Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3399

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
14/03217
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1975, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:996, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Financieel recht. Aansprakelijkstelling bank door vereniging van gedupeerden van fraude (Ponzi-zwendel). Collectieve actie (art. 3:305a BW). Zorgplicht bank bij ongebruikelijk betalingsverkeer op rekeningen van cliënt; HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289 (Safe Haven).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2015/411
RF 2016/10
NJB 2015/2177
RI 2016/14
RvdW 2016/88
RCR 2016/11
RAV 2016/23
JOR 2016/34
JONDR 2016/315
NJ 2016/245 met annotatie van T.F.E. Tjong Tjin Tai
Bb 2016/41.1
JA 2016/33
NTHR 2016, afl. 1, p. 28
NTHR 2016, afl. 2, p. 120
TvPP 2016, afl. 1, p. 16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 november 2015

Eerste Kamer

14/03217

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te AMSTERDAM,

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen,

t e g e n

STICHTING BELANGENBEHARTIGING GEDUPEERDE BELEGGERS [betrokkene 1] ,
gevestigd te Haarlem,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Bank en de Stichting.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 334313/HA ZA 09-1869 van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2010 en 13 juli 2011;

b. het [tussen]arrest in de zaak 200.100.878/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 maart 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de Bank beroep in cassatie ingesteld. De Stichting heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor de Bank mede door mr. A.J. Haasjes en voor de Stichting mede door mr. J.W. de Jong.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt in het principaal en in het incidenteel cassatieberoep tot verwerping.

De advocaten van beide partijen hebben bij brief van 16 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) was tot 8 maart 2005 directeur van twee vennootschappen ( [A] B.V. en [B] B.V.) die zich bezighielden met valuta- en effectenhandel. Deze vennootschappen beschikten over vergunningen op grond van de toenmalige Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte) en Wet toezicht kredietwezen 1992 (hierna: Wtk). [betrokkene 1] beschikte in persoon niet over dergelijke vergunningen.

(ii) De Stichting behartigt de belangen van beleggers die door [betrokkene 1] zijn gedupeerd. Deze beleggers hebben gelden aan [betrokkene 1] ter beschikking gesteld om te beleggen, waarbij [betrokkene 1] zeer hoge rendementen voorspiegelde of garandeerde. Vanaf in ieder geval 2002 heeft [betrokkene 1] de ingelegde gelden niet meer belegd, maar aangewend om aan andere beleggers de beloofde ‘rendementen’ uit te betalen en hun inleg terug te betalen. Deze handelwijze wordt ook wel aangeduid als Ponzi-zwendel.

(iii) [betrokkene 1] heeft zowel voor de ontvangst van gelden van beleggers als voor de uitkeringen aan beleggers gebruik gemaakt van twee bankrekeningen die hij aanhield bij het kantoor van Fortis Bank Nederland N.V. te Hilversum (hierna, evenals eiseres in principaal beroep, aan te duiden als ‘de Bank’, nu als gevolg van een fusie op 1 juli 2010 al haar rechten en verplichtingen onder algemene titel zijn overgegaan op eiseres in principaal beroep). Het betreft de rekening met nummer [001] (hierna: de [001] -rekening), die al vóór 1989 was geopend, en de ‘en/of rekening’ met nummer [002] , die mede op naam stond van [betrokkene 2] (hierna: de [002] -rekening), geopend op 20 februari 2003.

(iv) Over het betalingsverkeer op beide rekeningen is het volgende vastgesteld.

- Tot 15 juni 2005 hebben ongeveer 1.440 personen (overwegend particulieren) gelden toevertrouwd aan
[betrokkene 1] ;

- Veel van de betalingen aan [betrokkene 1] en uitkeringen door [betrokkene 1] verliepen via de hiervoor in (iii) genoemde bankrekeningen;

- Voor beide rekeningen gezamenlijk ging het in de periode van 2002 tot medio 2005 om ruim € 67 miljoen aan inleg en om ongeveer € 77,5 miljoen aan betalingen door [betrokkene 1] aan derden;

- De afzonderlijke bijschrijvingen op de bankrekeningen betroffen bedragen tot € 600.000,--;

- Bij veel overboekingen is geen of een nietszeggende omschrijving vermeld, maar er zijn ook regelmatig bedragen overgeboekt met omschrijvingen als “inleg”, “lening”, “schuldbekentenis”, “belegging” en “warrant”.

