Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3370

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
27-11-2015
Zaaknummer
15/02072
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:954, Bekrachtiging/bevestiging
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBROT:2014:10850, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Besluit proceskosten bestuursrecht; wegingsfactor. Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Raad voor de Rechtspraak, Stcrt. 2012, 26039: recht in de zin van art. 79 Wet RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2856
V-N 2015/63.8
V-N Vandaag 2015/2507
NJB 2015/2247
AB 2016/95
BNB 2016/53

Uitspraak

27 november 2015

nr. 15/02072

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 3 april 2015, nr. BK‑14/00835, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 13/7075) betreffende de beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de klacht

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

In geschil was of de heffingsambtenaar de waarde van de woning van belanghebbende, een onroerende zaak als bedoeld in de Wet WOZ, op het juiste bedrag heeft vastgesteld.

2.2.1.

Het Hof heeft belanghebbende op dit punt in het gelijk gesteld. Het Hof heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Bij de berekening van de proceskostenvergoeding heeft het Hof het gewicht van de zaak gesteld op 0,5 (licht) als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor een hogere vergoeding achtte het Hof geen termen aanwezig.

2.2.2.

De tegen dit oordeel gerichte klacht houdt in dat het Hof niet zonder nadere motivering het gewicht van de zaak als licht had mogen aanmerken. De klacht verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012, nr. 11/02035, ECLI:NL:HR:2012:BX0904, BNB 2012/256, en de in Stcrt. 2012, 26039 gepubliceerde “Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Raad voor de Rechtspraak(hierna: de richtlijn). Uit die richtlijn volgt dat het gewicht van een zaak ‘gemiddeld’ is, als de zaak materieel is behandeld, aldus de klacht.

2.3.1.

Bij de beoordeling van de klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. De richtlijn kan niet gelden als algemeen verbindend voorschrift omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid is gegeven, maar zij bindt wel de rechter op grond van algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, en leent zich naar haar aard en strekking ertoe jegens de daarbij betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast. De richtlijn is derhalve aan te merken als ‘recht’ in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie (vgl. HR 28 juni 1996, nr. 16012, ECLI:NL:HR:1996:ZC2117, NJ 1997, 495). De Hoge Raad kan daarom beoordelen of het Hof de richtlijn heeft geschonden.

2.3.2.

Van een schending van de richtlijn is in het onderhavige geval geen sprake. De richtlijn heeft betrekking op de vergoeding van de kosten van een taxatieverslag in procedures over waardebeschikkingen op grond van de Wet WOZ. Voor het geval in dergelijke procedures uitsluitend nog de proceskosten in geschil zijn, bepaalt de richtlijn dat als wegingsfactor 0,5 kan worden aangehouden. Dit sluit niet uit dat ook in andere zaken de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak op 0,5 (licht) wordt vastgesteld.

2.3.3.

Voor zover de klacht inhoudt dat het Hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, geldt het volgende. In het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, BNB 2011/265, is geoordeeld dat de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. De bepaling van het gewicht van de zaak door die beoordelende instantie is, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar. In het onderhavige geval is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Het behoefde ook geen nadere motivering.

2.4. Gelet op het overwogene in de onderdelen 2.3.2 en 2.3.3 faalt de klacht.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2015.