Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3425

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-12-2015
Datum publicatie
11-12-2015
Zaaknummer
14/02510
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:999, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1327, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BIZ-heffing; artikel 1, lid 2, Experimentenwet Bedrijven Investeringszones. Zijn de met de BIZ-bijdrage gefinancierde activiteiten gericht op een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone?

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 15.33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2603
V-N 2016/2.15 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2016/38 met annotatie van A.W. Schep
FED 2016/19 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
BNB 2016/63 met annotatie van S. Bosma
FutD 2015-2960 met annotatie van Fiscaal up to Date
JG 2016/23 met annotatie van mr. R. de Korte
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 december 2015

nr. 14/02510

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 april 2014, nr. BK-13/00431, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 12/11053) betreffende de aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) voor het jaar 2012 opgelegde aanslag BIZ-bijdrage. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 29 juni 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.2.

Belanghebbende dreef op 1 januari 2012 een winkel in de onroerende zaak [a-straat 1] te [Q]. Deze onroerende zaak is gelegen in een gebied waarbinnen ingevolge de ‘Verordening BI-zone Hofkwartier 2011’ (hierna: de Verordening) een BIZ-bijdrage ten bedrage van € 250 wordt geheven.

2.1.3.

Tussen de gemeente Den Haag en de Vereniging BIZ Hofkwartier (hierna: de Vereniging) is een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van de Experimentenwet Bedrijven Investeringszones (hierna: de Experimentenwet) gesloten. Artikel 4 van deze uitvoeringsovereenkomst luidt, voor zover hier van belang:

“4.1. De Vereniging staat ervoor in dat de BIZ-subsidie wordt aangewend – en uitsluitend wordt aangewend – voor de volgende activiteiten (…):

Thema Schoon, heel en veilig

- Pilot anders inzamelen bedrijfsafval

- Graffitibestrijding

- Extra afval- en peukenbakken

- Collectieve winkelontzegging

- Invulling geven aan leegstaande panden

- Aanpak fietsparkeerproblematiek

- Extra groenvoorziening plus onderhoud

- Keurmerk Veilig Ondernemen

Thema Attractiviteit en gastvrijheid

- Kerstverlichting

- Kerstboom

- Evenementen

- Vlaggen en banieren

- Ontwikkelen website over BIZ

Thema bereikbaarheid en overig

- Betere bewegwijzering

- Informatiezuilen of -borden

- Betere aansluiting bij andere winkelgebieden

(…)”

2.1.4.

Het Jaarplan 2012 van de Vereniging bevat de volgende begrotingsposten van de directe kosten:

“Schoon, heel en veilig 2012

Collectieve winkelontzegging € 1.250

Graffiti- en posterverwijdering € 250

Totaal € 1.500

Attractiviteit & gastvrijheid 2012

Kerstverlichting € 30.000

Aanschaf extra kerstverlichting € 8.000

Evenementen € 10.000

Onderhoud website € 3.000

Totaal € 51.000

Bereikbaarheid en overig 2012

(Digitale) nieuwsbrief € 1.250

Bijdrage krant Het Hofkwartier € 3.500

Totaal € 4.750”

Voorts vermeldt de begroting 2012 een post indirecte kosten (Management- & Administratiekosten/project ondersteuning € 17.350 en Reservemarge € 1400) waardoor de totale begrotingsuitgaven € 76.000 bedragen. Tussen partijen is buiten geschil dat deze indirecte kosten naar evenredigheid aan de hiervoor vermelde directe kosten moeten worden toegerekend.

2.2.1.

Het geschil voor het Hof spitste zich toe op de vraag of de krachtens de Verordening geheven BIZ-bijdrage strekt ter bestrijding van de kosten die verbonden zijn aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone, zoals is voorgeschreven in artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de onder 2.1.4 vermelde activiteiten in de categorieën ‘Attractiviteit & gastvrijheid’ en ‘Bereikbaarheid & overig’ eerst en vooral zijn gericht op de promotie van de in de BI-zone gevestigde winkels en horecagelegenheden. Voorts kent het Hof wat betreft de activiteiten ‘Kerstverlichting’, ‘Aanschaf extra kerstverlichting’ en ‘Evenementen’ mede betekenis toe aan de omstandigheid dat het aanbrengen van kerstverlichting en het organiseren van evenementen niet pas na invoering van de BI-zone ter hand zijn genomen, maar in eerdere jaren door de winkeliersvereniging zijn verzorgd. Gelet op een en ander is het Hof van oordeel dat de activiteiten in beide categorieën hooguit zijdelings verband houden met het publieke belang in de openbare ruimte. Daarom voldoen deze activiteiten niet aan de voorwaarde van artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet, aldus het Hof.

2.3.1.