( v) Ten aanzien van de [001] -rekening geldt voorts:

- Op de rekening vonden in 2004 gemiddeld per werkdag 20 mutaties plaats;

- [betrokkene 1] ontving via de rekening ongeveer € 124 miljoen aan inleg in de periode van 1998-2004 en betaalde via deze rekening bij benadering eenzelfde bedrag aan beleggers;

- In de periode tussen 1 januari 1998 en 1 januari 2005 werd de rekening dagelijks voor een bedrag van gemiddeld € 40.728,03 gecrediteerd en voor een bedrag van gemiddeld € 40.740,43 gedebiteerd;

- In 1998 waren deze transacties belichaamd in bijna 900 mutaties. De gemiddelde omvang van een mutatie op de rekening bedroeg in de periode van 1 januari 1998 tot en met 24 maart 2005 € 24.281,--.

(vi) Ten aanzien van de [002] -rekening staat voorts vast dat [betrokkene 1] daarop in de periode vanaf maart 2003 tot en met maart 2005 gemiddeld € 25.541 per dag ontving en daarvan dagelijks gemiddeld € 21.272 aan beleggers uitbetaalde.

(vii) Over het contact tussen medewerkers van het filiaal van de Bank te Hilversum en [betrokkene 1] staat het volgende vast:

- In ieder geval vanaf 2000 boekte [betrokkene 1] vanaf de [001] -rekening bedragen vaker telefonisch over dan per bankgiro;

- In de eerste twee maanden van 2001 gaf [betrokkene 1] 51 telefonische betaalopdrachten waartoe hij 18 maal contact met de Bank had. In december 2001 gaf hij 57 telefonische betaalopdrachten waartoe hij 13 maal contact met de Bank had;

- Medewerkers van de Bank namen regelmatig telefonisch contact op met [betrokkene 1] over overboekingsopdrachten;

- [betrokkene 1] bezocht regelmatig het bankkantoor;

- Over overschrijvingsformulieren van [betrokkene 1] vond veelvuldig, althans zeer regelmatig, contact plaats tussen [betrokkene 1] en medewerkers van het filiaal en overboekingen door [betrokkene 1] geschiedden veelal telefonisch.

(viii) Op 10 november 2004 heeft de Bank bericht ontvangen van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) dat deze een onderzoek was gestart in verband met mogelijk handelen van [betrokkene 1] in strijd met de Wte. Op verzoek van de AFM heeft zij hangende dit onderzoek geen actie ondernomen. Op 24 januari 2005 heeft de Bank alsnog met [betrokkene 1] gesproken. Op dezelfde datum heeft zij de rekeningen van [betrokkene 1] opgeheven.

(ix) Bij besluit van 15 maart 2005 heeft de AFM op grond van art. 28 Wte aan [betrokkene 1] medegedeeld dat hij in strijd heeft gehandeld met art. 3 lid 1 Wte door effecten aan te bieden zonder dat aan de toepasselijke effectenwetgeving was voldaan. Bij beslissing van 31 januari 2006 heeft de rechtbank Rotterdam het beroep hiertegen van [betrokkene 1] ongegrond verklaard. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft het hoger beroep tegen deze beslissing bij uitspraak van 18 juni 2007 verworpen.

( x) [betrokkene 1] is op 15 juni 2005 failliet verklaard.

(xi) Bij vonnis van 14 augustus 2006 is [betrokkene 1] door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren wegens oplichting, valsheid in geschrift, overtreden van art. 82 Wtk en medeplegen van witwassen. Deze veroordeling is door het gerechtshof Amsterdam bekrachtigd.

3.2

In het onderhavige geding heeft de Stichting, verkort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, verklaringen voor recht gevorderd (a) dat de Bank onrechtmatig heeft gehandeld jegens de beleggers die gelden aan [betrokkene 1] hebben toevertrouwd en die door hem gedupeerd zijn, (b) dat dit onrechtmatig handelen aan de Bank kan worden toegerekend en (c) dat de door de Bank geschonden norm strekt tot bescherming van schade zoals geleden door beleggers die door [betrokkene 1] zijn gedupeerd. De rechtbank heeft de vorderingen van de Stichting toegewezen voor zover het beleggers betrof wier belangen de Stichting behartigt en die gelden op de bankrekeningen hadden gestort. De rechtbank heeft de onder (c) weergegeven vordering afgewezen op de grond dat denkbaar is dat een individuele belegger dermate roekeloos heeft gehandeld dat deze zich niet erop kan beroepen dat de Bank jegens hem onzorgvuldig heeft gehandeld en dat een onderzoek naar individuele omstandigheden het bestek van een collectieve actie te buiten gaat.

