Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3355

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
14/05816
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2297, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorwaardelijk getuigenverzoek. Bij appelschriftuur gedaan en ttz. in h.b. bij pleidooi in voorwaardelijke vorm herhaald verzoek tot horen van verbalisanten. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:1496 m.b.t. beoordeling cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen. Het verzoek van de verdediging strekt ertoe de verbalisanten X en Y als getuigen te horen over hun waarnemingen op de camerabeelden van de openlijke geweldpleging, alsmede over de tegenstrijdigheden tussen de door hen gerelateerde waarnemingen en die van verbalisant Z. Het Hof heeft het verzoek afgewezen op de enkele grond dat het “horen van de genoemde verbalisanten zou neerkomen op het stellen van vragen omtrent hun waarnemingen, terwijl de mogelijkheden van waarneming niet zijn betwist”. In het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en mede in aanmerking genomen dat de camerabeelden - aan de hand waarvan die waarnemingen hadden kunnen worden getoetst - in het ongerede zijn geraakt, is dit oordeel van het Hof niet z.m. begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 263
Wetboek van Strafvordering 264
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0534
NJB 2015/2188
RvdW 2016/35
NBSTRAF 2016/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/05816

IV/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 14 november 2014, nummer 21/003244-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de afwijzing van het in hoger beroep door de verdediging gedane verzoek om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 29 september 2012 te Utrecht met anderen, in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het voetbalstadion Galgenwaard, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een steward, te weten [slachtoffer] en een andere deze [slachtoffer] te hulp geschoten steward, welk geweld bestond uit het meermalen stompen in het gezicht van [slachtoffer] en het trekken en schoppen tegen het lichaam van [slachtoffer] en/of die te hulp geschoten steward."

2.3.1.

Bij de stukken van het geding bevinden zich:

(i) een tijdig ingediende appelschriftuur van 17 juni 2014, die onder meer inhoudt:

"Vooruitlopend op het uitgewerkte vonnis verzoekt appellant in ieder geval om de navolgende getuigen te horen. Appellant geeft u hierbij in overweging om het dossier in handen te stellen van de raadsheer-commissaris;

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hoofdagenten van Politie regio Utrecht

Verbalisanten hebben belastend over appellant verklaard in het proces-verbaal van bevindingen. Appellant is door de politierechter in beslissende mate veroordeeld op dit proces-verbaal. Appellant ontkent het ten laste gelegde feit. Het proces-verbaal staat haaks op het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] . [verbalisant 3] verklaart niets over vastpakken, een worsteling en vuistslagen. Appellant wil de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de getuigen toetsen om de onbetrouwbaarheid en ongeloofwaardigheid van de door hen afgelegde verklaringen aan te tonen en daarmee tevens zijn eigen onschuld te bewijzen. Het horen van de getuigen is relevant voor het oordeel of het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. Appellant heeft een rechtens te respecteren belang bij het horen van de getuigen."

(ii) een emailbericht van de Advocaat-Generaal bij het Hof van 10 juli 2014, dat inhoudt:

"Geacht Hof,

Het verzoek tot het horen van getuigen in hoger beroep in opgemelde zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad (Hoge Raad 1 juli 2014).

(...)

Voor het overige dient het verzoek in beginsel te worden beoordeeld op basis van het verdedigingscriterium (HR RO 2.42).

Beoordeeld dient te worden of de verdediging bij afwijzing van de verzoeken redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Dat is alleen dan indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.

Gebleken is dat het van belang voor de verdediging kan zijn om de in het vooronderzoek afgelegde verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te toetsen op hun geloofwaardigheid dan wel betrouwbaarheid.

Het verzoek dient te worden toegewezen."

(iii) een emailbericht van het Hof van 31 juli 2014, dat inhoudt:

"Geachte heer Weldam, geachte advocaat-generaal,

(...)

De voorzitter ziet vooralsnog geen aanleiding om in uw verzoek tot het horen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te bewilligen. Desgewenst kunt u uw verzoek ter terechtzitting herhalen.

Gelet op uw verzoek acht de voorzitter het wel wenselijk dat de advocaat-generaal beziet of de camerabeelden beschikbaar zijn en indien dat het geval is, deze beelden aan het dossier worden toegevoegd.

De advocaat-generaal wordt verzocht het hof hierover te informeren."

2.3.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat bij e-mailbericht van 31 juli 2014 is aangegeven dat het hof het wenselijk acht dat de advocaat-generaal beziet of de camerabeelden beschikbaar zijn en, indien dit het geval is, dat deze aan het dossier worden toegevoegd. Door de politie is onderzoek gedaan naar de camerabeelden, maar gebleken is dat de camerabeelden zoek zijn.

(...)

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, die aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht."

2.3.3.

De hiervoor vermelde pleitnota houdt, voor zover hier van belang, in:

"Voorwaardelijk verzoek

Indien uw gerechtshof tot bewezen verklaring denkt te komen, verzoekt de verdediging uw gerechtshof om de agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen.

Belastend, tegenstrijdig met [verbalisant 3] , cliënt ontkent

De agenten verklaren belastend over cliënt. Cliënt is door de politierechter in beslissende mate veroordeeld op deze verklaring. Deze verklaring staat haaks op de verklaring van agent [verbalisant 3] . Cliënt ontkent het feit. Het belang van de verdediging om de getuigen te horen is hiermee volgens de verdediging reeds gegeven. Voor zover dit nochtans niet voldoende is, legt de verdediging het volgende aan haar verzoek ten grondslag.