Het eerste middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat de beoordeling of bepaalde activiteiten al dan niet in voldoende mate het publiek belang dienen, door de gemeenteraad dient te geschieden.

Dit middel faalt. De Experimentenwet gaat ervan uit dat tussen de gemeente en de Vereniging een uitvoeringsovereenkomst wordt gesloten waarin dwingend is vastgelegd welke activiteiten moeten worden verricht waarvoor de uit de BIZ-bijdragen gevormde subsidie moet worden aangewend. Daarbij dient de gemeente te beoordelen of de voorgenomen activiteiten van de Vereniging voldoen aan de omschrijving in artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet. Dat betekent echter niet dat de ingevolge een verordening verschuldigde BIZ-bijdragen waartoe het overleg tussen de gemeente en een vereniging of stichting heeft geleid, aan het oordeel van de belastingrechter zijn onttrokken. Met name zal de belastingrechter in een hem op dat punt voorgelegd geschil moeten beoordelen of de kosten ter bestrijding waarvan de BIZ-bijdrage wordt geheven kosten zijn als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet.

2.3.2.

Het tweede middel komt op tegen ’s Hofs onder 2.2.2 weergegeven oordeel met het betoog dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd omdat het feit dat bepaalde activiteiten in het belang van de ondernemers in de BI-zone zijn, niet uitsluit dat die activiteiten zijn gericht op een ‘mede publiek belang’. Dat bepaalde activiteiten ook vóór de invoering van een BI-zone werden uitgevoerd, is daarbij niet relevant, aldus dit betoog.

2.3.3.

Bij de beoordeling van dit middel wordt het volgende vooropgesteld. Zoals volgt uit de wetsgeschiedenis, weergegeven in de onderdelen 4.14 tot en met 4.32 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, is de doelstelling van de Experimentenwet om “de veiligheid en/of de aantrekkelijkheid van de bedrijfsomgeving voor de ondernemers en voor hun klanten te vergroten” (Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 3, blz. 11). “Een leefbare bedrijfsomgeving heeft invloed op de leefbaarheid van het omliggende gebied; burgers willen een veilige en leefbare omgeving om in te werken, te wonen en te winkelen. Het collectieve belang van de ondernemers valt op deze punten samen met het algemene belang van een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsomgeving.” ( Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 3, blz. 1). In verband daarmee is het voorschrift van artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet “bewust tamelijk ruim geformuleerd” (Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 6, blz. 7). Bij de behandeling van het wetsvoorstel is als illustratie genoemd dat het aanbrengen van kerstverlichting, als aanvulling op door de gemeente verzorgde activiteiten, om het hele ondernemingsgebied onder de aandacht te brengen, valt te beschouwen als een activiteit waarmee mede een publiek belang wordt gediend (Handelingen II 2008/09, blz. 265).

Gelet op deze toelichtingen is de wetgever ervan uitgegaan dat activiteiten die de aantrekkelijkheid van een winkelgebied voor het winkelend publiek vergroten en daarmee bijdragen aan een kwalitatief hoogwaardig winkelgebied, voldoen aan de eis van artikel 1, lid 2, van de Experimentenwet dat die activiteiten zijn gericht op een ‘mede publiek belang’. Een ‘mede publiek belang’ ontbreekt pas indien de activiteit in de openbare ruimte geheel of nagenoeg geheel is gericht op de particuliere belangen van één of meer ondernemers of van derden.

2.3.4.

Bij zijn oordeel dat de onderhavige activiteiten eerst en vooral gericht zijn op de promotie van de in de BI–zone gevestigde winkels en horecagelegenheden en hooguit zijdelings verband houden met een publiek belang in de openbare ruimte, heeft het Hof een onjuiste, want te beperkte, maatstaf aangelegd, aangezien het daarbij geen acht heeft geslagen op de vergroting van de aantrekkelijkheid van de BI-zone voor het winkelend publiek. Anders dan het Hof heeft overwogen is te dezen niet doorslaggevend dat enkele van de activiteiten in eerdere jaren ook reeds door de winkeliersvereniging werden georganiseerd. Het middel slaagt derhalve.

2.4.

Gelet op hetgeen onder 2.3.4 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. In ’s Hofs vaststelling dat de beschreven activiteiten eerst en vooral zijn gericht op promotie van de winkels en horecagelegenheden ligt besloten dat daarmee tevens wordt beoogd de aantrekkelijkheid van het winkelgebied voor de klanten te vergroten. Die activiteiten zijn daarom niet uitsluitend (of nagenoeg uitsluitend) gericht op de particuliere belangen van de ondernemers in de BI-zone of van derden, maar dienen ook een ‘mede publiek belang’. Het Hof heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat de Verordening onverbindend is.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, en

verklaart het tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2015.