3.3

Het hof heeft bij tussenarrest de Bank verzocht om de brief van de AFM van 10 november 2004 over te leggen en de Bank toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen:

- het vermoeden dat (het hoofdkantoor van) de Bank in maart 2003 wist dat op de [002] -rekening ongebruikelijk betalingsverkeer plaatsvond en dat de Bank (in ieder geval reeds) in 2003 beschikte over een systeem dat ongebruikelijke bijschrijvingen kon signaleren;

- het vermoeden dat de Bank wat betreft de [001] -rekening reeds in of kort na 1998 en wat betreft de [002] -rekening in maart 2003, althans (wat beide rekeningen betreft) op enig moment vóór 10 november 2004 – de dag waarop zij de brief van de AFM ontving – bekend was met de omvang en de aard van de bijschrijvingen op die rekeningen.

Het hof heeft verlof verleend voor het tussentijds instellen van beroep in cassatie.

3.4

De gronden waarop het hof tot zijn oordelen is gekomen zijn samengevat weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4. Voor zover nodig zullen zij hierna kort worden weergegeven.

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

Het hof heeft in rov. 29 terecht het arrest Safe Haven (HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289) tot uitgangspunt genomen voor de beoordeling van de zorgplicht van de Bank. In dat arrest is – mede onder verwijzing naar eerdere arresten – vooropgesteld dat de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht meebrengt ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van deze zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort dat de bepalingen van de Wte, blijkens de wetsgeschiedenis, mede strekken ter bescherming van de belangen van beleggers.

4.2

Het hof heeft in de rov. 30 e.v. onderzocht jegens welke beleggers de Bank een zorgplicht had. Het is daarbij veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat de Bank in verband met het ongebruikelijke betalingsverkeer op de [001] - en [002] -rekeningen had moeten onderzoeken of [betrokkene 1] in strijd met art. 7 lid 1 Wte handelde. Het hof heeft onder meer geoordeeld dat de zorgplicht van de Bank in beginsel was beperkt tot degenen bij wie de benadeling via (een van) beide bankrekeningen is gelopen (rov. 31). Voorts heeft het hof geoordeeld dat de zorgplicht mede strekt ter bescherming tegen eigen lichtvaardigheid en het gebrek aan kunde en inzicht van het beleggend publiek, en dat de vraag in welke mate een individuele belegger onoplettend, onvoorzichtig of roekeloos is geweest door gelden aan [betrokkene 1] ter beschikking te stellen, in afzonderlijke procedures aan de orde kan komen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van eigen schuld van een belegger (rov. 33).

4.3

Onderdeel 1A van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de bijzondere zorgplicht van een bank mede beschermt tegen eigen lichtvaardigheid en gebrek aan kunde en inzicht bij het beleggend publiek. Het onderdeel betoogt dat deze zorgplicht alleen geldt jegens klanten van de bank.

Het onderdeel faalt. Zoals hiervoor in 4.1 is overwogen, brengt de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht mee tegenover derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Die maatschappelijke functie hangt ermee samen dat banken een centrale rol spelen in het betalings- en effectenverkeer en de dienstverlening terzake, op die gebieden bij uitstek deskundig zijn en terzake beschikken over informatie die anderen missen. Die functie rechtvaardigt dat de zorgplicht van de bank mede strekt ter bescherming tegen lichtvaardigheid en gebrek aan kunde en niet is beperkt tot zorg jegens personen die als klant in een contractuele relatie tot de bank staan.

4.4

Onderdeel 3 is mede gericht tegen rov. 33 en betoogt onder meer dat mogelijk onvoorzichtig of verwijtbaar handelen aan de zijde van beleggers deel moet uitmaken van de beoordeling in de collectieve actie en niet, zoals het hof heeft geoordeeld, nadien in afzonderlijke procedures aan de orde moet komen, althans dat de bijzondere (collectieve) eigenschappen van de gehele achterban van de Stichting meebrengen dat reeds in de collectieve actie rekening moet worden gehouden met hun onvoorzichtigheid.

Dit betoog kan niet worden aanvaard. Bij de beantwoording van de vraag of de Bank onzorgvuldig en dus onrechtmatig heeft gehandeld, dient te worden geabstraheerd van bijzondere omstandigheden aan de zijde van de beleggers (vgl. het arrest Safe Haven onder 7.3). Die omstandigheden zijn pas relevant bij vragen omtrent bijvoorbeeld schade(omvang), causaal verband en eigen schuld. Een andere opvatting zou toepassing van art. 3:305a BW onaanvaardbaar beperken (vgl. rov. 4.8.1 van HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 (World Online)).

