Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3357

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
14/04318
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1770, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering bp. Falende klacht over de toewijzing door het Hof van de vordering van de bp en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel v.zv. deze zien op de kosten van de 'nieuwe laminaatvloer'. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de schade in verband met de laminaatvloer tot een bedrag van € 600,- voldoende aannemelijk is geworden en dat de bp voor het restant van die vordering (€ 310,-) zich tot de burgerlijke rechter moet wenden. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot het bedrag van € 3.775, behoeft gelet op het voorgaande geen nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0532
RvdW 2016/29

Uitspraak

24 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/04318

SG/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, zittingsplaats Zwolle, van 23 mei 2014, nummer 21/003485-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en tot terugwijzing van de zaak opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de toewijzing door het Hof van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor zover deze zien op de kosten van de 'nieuwe laminaatvloer'.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op meer tijdstippen in de periode van 01 september 2011 tot en met 21 november 201 1 te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk de zich aldaar bevindende meterkast en de vloer van de badkamer en twee inbouwkasten en een of meer muren en andere onderdelen van de woning gelegen aan de [a-straat 1] te Breukelen, toebehorende aan [betrokkene 1], heeft beschadigd."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

"5. Het bij voormeld hoofdproces-verbaal gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], voornoemd, en [verbalisant 2], medewerker van politie Utrecht, opgemaakt proces-verbaal, gesloten en ondertekend op 22 november 2011, pagina 15-18, voor zover - zakelijk weergegeven - als aangifte van [betrokkene 2] (mede) namens [betrokkene 1]:

Pag. 16:

Aangifte van vernieling aan de woning van [betrokkene 1] aan de [a-straat 1] te Breukelen. De woning is verhuurd aan [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1948 te [geboorteplaats]. De geconstateerde schade aan de woning is de volgende:

- schade aan meterkast door omleiding van stroom;

- twee gaten in de vloer van de badkamer,

- gat in de wand van de badkamer;

- de inbouwkasten in de slaapkamers 1 en 2 zijn gesloopt. De deuren van de kasten zijn verwijderd en de wanden zijn opengebroken;

- in het plafond van kamer 1 en 2 zijn verschillende gaten geboord;

- de kast in de gang is beschadigd. Tevens is aan de zijkant van de kast een gat gemaakt;

- tegen de muren van kamer 1 en 2 was folie geniet, hierdoor is schade aan de muren ontstaan.

6. Het bij voormeld hoofdproces-verbaal, gevoegde geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten, een huurcontract tussen [betrokkene 1], verhuurder, en [verdachte], huurder van het woonhuis aan de [a-straat 1], [postcode] Breukelen, waaruit onder andere blijkt dat de huurovereenkomst wordt aangegaan voor een periode van 12 maanden met ingang van 1 september 2011."

2.2.3.

Bij de stukken van het geding bevindt zich een voegingsformulier van de benadeelde partij. Dit formulier houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Schade

Omschrijving bedrag nummer bijlage

Derving huur € 3.125,= 3

Nieuwe laminaatvloer € 910,= 1

Advertenties Marktplaats € 50,00 2

Totaal

€ 4.085,00."

2.3.

Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3.775,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en bepaald dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Voorts heeft het Hof aan de verdachte de verplichting opgelegd aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij een bedrag te betalen van € 3.775,-. Het Hof heeft in dit verband het volgende overwogen:

"De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.085,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze."

2.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

Ik vind de vordering van de benadeelde partij te hoog. In het pand was geen laminaat aanwezig. De benadeelde partij probeert er beter van te worden.

(...)

De door de benadeelde partij opgevoerde kosten voor het laminaat zijn niet terecht.

(...)

De benadeelde partij voert het woord -zakelijk weergegeven- als volgt:

Het is maar goed dat ik goed verzekerd ben. De totale schade bedroeg € 8.000,-. Ik heb foto's van het pand voor de verhuur aan verdachte en van na de verhuur. Ik kan op de foto's geen zeil ontdekken.

De voorzitter vraagt de benadeelde partij naar voren te komen om de foto's aan het hof en aan de verdachte te laten zien. Voorts verzoekt de voorzitter de verdachte om ook naar voren te komen teneinde de foto's te bekijken.

De verdachte merkt naar aanleiding van de getoonde foto's - zakelijk weergegeven - op:

Ik herken de woning. Ik zie naar mijn idee op de foto's dat er op de bovenverdieping zeil ligt.

De jongste raadsheer merkt op dat hij op de foto's toch duidelijk ziet dat op de bovenverdieping laminaat ligt.

(...)

De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman onder meer aanvoert:

(...) Ik ben het met de advocaat-generaal eens dat het netjes is om de schade te betalen. Helaas is het schadebedrag niet duidelijk te bepalen. De verzekering heeft een bedrag aan de benadeelde partij uitgekeerd. Niet duidelijk is welk bedrag door de verzekering is uitgekeerd. Op 21 november 2011 is de hennepkwekerij in het pand aangetroffen. Pas op 15 april 2012 heeft een nieuwe huurder intrek genomen in het pand. Ik vraag mij af of het gerechtvaardigd is dat cliënt de huurderving over de gehele periode dient te vergoeden. Ik verzoek u de termijn waarover huurderving verschuldigd is in te korten. Voorts heeft uw hof te beoordelen of er laminaat in de vertrekken heeft gelegen. Ik kan het niet beoordelen. Ik verzoek u in ieder geval een correctie toe te passen in verband met afschrijving op het laminaat."

2.5.

Het Hof heeft in zijn overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat op grond van het verhandelde in het strafgeding genoegzaam aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.775,- en dat de benadeelde partij voor het resterende deel van haar vordering zich tot de burgerlijke rechter moet wenden, omdat beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bezien in het licht van de feiten en omstandigheden die het Hof blijkens de in 2.2.2 weergegeven bewijsmiddelen heeft vastgesteld en in aanmerking genomen hetgeen door de benadeelde partij enerzijds en door en namens de verdachte anderzijds met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding, in het bijzonder voor zover die betrekking heeft op de nieuwe laminaatvloer, is aangevoerd, heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de schade in verband met de laminaatvloer tot een bedrag van € 600,- voldoende aannemelijk is geworden en dat de benadeelde partij voor het restant van die vordering (€ 310,-) zich tot de burgerlijke rechter moet wenden. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot het bedrag van € 3.775, behoeft gelet op het voorgaande geen nadere motivering.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2015.