Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3428

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2015
Datum publicatie
01-12-2015
Zaaknummer
14/01272
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2318, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

N-o in h.b. Verdachte heeft haar wens om h.b. in te stellen telefonisch kenbaar gemaakt aan de secretaresse van haar raadsman, zonder zich later ervan te vergewissen of haar raadsman aan deze wens gehoor heeft gegeven. De raadsman heeft nagelaten tijdig h.b. in te stellen. Het Hof heeft verdachte n.o. verklaard. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AN8587 m.b.t. verontschuldigbare termijnoverschrijding. ’s Hofs oordeel dat de omstandigheden waarop namens verdachte een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden welke de overschrijding van de beroepstermijn verontschuldigbaar doen zijn, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat de raadsman heeft nagelaten tijdig h.b. in te stellen komt onder deze omstandigheden voor risico van verdachte. De rechtspraak van het EHRM dwingt i.c. niet tot een ander oordeel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 408
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0561
NJB 2015/2243
RvdW 2016/62
NJ 2016/116 met annotatie van T.M. Schalken
NBSTRAF 2016/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 december 2015

Strafkamer

nr. S 14/01272

LBS/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 februari 2014, nummer 23/001671-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N. Smeets, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

2.2.1.

Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsvrouwe van de verdachte met betrekking tot de ontvankelijkheid van de verdachte in het ingestelde hoger beroep het volgende aangevoerd:

"Op het eerste gezicht lijkt de uitkomst van dit hoger beroep evident: namens cliënte is eerst na het verstrijken van de beroepstermijn appel ingesteld, dus een niet-ontvankelijkheid in het ingestelde rechtsmiddel lijkt voor de hand te liggen. Niettemin verzoek ik u cliënte ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, en het appèl inhoudelijk te behandelen.

1. Tijdslijn

In deze zaak kan het volgende worden vastgesteld:

- Cliënte is op 20 maart 2013 onder parketnummer 13/005468-12 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld vanwege een overtreding van art. 300 Sr (eenvoudige mishandeling) tot een voorwaardelijke geldboete van 750 euro;

- cliënte heeft zich gedurende de behandeling van haar strafzaak laten bijstaan door haar toenmalige toegevoegde raadsman, [advocaat] , (destijds) van [A] ;

- op 21 maart 2013 heeft de toenmalige raadsman cliënte schriftelijk meegedeeld dat zij tot 3 april 2013 de kans had om tegen dit vonnis in hoger beroep te gaan en dat indien zij in hoger beroep wenste te gaan hij dat graag zo spoedig mogelijk wilde vernemen en dat hij in dat geval opnieuw gesubsidieerde rechtsbijstand voor haar zou aanvragen (bijlage 1);

- cliënte had op 21 maart 2013 aan de secretaresse van de toenmalige raadsman doorgegeven dat zij wilde dat er beroep tegen het vonnis van de rechtbank werd ingesteld;

- de secretaresse van de toenmalige raadsman heeft cliënte toegezegd dat er namens cliënte hoger beroep zou worden ingesteld;

- de toenmalige raadsman heeft aan dat verzoek van cliënte echter eerst op 4 april gevolg gegeven door een bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van hoger beroep aan de griffie van de rechtbank te faxen (bijlage 2);

- de toenmalige raadsman heeft op 4 april 2013 telefonisch aan cliënte meegedeeld dat hij niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld;

- in een brief van 5 april 2013 heeft de toenmalige raadsman de gang van zaken beschreven, zijn excuses aangeboden aan cliënte en aan cliënte uitgelegd dat zij hem aansprakelijk kon stellen voor de vanwege zijn beroepsfout door haar geleden schade (bijlage 3);

- cliënte is daarop met [A] overeengekomen dat zij [A] en [advocaat] niet aansprakelijk zou stellen voor de door haar geleden schade indien zij een schadevergoeding van 1000 euro zou ontvangen (bijlage 4) waarna cliënte van [A] een schadevergoeding van 1000 euro heeft ontvangen.