Ook het beroep van de Bank op ‘collectieve eigenschappen’ van de achterban van de Stichting faalt. Nu de zorgplicht van de Bank mede strekt ter bescherming van beleggers tegen eigen lichtvaardigheid en het gebrek aan kunde en inzicht, en de Bank bij het bepalen van haar houding ten opzichte van de activiteiten op de rekeningen van [betrokkene 1] geen kennis had van de individuele of collectieve omstandigheden van de beleggers, kan niet op voorhand, los van de omstandigheden van ieder concreet geval, worden geoordeeld dat – zoals de Bank in wezen bepleit – die zorgplicht zich niet uitstrekte tot de gehele achterban van de Stichting dan wel dat die gehele achterban anderszins aan de bescherming van die zorgplicht is onttrokken.

4.5

Onderdeel 3d verwijt het hof te hebben miskend dat de Bank niet gehouden was te onderzoeken of [betrokkene 1] (mogelijk) de toezichtwetgeving overtrad jegens beleggers die meer dan € 50.000,-- hebben ingelegd. Volgens het onderdeel kunnen deze beleggers geen beroep doen op de beschermende strekking van de toezichtwetgeving. Het onderdeel mist feitelijke grondslag, aangezien het hof (nog) geen oordeel heeft gegeven over de in het onderdeel vermelde stellingen van de Bank ten aanzien van deze specifieke categorie beleggers.

Voorts klaagt het onderdeel met verschillende argumenten over de overweging van het hof dat de maatschappelijke zorgvuldigheid van de Bank zich op grond van specifieke omstandigheden van het geval ook kan uitstrekken tot derden die contant – of via rekeningen die [betrokkene 1] bij andere banken aanhield – gelden aan [betrokkene 1] ter beschikking hebben gesteld of uitgekeerd hebben gekregen, en dat daarvan onder omstandigheden sprake kan zijn indien de Bank wist of behoorde te weten dat [betrokkene 1] zich schuldig maakte aan Ponzi-zwendel (rov. 32). Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden omdat deze materie volgens het hof in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen (rov. 3.2 slot) en de daartegen gerichte klacht in het incidentele beroep niet tot cassatie kan leiden, zoals hierna in 5.2 zal blijken.

4.6

Onderdeel 1B klaagt onder meer erover dat het hof in rov. 43 (mede in verband met de rov. 31, 41-42 en 56) voor de zorgplicht van de Bank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door te oordelen dat aansprakelijkheid niet alleen kan worden aangenomen indien de Bank zich ervan bewust was dat [betrokkene 1] zonder vergunning beleggingsactiviteiten verrichtte, maar ook indien de Bank dat behoorde te zijn. Volgens het onderdeel moet sprake zijn van ‘daadwerkelijk gevaarsbewustzijn’ bij de Bank.

Het hof heeft in dit verband geoordeeld dat – anders dan in het geval dat aan de orde was in het door het middel aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 22 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5503, NJ 1975/149 – in het onderhavige geval sprake is van een op de Bank rustende bijzondere zorgplicht jegens derden. Tegen die achtergrond dienen de door het onderdeel aangevallen overwegingen – mede blijkens het slot van rov. 43 – als volgt te worden verstaan. Van de Bank kon worden gevergd dat zij tot onderzoek zou overgaan indien zij wist van het ongebruikelijke betalingsverkeer en de bijbehorende omschrijvingen op de rekeningen van [betrokkene 1] , hetgeen wees op beleggingsactiviteiten. Daarbij heeft het hof kennelijk mede acht geslagen op de bijzondere omstandigheden van dit geval, waaronder de hoedanigheid van [betrokkene 1] als particuliere rekeninghouder en de ongebruikelijke omvang van de activiteiten op zijn rekeningen (vermeld in rov. 45). Aan het oordeel van het hof ligt voorts kennelijk mede ten grondslag dat van een bank, gelet op haar functie in het maatschappelijk verkeer en haar specifieke deskundigheid op het gebied van financiële dienstverlening, mag worden verondersteld dat zij ervan op de hoogte is dat voor beleggingsactiviteiten een vergunning kan zijn vereist (rov. 43, vierde en vijfde volzin). Aldus is voor het oordeel van het hof alleen datgene bepalend geweest waarvan de Bank zich bewust was, te weten de ongebruikelijke (beleggings)activiteiten op de rekeningen van [betrokkene 1] . Bewustheid van het daaraan verbonden ‘gevaar’ bij de Bank is, gelet op haar specifieke positie en deskundigheid, door het hof verondersteld. Door aldus te oordelen heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. In zoverre falen de daartegen gerichte klachten.

