Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3336

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
20-11-2015
Zaaknummer
15/03543
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2276, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. BOPZ. Plicht tot verstrekken afschrift proces-verbaal mondelinge behandeling (art. 290 lid 2 Rv).

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 279
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2015/393
NJB 2015/2115
RvdW 2015/1268
RFR 2016/27
JVGGZ 2016/2 met annotatie van F.L.G. Geisel
JIN 2016/36 met annotatie van J. van Weerden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 november 2015

Eerste Kamer

15/03543

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

t e g e n

de OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
zetelende te Rotterdam,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C10/473758 FA RK 15-2777 van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2015.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van betrokkene heeft bij brief van 9 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Op 10 april 2015 heeft de officier van justitie verzocht om op de voet van de art. 15 e.v. Wet Bopz een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank heeft de machtiging verleend voor de periode tot 11 april 2016.

3.2

Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank niet heeft willen voldoen aan het herhaalde verzoek van de advocaat van betrokkene om afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling te verstrekken. Aan de advocaat is medegedeeld, aldus het onderdeel, dat processen-verbaal ingevolge beleidsafspraken slechts op verzoek van de Hoge Raad worden verstrekt. Aldus handelt de rechtbank volgens het onderdeel in strijd met het bepaalde in art. 290 lid 2 Rv, alsook met art. 5 EVRM.

Betrokkene heeft primair verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank met de uitdrukkelijke opdracht het proces-verbaal te verstrekken. Het subsidiaire verzoek strekt tot het mogen aanvullen van het cassatiemiddel zodra alsnog afschrift van het proces-verbaal is ontvangen.

3.3.1

Ingevolge art. 279 lid 4 Rv wordt van het ter mondelinge behandeling verhandelde en van de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen een proces-verbaal opgemaakt. Art. 290 lid 2 Rv bepaalt dat de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift van processen-verbaal verstrekt aan de verzoeker en aan de in de procedure verschenen belanghebbenden. Deze voorschriften strekken onder meer ertoe dat de verzoeker of een belanghebbende de inhoud van een proces-verbaal kan betrekken bij zijn beslissing of en, zo ja, op welke gronden hij een rechtsmiddel zal instellen. Dit brengt mee dat het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal niet afhankelijk mag worden gesteld van het al dan niet zijn ingesteld van een rechtsmiddel. Aan een verzoek tot afgifte van een proces-verbaal door een advocaat die verklaart daaraan behoefte te hebben omdat wordt overwogen een rechtsmiddel tegen de beslissing in te stellen, dient dan ook onverwijld te worden voldaan.

Aan voormelde voorschriften komt extra gewicht toe in zaken waarin de beslissing strekt tot vrijheidsbeneming (vgl. HR 14 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5193, NJ 1986/400).

3.3.2

In het aanvullend verzoekschrift heeft de advocaat van betrokkene vermeld dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 31 juli 2015 – daags na het verstrijken van de cassatietermijn – alsnog is verstrekt en heeft zij de gronden van het cassatiemiddel aangevuld. Nu betrokkene tot het indienen van dit aanvullend verzoekschrift is toegelaten, kan het onderdeel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 20 november 2015.