Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3500

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
14/05974
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2368, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art 94 Sv. De Rb heeft de juiste maatstaf toegepast, maar haar oordeel dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert is, in aanmerking genomen hetgeen namens de klager naar voren is gebracht, zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2016/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 december 2015

Strafkamer

nr. S 14/05974 B

IF

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 12 november 2014, nummer RK 14/1956, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ontoereikend, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de klager.

2.2.1.

De Rechtbank heeft het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Motivering:

Op grond van de inhoud van de voorhanden zijnde stukken is de rechtbank van oordeel dat de inbeslagname van voornoemde voorwerpen op zichzelf gerechtvaardigd is geweest. Uit deze stukken en hetgeen door de officier van justitie bij de behandeling naar voren is gebracht blijkt dat klager wordt aangemerkt als verdachte en dat strafvervolging zal plaatsvinden.

De rechtbank is van oordeel dat zich hier niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen en het geld zal bevelen."

2.2.2.

Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 14 oktober 2014 houdt het volgende in:

"De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

Het verzoekschrift dient ongegrond te worden verklaard omdat het onderzoek in de strafzaak tegen klager nog loopt. Klager wordt verdacht van heling van brandstof. Het beslag dient te worden gehandhaafd in verband met de waarheidsvinding. Indien het bewijs rond komt en het tot een veroordeling zou leiden, dan zijn de brandstof en het geld vatbaar voor verbeurdverklaring.

De advocaat voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

Ik handhaaf mijn verzoek tot teruggave van de onder klager inbeslaggenomen brandstof en een geldbedrag van 325 euro. Het onderzoek door de politie is afgerond. Dit blijkt uit het feit dat er tot nu toe geen nieuwe processen-verbaal zijn binnengekomen. De rechter-commissaris liet bij het verhoor van klager in verband met de toetsing van de inverzekeringstelling al doorschemeren dat dit geen sterke zaak was. De rechter-commissaris beoordeelde de inverzekeringstelling als: onrechtmatig wegens het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld. Of het uiteindelijk tot een strafzaak komt, is dus erg onzeker. Het belang van strafvordering verzet zich derhalve niet langer tegen teruggave.

De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven, als volgt:

De strafzaak tegen klager loopt nog en het onderzoek door de politie is nog niet afgerond. Van de laatste ontwikkelingen in deze strafzaak ben ik niet op de hoogte. Als de rechtbank het noodzakelijk acht dat ik meer inlichtingen verschaf over de stand van zaken, dan verzoek ik de behandeling van het klaagschrift aan te houden. Indien uw rechtbank dit niet noodzakelijk acht, vorder ik de ongegrondverklaring van het klaagschrift."

2.3.

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich twee kennisgevingen van inbeslagneming van 12 juni 2014. Deze stukken houden in dat op de voet van art. 94 Sv onder de klager zijn inbeslaggenomen zes jerrycans met diesel, twee vaten met diesel en een geldbedrag van € 325,-. Voorts houden de stukken in dat de voorwerpen in beslag zijn genomen om de waarheid aan de dag te brengen, dat de jerrycans en de vaten met diesel zijn inbeslaggenomen wegens mogelijk diefstal of heling van de brandstof en dat het geldbedrag is inbeslaggenomen wegens mogelijk afkomstig zijn van heling van de brandstof.

2.4.

Met haar oordeel dat zich hier niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen en het geld zal bevelen, heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aldus heeft de Rechtbank blijk gegeven de juiste maatstaf te hebben toegepast. In aanmerking genomen hetgeen namens de klager naar voren is gebracht, is dat oordeel evenwel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

2.5.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2015.