4.7

Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de zorgplicht van de Bank in beginsel was beperkt tot degenen bij wie de benadeling via de [001] -rekening of de [002] -rekening is gelopen (rov. 31; zie ook hiervoor in 4.2). Het onderdeel wijst onder meer erop dat (uit diverse wetten volgt dat) de bijzondere maatschappelijke zorgplicht van de Bank een brede strekking heeft en mede dienst doet om de belangen van derden te beschermen en de integriteit van het financiële stelsel te waarborgen.

Het onderdeel miskent dat de reikwijdte van de zorgplicht van de Bank afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval. De strekking van wetsbepalingen om bepaalde personen of groepen te beschermen is weliswaar een relevante factor bij de bepaling van die zorgplicht, maar voorop staat dat de zorgplicht niet los van de omstandigheden van het concrete geval kan worden ingevuld (vgl. rov. 6.3.2 van het arrest Safe Haven). Het hof heeft zijn oordeel kennelijk erop gegrond dat enerzijds het ongebruikelijke verkeer op een tweetal bankrekeningen de Bank aanleiding had moeten geven tot onderzoek naar de activiteiten die met deze rekeningen verband hielden, dit in verband met de belangen van de (haar bekende) derden die bij de transacties betrokken waren, en anderzijds dat de Bank in beginsel slechts beperkte mogelijkheden – en, naar uit rov. 32 volgt, beperkte aanleiding – had tot onderzoek buiten die rekeningen om. Hieraan heeft het hof in rov. 32 onder het geven van een voorbeeld echter toegevoegd dat onder specifieke omstandigheden een zorgplicht van de Bank kan worden aangenomen die ook derden buiten de categorie genoemd in rov. 31 beschermt. Uit deze overwegingen blijkt dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de specifieke omstandigheden van dit geval en aldus de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel faalt derhalve.

5.2

Onderdeel 2 is gericht tegen de slotzin van rov. 32, waarin het hof oordeelt dat de onderhavige procedure zich niet leent voor een onderzoek naar de specifieke omstandigheden die van belang zijn voor het aannemen van een zorgplicht van de Bank voor de belangen van andere derden dan die bedoeld in rov. 31, zoals de zorgplicht waarvan onder omstandigheden sprake kan zijn indien de Bank wist of behoorde te weten dat [betrokkene 1] zich schuldig maakte aan (Ponzi-)zwendel. Onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken wijst het onderdeel erop dat deze collectieve actie is ingesteld ten behoeve van alle door [betrokkene 1] gedupeerde beleggers en dat daarbij aan de Bank is verweten dat zij wist, althans had moeten weten, dat [betrokkene 1] (Ponzi-)zwendel pleegde doch heeft nagelaten daarnaar onderzoek te doen en vervolgens passende maatregelen te nemen ter bescherming van al deze beleggers.

Deze klacht is gegrond. Uit rov. 32 volgt dat het hof definitief en zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat de onderhavige procedure zich niet leent voor een onderzoek naar de wetenschap van de Bank inzake door [betrokkene 1] gepleegde (Ponzi-)zwendel, haar wetenschap omtrent de schaal daarvan en haar mogelijkheden om aan die zwendel een einde te maken (ook) ten behoeve van derden die niet waren betrokken bij de transacties op de door haar bijgehouden rekeningen. Hierin ligt besloten dat het hof de vorderingen van de Stichting – die mede zijn ingesteld ten behoeve van zodanige derden – in zoverre niet kan toewijzen. Zonder nadere motivering, die het hof niet geeft, is echter niet begrijpelijk waarom de onderhavige procedure zich niet zou lenen voor het door het hof genoemde onderzoek.

De gegrondheid van de klacht kan evenwel niet tot cassatie leiden. In dit verband komt het uitsluitend erop aan in hoeverre datgene wat de Bank wist, haar aanleiding had moeten geven tot nader onderzoek. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Stichting in feitelijke instanties niet heeft gesteld dat de Bank wist van de (Ponzi-)zwendel van [betrokkene 1] of wist dat [betrokkene 1] buiten haar rekeningen om beleggingsactiviteiten ontplooide.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Bank in de kosten van het beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op € 841,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het incidentele beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 68,07 aan verschotten en
€ 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en V. van den Brink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 november 2015.