De voorliggende vraag is of een verdachte, die tijdig aan haar toegevoegde raadsman heeft aangegeven het openstaande rechtsmiddel te willen aanwenden, en in die zin alles heeft gedaan wat ter zake van haar kan worden gevergd, ontvankelijk is, kan zijn of behoort te zijn in het geval uitsluitend door een beroepsfout van haar raadsman de appèlakte niet tijdig wordt opgemaakt.

2. Nationale jurisprudentie

(...)

Als de verdachte binnen de hem bekend geworden beroepstermijn veronderstelt in beroep te zijn gegaan of redelijkerwijs het nodige heeft gedaan om ervoor te zorgen dat hoger beroep zou worden ingesteld, ontstaat terecht discussie over de vraag of niet-ontvankelijkverklaring wel op haar plaats is. Dat is precies de positie van cliënte: zij veronderstelde - en mocht ook veronderstellen - dat haar advocaat het hoger beroep tijdig zou instellen.

Met haar opdracht aan haar advocaat heeft cliënte gedaan wat van haar gevergd mocht worden om te komen tot een ontvankelijk beroep. De centrale vraag in deze zaak is dan ook of aanvaardbaar is, of rechtvaardig is, om de beroepsfout van de raadsman, waarvan cliënte eerst ná het verstrijken van de appèltermijn op de hoogte raakte, aan cliënte toe te rekenen. De verdediging meent van niet. De fout van de raadsman moet in deze omstandigheden dan ook worden aangemerkt als een bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheid welke de overschrijding van de appèltermijn verontschuldigbaar doet zijn.

Anders geformuleerd: de omstandigheid dat de cliënte alles heeft verricht wat van haar gevergd kan worden om te komen tot een ontvankelijk appèl, maakt dat het buiten behandeling blijven van het hoger beroep, op de enkele grond dat de raadsman door een beroepsfout heeft verzuimd tijdig aan de opdracht van zijn cliënte gehoor te geven, onaanvaardbaar moet worden geacht.

Reeds om deze redenen verzoek ik u cliënte te ontvangen in het namens haar ingestelde hoger beroep.

3. Straatsburgse jurisprudentie

Vanuit de eisen die aan een eerlijk proces worden gesteld is vereenzelviging van de verdachte met zijn of haar raadsman beslist niet steeds vanzelfsprekend.

Het EHRM neemt in kwesties waarin wordt gesteld dat de raadsman is tekortgeschoten als uitgangspunt dat de raadsman in strafzaken geen 'staatsorgaan' is en dat de verdediging in essentie een zaak is tussen de verdachte en zijn raadsman. Niettemin kan in bijzondere omstandigheden de Staat daarvoor verantwoordelijk worden gehouden:

"The Court notes at the outset that the responsibility of the Contracting Parties is incurred by the actions of their organs. A lawyer, even if officially appointed, cannot be considered to be an organ of the State. Given the independence of the legal profession from the State, the conduct of the case is essentially a matter between the party and his or her counsel, whether counsel be appointed under a legal-aid scheme or be privately financed, and, as such, cannot, other than in special circumstances, incur the State's liability under the Convention."

Het EHRM erkent dat het enkele door de Staat toevoegen van een raadsman aan de rechtszoekende weliswaar bijstand garandeert, maar daarmee nog niet de effectiviteit van die bijstand: "... assigning counsel to represent a party to the proceedings does not in itself ensure the effectiveness of the assistance."

Indien tekortschietende rechtsbijstand manifest is of onder de aandacht van de bevoegde autoriteiten is gebracht, leidt dat er in bepaalde omstandigheden toe dat de Staat dient op te treden en dus niet passief mag blijven jegens de toegewezen raadsman.

Het EHRM oordeelt de Staat soms ook verantwoordelijk voor inactiviteit van de gekozen raadsman.

Een van de omstandigheden waarin de Staat niet passief mag blijven betreft een nalatigheid van de raadsman om te voldoen aan formaliteiten bij het instellen van hoger beroep, als gevolg waarvan de verdachte verstoken raakt van een beroepsmogelijkheid, zonder dat die situatie door een beroepsrechter wordt hersteld. Dat blijkt uit de zaak Czekalla tegen Portugal, waarin een schending van art. 6 EVRM werd aangenomen:

"65. [... The Court] considers, however, that in certain circumstances negligent failure to comply with a purely formal condition cannot be equated with an injudicious line of defence or a mere defect of argumentation. That is so when as a result of such negligence a defendant is deprived of a remedy without the situation being put right by a higher court."

