Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3362

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
14/04197
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2300, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Toegewezen wettelijke rente over vordering b.p., schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. De omstandigheid dat een b.p. niet heeft gevorderd dat de wettelijke rente wordt vergoed, staat niet eraan in de weg dat de aan verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat inhoudt dat de wettelijke rente vergoed moet worden (vgl. ECLI:NL:HR:2014:2652). Een vernietiging door de HR van de beslissing van het Hof dat de wettelijke rente betaald moet worden over de aan de b.p. toegewezen schadebedragen, laat de verplichting voor verdachte de wettelijke rente te betalen over het bedrag van de aan hem opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat in stand. Aldus heeft verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang bij zijn klacht over de beslissing van het Hof dat de toegewezen vorderingen van de b.p. vermeerderd moeten worden met de wettelijke rente. HR derhalve: art. 80a RO. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0543
RvdW 2016/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/04197

DAZ/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 5 augustus 2014, nummer 21/002426-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1967.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.B.J.G. Baggen, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het aan de benadeelde partijen toegewezen bedrag is vermeerderd met de wettelijke rente en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

Het tweede middel betoogt dat, nu de formulieren waarmee de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich in het strafgeding hebben gevoegd in het ongerede zijn geraakt en daarom niet meer gecontroleerd kan worden of zij vergoeding van de wettelijke rente hebben gevorderd, geoordeeld moet worden dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan schadevergoeding vermeerderd moeten worden met de wettelijke rente.

2.2.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. De vordering is door of namens verdachte niet inhoudelijk bestreden.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. De vordering is door of namens verdachte niet inhoudelijk bestreden.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

(...)

BESLISSING

Het hof:

(...)

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

(...)

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] , een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

(...)

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

(...)

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 2] , een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

(...)

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening".

2.3.

Op grond van door de Hoge Raad bij de griffier van het Hof ingewonnen inlichtingen moet het in cassatie ervoor worden gehouden dat de formulieren waarmee [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich op de voet van art. 51f Sv in eerste aanleg als benadeelde partij hebben gevoegd in het strafproces, welke stukken zich niet bevinden bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken, in het ongerede zijn geraakt.

2.4.

Het Hof heeft bepaald dat de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen vermeerderd dienen te worden met de wettelijke rente vanaf de in het arrest genoemde datum tot aan de dag der algehele voldoening. Het Hof heeft voorts beslist dat aan de verdachte op de voet van art. 36f Sr (schadevergoedingsmaatregel) betalingsverplichtingen worden opgelegd gelijk aan de toegewezen bedragen van de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft ook ten aanzien van deze door de verdachte aan de Staat te betalen bedragen ten behoeve van de slachtoffers bepaald dat ze zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente.

2.5.

Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich geen (andere) stukken waaruit blijkt dat de benadeelde partijen vergoeding van de wettelijke rente hebben gevorderd. Zoals het middel terecht betoogt, kan daarom niet worden nagegaan of het Hof, door te bepalen dat de wettelijke rente vergoed moet worden over de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen, meer heeft toegewezen dan door hen is gevorderd.

2.6.

De omstandigheid dat een benadeelde partij niet heeft gevorderd dat de wettelijke rente wordt vergoed, staat niet eraan in de weg dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat inhoudt dat de wettelijke rente vergoed moet worden. Het staat de strafrechter immers vrij - ongeacht een eventuele vordering van een benadeelde partij - al dan niet een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Indien de strafrechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt, berekent hij het schadebedrag, waartoe de wettelijke rente behoort, naar de krachtens het Burgerlijk Wetboek geldende criteria. De wettelijke rente is ingevolge art. 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade, die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden (vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2652).

2.7.

Een vernietiging door de Hoge Raad van de beslissing van het Hof dat de wettelijke rente betaald moet worden over de aan de benadeelde partijen toegewezen schadebedragen, laat de verplichting voor de verdachte de wettelijke rente te betalen over het bedrag van de aan hem opgelegde verplichtingen tot betaling aan de Staat in stand. Aldus heeft de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang bij zijn klacht over de beslissing van het Hof dat de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen vermeerderd moeten worden met de wettelijke rente.

2.8.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat ook de overige aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat zij niet tot cassatie kunnen leiden, zal de Hoge Raad - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2015.