tevens is een lang stuk textiel op het dak gevonden. Uit één van de beluchtingspijpen op het dak is een flexibel stuk aluminium pijp getrokken. De kappen van de twee beluchtingspijpjes op het dak zijn verwijderd of afgebroken. Op het dak zijn sporen aangetroffen van een ontbrandbare stof, namelijk van een aardoliedestillaat van de subklasse kookpuntbenzine, waaronder onder andere wasbenzine valt.

Op de beelden van de beveiligingscamera's van [A] is te zien dat er circa 15 personen in de buurt van het pand heen en weer rennen en vuurwerk afsteken, waarvan ongeveer zes personen actief zijn bij de brandstichting. Te zien is dat een persoon, NNman 3, op het dak van het pand klimt en drie voorwerpen krijgt toegeworpen welke een sterke gelijkenis vertonen met plastic flessen. NNman 1 gooit twee op flessen gelijkende voorwerpen en een staafvormig voorwerp op het dak ter hoogte van de keuken, welke qua vorm en omgang overeen komt met de later aangetroffen Romeinse kaars. Als NNman 3 van het dak springt, wordt hij geholpen door NN 1 en NNman 4. Ter hoogte van de keuken gooien de NNmannen vuurwerk op het dak, waarna op de beelden flitsen vanuit de richting van het dak van de keuken zichtbaar zijn. NNman 5 klimt vervolgens omhoog, vermoedelijk via de regenpijp. Er zijn twee handen in beeld, de ene heeft iets met een lont vast en de andere hand steekt de lont aan. NNman 2 rolt een lang stuk textiel op en overhandigt iets brandends aan iemand, vermoedelijk degene die in de regenpijp was geklommen. NNman 1, 2 en NNman 4 staan toe te kijken en NNman 2 en 4 wijzen in de richting van het keukendak. Nadat NNman 5 naar beneden is geklommen, klimt NNman 1 via de regenpijp naar het dak. Kort daarna pleegt hij handelingen ter hoogte van één van de ontluchtingspijpen van de keuken; zijn bovenlichaam is buiten het bereik van de camera. Wel zijn ter hoogte van de plek lichtflitsen zichtbaar. Nadat NNman 1 van het dak springt, waarbij hij wordt opgevangen door NNman 4, rennen NNmannen 1 tot en met 4 weg. Drie seconden later is op het keukendak een beeldvullende flits zichtbaar.

De beveiligingsbeelden zijn uitgekeken door diverse verbalisanten. Drie verbalisanten hebben, ieder voor zich en op verschillende tijdstippen, NNman 1 hierbij herkend als [betrokkene 2] en NNman 4 als [verdachte] . Verbalisant [verbalisant 1] herkent naar aanleiding van de analyse van het beeldmateriaal direct dat de HKS foto van [verdachte] een zeer sterke gelijkenis vertoonde met NNman 4. Voorts herkent een niet nader genoemde medewerker van Stichting [B] , de organisatie die het jongerencentrum in beheer heeft, NNman 4 als [verdachte] . Daarbij geeft hij aan dat hij [verdachte] herkent omdat deze voorheen wel in [A] kwam, maar daar al een tijd niet meer is geweest. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij vroeger wel in [A] kwam maar recent niet meer. Uit de gegevens uit het politiesysteem HKS blijken verdachte en voornoemde [betrokkene 2] als relaties van elkaar te zijn geregistreerd in negen meldingen en de gebiedsagenten geven aan dat deze verdachten nagenoeg altijd samen zijn en samen met ene [betrokkene 3] de vaste kern van de groep jongeren zijn. Voorts zagen de gebiedsagenten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] [verdachte] samen met [betrokkene 2] lopen op 11 januari 2014."

en

"[D]e verdediging [heeft], voor het geval de rechtbank wel bewezen acht dat verdachte de NNman 4 op de camerabeelden is, aangevoerd dat de rol van NNman 4 niet is aan te merken als medeplegen, nu hij slechts iemand na de brandstichting van het dak afhelpt en zijn bijdrage in die zin onvoldoende significant is om van medeplegen dan wel zelfs medeplichtigheid te kunnen spreken.

De rechtbank overweegt dat uit (de beschrijving van) de camerabeelden blijkt dat verdachte gedurende langere tijd bij de andere leden van de groep heeft gestaan en wel vanaf het begin van het verrichten van handelingen die tot de brand hebben geleid tot aan het eind, namelijk het moment dat de brand daadwerkelijk uitbreekt. Hij heeft op diverse momenten handelingen verricht: hij heeft op twee momenten hulp verleend aan anderen die van het dak afklimmen en daar kennelijk brand hadden gesticht, te weten aan NNman 3 en NNman 1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat hij bij de groep is gebleven toen er door NNman 1 - naar uit het aantreffen van de flessen wasbenzine op het dak en de Romeinse kaars in combinatie met de camerabeelden kan worden afgeleid - deze spullen op het dak werden gegooid. Hij helpt vervolgens samen met NNman 1, deze NNman 3 van het dak. Er zijn lichtflitsen zichtbaar afkomstig van het dak. Hij is, terwijl door NNman 2 iets brandends aan vermoedelijk NNman 5 - degene die in de regenpijp is geklommen - wordt overhandigd, samen met NNman 1 blijven toekijken en heeft samen met NNman 2 naar het dak gewezen. Vervolgens heeft hij, nadat NNman 1 via de regenpijp op het dak is geklommen en kort daarna handelingen ter hoogte van één van de ontluchtingspijpen van de keuken heeft gepleegd, ter welke hoogte lichtflitsen zichtbaar zijn, NNman 1 geholpen van het dak. Hij rent samen met NNman 1 en de anderen weg. Drie seconden later is op het keukendak een beeldvullende flits zichtbaar.

Uit het geheel van deze aaneengeschakelde handelingen blijkt, naar het oordeel van de rechtbank, dat verdachte als actief deelnemer van de groep jongeren betrokken is geweest bij het hele proces van de brandstichting, en niet dat hij slechts passief aanwezig is geweest zonder zich te distantiëren, zoals de raadsman stelt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met zijn handelen een zodanig significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de brandstichting dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, in die zin dat gesproken kan worden van medeplegen."

2.3.

In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

2.4.

Blijkens de hiervoor onder 2.2.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof voor zijn oordeel dat sprake is van het medeplegen van het brandstichten in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte bij "de groep" is gebleven toen onder meer flessen met wasbenzine werden aangereikt aan mensen op het dak van het pand waar brand is gesticht, dat hij is blijven kijken naar hetgeen gebeurde, dat hij naar het dak heeft gewezen en dat hij op twee momenten hulp heeft verleend aan personen die van het dak afklommen en daar kennelijk brand hadden gesticht. Deze omstandigheden zijn niet zonder meer voldoende om te kunnen aannemen dat de verdachte het stichten van de brand heeft medegepleegd. De bewezenverklaring is dus in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het eerste middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2015.