In de betreffende zaak ging het naar het oordeel van het EHRM over een eenvoudig verzuim van de raadsman om te voldoen aan zuiver formele regel rond het instellen van een rechtsmiddel:

"98 [...] The decisive point is the officially appointed lawyer's failure to comply with a simple and purely formal rule when lodging the appeal on points of law to the Supreme Court. In the Court's view, that was a "manifest failure" which called for positive measures on the part of the relevant authorities. The Supreme Court could, for example, have invited the officially appointed lawyer to add to or rectify her pleading rather than declare the appeal inadmissible."

In deze zaak verwees het EHRM naar het oordeel van de ECRM in de zaak Daud:

"[...T]hat was a situation in which the shortcomings of the officially assigned lawyer were manifest and had serious consequences for the applicant's defence in that he was refused access to the Supreme Court. In the specific circumstances of the case and having regard also to the fact that he was a foreigner, it was for the competent Portuguese authorities to lake steps to ensure that the applicant enjoyed effectively his right to the assistance of a defence counsel [...]"

In de zaak Andreyev tegen Estland, in januari 2013 gewezen, was eveneens sprake van nalatigheid zijdens de raadsman om tijdig appel in te stellen. Het EHRM overweegt:

"The Court consequently considers that although the applicant was given State legal aid for filing an appeal with the Supreme Court, and despite the fact that he did everything that could have been expected for his part, the failure of his legal-aid lawyer to duly perform his duties and the lack of any subsequent measures to adequately remedy the situation deprived the applicant of his right of access to the Supreme Court. (...) There has therefore been a violation of Article 6 § 1 of the Convention."

Opmerking verdient nog dat niet-ratificatie van het zevende protocol bij het EVRM - waarin het recht op hoger beroep is neergelegd - niet eraan in de weg staat de zaak van cliënte te toetsen aan de genoemde rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft immers in verband met het recht op 'access to court' meermalen overwogen:

"The Convention does not compel the Contracting States to set up courts of appeal or of cassation. However, where such courts do exist, the guarantees of Article 6 must be complied with."

In de voorliggende zaak heeft cliënte - zoals Andreyev in de zaak die door het EHRM is beslist - alles gedaan wat van haar kon worden verwacht om appèl in te stellen. Vervolgens heeft de raadsman van cliënte - zoals de raadsman van Andreyev - verzaakt in de uitvoering van zijn plichten.

De kern van de rechtspraak van het EHRM is dat de Staat die op de hoogte wordt gesteld van een "manifest failure" van de raadsman, een positieve verplichting heeft om de nadelige gevolgen van dat falen weg te nemen. Van schending van artikel 6 EVRM is slechts sprake bij het uitblijven van "subsequent measures to adequately remedy the situation".

In de voorliggende zaak brengt de verdediging uw hof op de hoogte van een "manifest failure" van de voorgaande raadsman van cliënte, bestaande in de omstandigheid dat deze raadsman door een beroepsfout geen uitvoering heeft gegeven aan de (tijdige) opdracht van cliënte om appèl in te stellen. De verdediging verzoekt u een eenvoudige maatregel te nemen die de nadelige gevolgen van dit falen voor cliënte weg kan nemen, te weten het ontvangen van cliënte in het ingestelde hoger beroep.

Het is het standpunt van de verdediging dat het aan cliënte onthouden van zo'n eenvoudige herstelmaatregel een schending van art. 6 EVRM oplevert.

Gelet op al deze omstandigheden verzoek ik uw hof cliënte in het namens haar ingestelde hoger beroep te worden ontvangen."

2.2.2.

Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep het volgende in:

"De raadsvrouw van de verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:

De verdachte heeft er alles aan gedaan om tijdig hoger beroep in te stellen. Zij heeft zo spoedig mogelijk de secretaresse van [advocaat] benaderd. Zij hoorde pas enige tijd later dat haar advocaat had verzuimd tijdig namens haar hoger beroep in te stellen. Dat is haar niet aan te rekenen. Voor het overige verwijs ik naar mijn pleitnotities bij mijn brief van 27 januari 2014 aan het hof.

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven -:

Ik ben onschuldig. Ik ging er vanuit dat mijn raadsman namens mij tijdig hoger beroep had ingesteld."

2.2.3.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde beroep. Het bestreden arrest houdt als motivering van het Hof het volgende in:

"De verdachte is op 20 maart 2013 door de politierechter in de rechtbank Amsterdam tot een voorwaardelijke geldboete van 750,- euro veroordeeld. De verdachte had haar toenmalige raadsman gemachtigd om haar ter terechtzitting te vertegenwoordigen. Van dit vonnis is de verdachte blijkens de daarvan opgemaakte akte op 4 april 2013 in hoger beroep gekomen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - aan de hand van zijn ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotitie - aangevoerd dat zijn toenmalige kantoorgenoot heeft verzuimd tijdig namens zijn cliënte hoger beroep in te stellen en dat dit nalaten de verdachte niet kan worden verweten. De verdachte dient derhalve in het namens haar ingestelde hoger beroep te worden ontvangen.

Het hof overweegt als volgt.

De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dat kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Een overschrijding van de daarvoor gestelde termijn betekent dat de verdachte niet in het hoger beroep kan worden ontvangen. Ingevolge art. 408, tweede lid, Sv kan de verdachte binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis van de rechtbank.

Op grond van hetgeen door de verdachte is aangevoerd is komen vast te staan dat het veroordelend vonnis en de appeltermijn de raadsman en verdachte tevoren bekend waren. Bij die stand van zaken moet het hoger beroep binnen veertien dagen na de einduitspraak op 20 maart 2013 worden ingesteld. Nu het hoger beroep niet binnen die termijn, maar eerst op 4 april 2013 en derhalve te laat is ingesteld, ligt de vraag ter beantwoording voor of dit verzuim verontschuldigbaar is. Dit is het geval indien is gebleken van uitzonderlijke feiten en omstandigheden, die aan de appellant niet kunnen worden toegerekend.

De verdachte heeft ervoor gekozen haar wens om hoger beroep in te stellen enkel aan de secretaresse van haar toenmalige raadsman kenbaar te maken. Het had op de weg van de verdachte gelegen om zich ervan te vergewissen óf de secretaresse van die raadsman dat aan hem had doorgegeven en of er daadwerkelijk tijdig hoger beroep was ingesteld. Zij heeft dit evenwel nagelaten. Het nalaten van de raadsman tijdig hoger beroep in te stellen, daarbij betrokken de voornoemde omstandigheden, leveren naar het oordeel van het hof alsdan niet de hiervoor bedoelde uitzonderlijke feiten en omstandigheden op.

Nu het hoger beroep door de verdachte niet binnen de wettelijke voorgeschreven termijn is ingesteld en overigens niet is gebleken van de even bedoelde uitzonderlijke feiten of omstandigheden, zal zij door het hof daarin niet-ontvankelijk worden verklaard."

2.3.

De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat deze niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt of aan een zodanige psychische gesteldheid dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, NJ 2004/181).

2.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheden waarop door de raadsvrouwe van de verdachte een beroep is gedaan, niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in voormelde zin. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat - zoals het Hof heeft vastgesteld - de verdachte niet meer heeft gedaan dan haar wens om hoger beroep in te stellen aan de secretaresse van haar raadsman kenbaar te maken, zonder zich later ervan te vergewissen of haar raadsman aan deze wens gehoor heeft gegeven. Dat de raadsman heeft nagelaten tijdig hoger beroep in te stellen, komt onder deze omstandigheden, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, voor risico van de verdachte. De rechtspraak van het EHRM - zoals aangeduid in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 20 en 21 - dwingt in een geval als het onderhavige niet tot een ander oordeel.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2015.