Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3492

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
14/03653
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1703, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:4800, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BIZ-heffing; artikel 7, lid 3, Experimentenwet Bedrijven Investeringszones. Toetsingsmoment rechtsgeldigheid aanslag bij onverbindende en nadien verbindende verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2602
V-N 2015/66.21 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2016/12 met annotatie van P. de Bruin
FED 2016/18 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
BNB 2016/64 met annotatie van S. Bosma
FutD 2015-2965
NTFR 2015/3244 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 december 2015

nr. 14/03653

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juni 2014, nr. 13/00601, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. AWB LEE 12/1276) betreffende de aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) voor het jaar 2012 opgelegde aanslag BIZ-bijdrage. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 19 augustus 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.2.

Belanghebbende was op 1 januari 2012 gebruiker van de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] . Deze onroerende zaak is gelegen in een gebied (hierna: het BIZ-gebied) waarbinnen ingevolge de ‘Verordening BI-zone centrum [Z] 2011’ (hierna: de Verordening) een BIZ-bijdrage wordt geheven. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 29 februari 2012 een aanslag BIZ-bijdrage voor het jaar 2012 ten bedrage van € 510 aan belanghebbende opgelegd.

2.1.3.

Voor de uitvoering van activiteiten in het BIZ-gebied heeft ondernemersvereniging ‘ [B] ’ de ‘Stichting Ondernemersfonds Centrum [C] ’ (hierna: de Stichting) opgericht.

2.1.4.

De gemeente heeft op 10 november 2010 met de Stichting de ‘Uitvoeringsovereenkomst BIZ 2011 t/m 2015’ (hierna: de Uitvoeringsovereenkomst) gesloten. Daarin is bepaald dat de door de gemeente verkregen BIZ-inkomsten in de vorm van een subsidie door het College aan de Stichting zullen worden verstrekt. In artikel 5, lid 1, van de Uitvoeringsovereenkomst is bepaald dat de Stichting met de verstrekte subsidie uitsluitend activiteiten financiert die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van het BIZ-gebied.

2.1.5.

Bij overeenkomst van 28 februari 2012 hebben de gemeente en de Stichting de Uitvoeringsovereenkomst als volgt gewijzigd:

“1. Aan artikel 5 van de uitvoeringsovereenkomst van 10 november 2010 wordt een nieuw lid 2 toegevoegd, luidende: “De Stichting is verplicht de in lid 1 genoemde activiteiten uit te voeren”.

2. (…)

3. Deze overeenkomst heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2011.”

2.1.6.

Artikel 13, lid 1, van de Verordening luidt:

“De subsidie wordt verstrekt aan de Stichting Ondernemersfonds centrum [C] voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst.”

2.1.7.

In artikel 7, lid 3, van de Experimentenwet Bedrijven Investeringszones (hierna: de Experimentenwet) is bepaald (hierna: de afdwingbepaling):

“3. In aanvulling op het tweede lid wijst de verordening uitsluitend een vereniging of stichting aan waarmee de gemeente ter uitvoering van de verordening een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten, waarin is bepaald dat de subsidieontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie wordt verstrekt.”

2.2.1.

Het geschil voor het Hof spitste zich onder meer toe op de vraag of de Verordening onverbindend is omdat in de Uitvoeringsovereenkomst de afdwingbepaling ontbreekt, en voorts of het ontbreken van de afdwingbepaling achteraf kan worden hersteld door een aanvulling van de Uitvoeringsovereenkomst waaraan terugwerkende kracht is toegekend.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat geen BIZ-heffing kan plaatsvinden omdat niet voorafgaand aan het vaststellen van de Verordening een uitvoeringsovereenkomst inclusief afdwingbepaling was gesloten. Dat aan de aanvullende overeenkomst terugwerkende kracht is verleend tot 1 januari 2011 maakt dat niet anders, aldus het Hof. Tegen deze oordelen komen de middelen op.

2.3.1.

Voor de vraag of een aanslag in zoverre rechtsgeldig is opgelegd dat hij berust op een verbindende verordening, is beslissend of de verordening verbindend was op het tijdstip waarop de aanslag werd opgelegd (zie HR 31 maart 1993, nr. 28034, ECLI:NL:HR:1993:ZC5307, BNB 1993/182 en HR 6 november 2015, nr. 14/02652, ECLI:NL:HR:2015:3222, V‑N 2015/59.18).

De onderhavige aanslag is opgelegd met dagtekening 29 februari 2012. Bij overeenkomst van 28 februari 2012 is de Uitvoeringsovereenkomst gewijzigd. Vanaf die laatste datum was derhalve sprake van een stichting waarmee de gemeente een uitvoeringsovereenkomst had gesloten met inbegrip van de in artikel 7, lid 3, van de Experimentenwet voorgeschreven afdwingbepaling. Daarmee was tevens voldaan aan het bepaalde in artikel 13 van de Verordening.

De omstandigheid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de Experimentenwet aan de vaststelling van een verordening BIZ-bijdrage vooraf moet gaan, brengt niet mee dat een aan een dergelijke uitvoeringsovereenkomst klevend gebrek, zoals hier het ontbreken van de afdwingbepaling, niet achteraf kan worden hersteld.

2.3.2.

Het overwogene onder 2.3.1 brengt mee dat de onderhavige aanslag berust op een verbindende Verordening. De middelen slagen derhalve in zoverre en behoeven voor het overige geen behandeling.

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de behandeling van de voor de Rechtbank en het Hof onbehandeld gebleven geschilpunten. Daarbij dient mede acht te worden geslagen op hetgeen is opgenomen in het arrest van de Hoge Raad van 11 december 2015, nr. 14/02510, ECLI:NL:HR:2015:3425.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2015.