1. Tegenstrijdige processen-verbaal

Er liggen twee processen-verbaal van bevindingen, waarvan vaststaat dat er maar 1 juist kan zijn. De verklaring van de agenten dat cliënt lange tijd in worsteling is geweest en daarbij heeft geslagen, verenigt zich niet met de verklaring van agent [verbalisant 3] dat cliënt mee wou doen maar het zover niet is gekomen.

2. Tegenstrijdige verklaringen jas

De agenten verklaren over een groene jas, agent [verbalisant 3] over een groene jas met capuchon en bontkraag en aangever [slachtoffer] over een licht gekleurd vest/jasje. De verklaring van de agenten is tegenstrijdig met de verklaring van agent [verbalisant 3] en van aangever [slachtoffer] .

3. Onduidelijkheid omtrent herkenning

Uit het proces-verbaal van de agenten blijkt niet door welke collega('s) [verdachte] zou zijn herkend. Evenmin blijkt op welk screen-shot van welk beeld van de camerabeelden de herkenning zou hebben plaatsgevonden.

De verdediging wil de agenten los van elkaar horen over:

- hun mogelijke bekendheid met cliënt,

- het verloop van het opsporingsonderzoek,

- de gesprekken met collega's over de herkenning,

- het beeldmateriaal dat gebruikt zou zijn bij de herkenning,

- de totstandkoming van de vermeende herkenning,

- de tegenstrijdige verklaring van agent [verbalisant 3] en

- de tegenstrijdige verklaringen over de jas.

Belang getuigenverhoor

De politierechter heeft de belastende verklaring van agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] geselecteerd voor het bewijs en cliënt daarop in beslissende mate veroordeeld. De verdediging stelt met het horen van de agenten aan te tonen dat er sprake is van een vals-positieve herkenning. Als de verdediging hierin slaagt, leidt dit zonder meer tot vrijspraak. Het verzoek sluit aan bij de bezwaren die in de appelschrifuur zijn ingebracht tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis. Het horen van de agenten is van belang voor de uit hoofde van artikel 350 Sv te nemen beslissing. Bij afwijzing van het verzoek wordt cliënt in zijn verdediging geschaad.

Ondervragingsrecht/Eerlijk proces

De verdediging stelt dat er geen goede reden is om het ondervragingsrecht te beperken. Het proces-verbaal van agenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zal bij selectie van beslissende betekenis zijn. Immers uit de verklaringen van aangever [slachtoffer] en [betrokkene] kan de betrokkenheid van cliënt op geen enkele wijze worden afgeleid. Enig steunbewijs in ander bewijsmateriaal ontbreekt. De verdediging wordt niet gecompenseerd voor het beperken van haar ondervragingsrecht. Dit leidt tot schending van cliënt zijn recht op een eerlijk proces ex artikel 6 lid 1 jo. lid 3 EVRM."

2.3.4.

Voormeld proces-verbaal houdt voorts onder meer het volgende in:

"De advocaat-generaal repliceert, zakelijk weergegeven: (...)

Verbalisant [verbalisant 3] heeft ter plekke de beelden van het gebeuren bekeken. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de beelden uitgebreider bekeken en hebben daar stills van gemaakt. Zij hebben die beelden op een rij gezet en in de marge keurig aangegeven wat erop te zien is. Ik stel mij op het standpunt dat het hof uitstekend in staat is om te beoordelen of de beschrijving van de verbalisanten overeenkomt met hetgeen op de stills te zien is. Ik acht het niet van belang om de verbalisanten te horen en verzet me daar dan ook tegen.

De raadsman van verdachte dupliceert, zakelijk, weergegeven:

(...)

Wie wat heeft gedaan, moet uit de beelden blijken. Die beelden zijn er niet meer. Uw hof heeft zelf ook aangegeven de beelden van belang te achten, maar ze zijn er niet meer. Als uw hof het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden gebruikt, dan wil de verdediging dat kunnen toetsen."

2.3.5.

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het in het middel bedoelde verzoek als volgt afgewezen:

"Verzoek horen verbalisanten

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk - indien het hof tot een bewezenverklaring zou denken te komen - verzocht tot het horen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen.

Het hof wijst dit verzoek af. Het horen van de genoemde verbalisanten zou neerkomen op het stellen van vragen omtrent hun waarnemingen, terwijl de mogelijkheden van waarneming niet zijn betwist. Het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] acht het hof daarom niet noodzakelijk. Dat hun waarnemingen voor een deel anders zijn dan die [verbalisant 3] maakt dit niet anders. Ook overigens acht het hof zich voldoende geïnformeerd."

2.4.

Uit het vorenstaande volgt dat een (subsidiair) verzoek is gedaan tot het horen van getuigen - welk verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat het Hof de verdachte niet zou vrijspreken van het tenlastegelegde - en dat de aan dit verzoek verbonden voorwaarde is vervuld.

2.5.

Het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.76 houdt omtrent de beoordeling van cassatieklachten over beslissingen inzake verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen onder meer het volgende in:

"Bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen gaat het uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen."

2.6.

Het verzoek van de verdediging strekt ertoe de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te horen over hun waarnemingen op de camerabeelden van de openlijke geweldpleging, alsmede over de tegenstrijdigheden tussen de door hen gerelateerde waarnemingen en die van verbalisant [verbalisant 3] . Het Hof heeft het verzoek afgewezen op de enkele grond dat het "horen van de genoemde verbalisanten zou neerkomen op het stellen van vragen omtrent hun waarnemingen, terwijl de mogelijkheden van waarneming niet zijn betwist". In het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en mede in aanmerking genomen dat de camerabeelden - aan de hand waarvan die waarnemingen hadden kunnen worden getoetst - in het ongerede zijn geraakt, is dit oordeel van het Hof niet zonder meer begrijpelijk.

2.7.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2015.