Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3485

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
08-12-2015
Zaaknummer
14/06511
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2357, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Het Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het begaan van het in de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak bewezenverklaarde witwassen tot het door de btr wederrechtelijk verkrijgen van vermogen heeft geleid en dat voordeel geschat op bedrag X. De kennelijk aan dat oordeel ten grondslag liggende opvatting dat o.m. de contante stortingen op de bankrekeningen van de btr, nu zij voorwerp van het bewezenverklaarde witwassen waren, reeds daardoor w.v.v. vormden is onjuist (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat btr daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot bedrag X d.m.v. of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0585
RvdW 2016/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 december 2015

Strafkamer

nr. S 14/06511 P

ABO/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 8 december 2014, nummer 21/004056-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van het in de met deze ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak bewezenverklaarde witwassen ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

De door het Hof bevestigde uitspraak van de Rechtbank houdt met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in:

"4 De beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie voldoende aannemelijk gemaakt dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank komt, gelet op het bewezenverklaarde feit in de strafzaak, tot de volgende berekening.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen zijn de totale beschikbare contante ontvangsten afgezet tegen de totale contante uitgaven van veroordeelde in de periode van 1 januari 2007 tot en met 26 mei 2009.

Ontvangsten

In de periode van 15 januari 2007 tot en met 21 oktober 2007 heeft er voor een totaalbedrag van € 2.470,00 aan contante opnames plaatsgevonden van de ING-rekening [001] van veroordeelde.

In de periode van 17 december 2007 tot en met 23 februari 2009 heeft er een totaalbedrag van € 7.970,00 aan contante opnames plaatsgevonden van de ABN AMRO-rekening [002] van veroordeelde.

Dit is een totaal aan contante opnames van € 10.440,00, hetgeen veroordeelde ter beschikking heeft gehad voor contante uitgaven.

Hiernaast heeft veroordeelde € 5.000,00 van zijn oud-werkgever geleend. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij dat geld aan veroordeelde heeft geleend in 2008 of 2009.

Veroordeelde heeft in die tijd ook € 5.000,00 geleend van zijn familie en € 3.500,00 van zijn broer.

Totaal ontvangsten € 23.940,00

Uitgaven

In de periode van 15 januari 2007 tot en met 21 oktober 2007 heeft er voor een totaalbedrag van € 4.214,99 aan contante stortingen plaatsgevonden op de ING-rekening [001] van veroordeelde.

In de periode van 17 december 2007 tot en met 23 februari 2009 heeft er een totaalbedrag van € 19.400,00 aan contante stortingen plaatsgevonden op de ABN AMRO-rekening [002] van veroordeelde.

Dit is een totaal aan contante stortingen van € 23.614,99, hetgeen gezien wordt als contante uitgaven van veroordeelde.

Veroordeelde heeft in die tijd voor € 8.000,00 een Volkswagen Passat gekocht en voor € 6.600,00 een Mercedes C32.

Veroordeelde heeft € 15.000,00 uitgegeven aan het opstarten van zijn restaurant [A]. [A] is opgericht op 26 mei 2009.

Totaal uitgaven € 53.214,99

Veroordeelde heeft in de genoemde periode derhalve € 29.274,99 meer contant uitgegeven dan hij contant heeft ontvangen.

Op grond van het bovenstaande bedraagt het wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde € 29.274,99."

2.2.2.

Het bestreden arrest houdt voorts het volgende in:

"De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering tot ontneming moet worden afgewezen nu niet is gebleken dat veroordeelde enig voordeel heeft genoten uit het bewezenverklaarde feit. In dit kader heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat in de kasopstelling een drietal stortingen zijn opgenomen die niet van verdachte zijn. Andere mensen stortten dan in Nederland geld op de rekening van verdachte en verdachte nam dit geld voor hen op in Spanje. Dit betrof derhalve niet zijn eigen geld.

Het hof overweegt hierover het volgende.

In de hoofdzaak is vastgesteld dat veroordeelde in de bewezenverklaarde periode in totaal een bedrag van € 29.274,99 meer contant heeft uitgegeven dan hij contant heeft ontvangen en dat veroordeelde wist dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf, waardoor veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Het bedrag van € 29.274,99 betreft derhalve wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, nu veroordeelde degene is geweest die contant meer heeft uitgegeven dan hij contant ontvangen heeft.

Als al moet worden aangenomen dat een drietal stortingen op de rekening van veroordeelde in de bewuste periode door andere mensen zijn verricht en welke stortingen dan in mindering zouden moeten worden gebracht op de totale uitgaven van veroordeelde, maakt dit het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde niet lager nu tevens is aangevoerd dat veroordeelde dit geld ten behoeve van die andere mensen voor hen heeft opgenomen, waardoor eveneens het totaalbedrag aan contante opnames met diezelfde bedragen dient te worden verlaagd. Het verschil tussen de contante uitgaven en de contante ontvangsten blijft derhalve even groot.

De vergelijking met de door de raadsman aangehaalde arresten van de Hoge Raad gaat niet op, aangezien in die zaken het witwasbedrag niet is vastgesteld aan de hand van een vermogensvergelijking van de veroordeelde zoals in de onderhavige zaak. Het hof verwerpt dan ook het verweer."

2.2.3.

In de met deze ontnemingsprocedure verband houdende strafzaak is bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan - kort gezegd - witwassen.

2.3.

In de hiervoor weergegeven overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat dit witwassen tot het door de betrokkene wederrechtelijk verkrijgen van vermogen heeft geleid en dat voordeel geschat op € 29.274,99. Dit oordeel heeft het Hof kennelijk gebaseerd op de opvatting dat onder meer de contante stortingen op de bankrekeningen van de betrokkene, nu zij voorwerp van het bewezenverklaarde witwassen waren, reeds daardoor wederrechtelijk verkregen voordeel vormden. Die opvatting is niet juist (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3071). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de betrokkene daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot het bedrag van € 29.274,99 door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde witwassen. Daarover klaagt het middel terecht.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2015.