Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3329

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-11-2015
Datum publicatie
20-11-2015
Zaaknummer
14/02658
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1922, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1253, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Art. 4:4 lid 1 BW, art. 4:921 lid 2 (oud) BW. Rechtsgeldigheid bepaling in testament dat erfdeel wordt beperkt indien erfgenaam zich tegen testament of uitvoering daarvan verzet (“cautio Socini”). Uitoefening van een aan erfgenaam krachtens Boek 4 BW toekomende bevoegdheid. Misbruik van bevoegdheid. Wetsgeschiedenis, niet-ingevoerd art. 4.3.3.14b lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0364
PFR-Updates.nl 2015-0342
JWB 2015/391
RvdW 2015/1266
NJB 2015/2112
RN 2016/21
NJ 2016/168
FJR 2016/30.9

Uitspraak

20 november 2015

Eerste Kamer

14/02658

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3] ,
wonende te [woonplaats] , Oostenrijk,

EISERS tot cassatie, verweerders in het

voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

1. [verweerster 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDERS in cassatie, eisers in het

voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en [verweerders]

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 298760/HA ZA 08-72 van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2011;

b. het arrest in de zaak 200.090.376/01 van het gerechtshof Den Haag van 11 februari 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. [verweerders] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eisers] mede door mr. R.A. Woutering.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De advocaat van [eisers] heeft bij brief van 25 september 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [erflater] (hierna: erflater) heeft op 23 juni 1997 bij notariële akte verleden voor notaris mr. R.P. Kroes een uiterste wilsbeschikking (testament) gemaakt, waarbij hij zijn vier kinderen (thans eisers tot cassatie onder 2 en 3 en verweerders in cassatie), gezamenlijk en voor gelijke delen, tot zijn enige erfgenamen heeft benoemd.

  • -

    ii) Erflater heeft daarbij aan zijn echtgenote (thans eiseres tot cassatie onder 1) een keuzelegaat vermaakt, alsmede een vruchtgebruiklegaat over de rest van de nalatenschap. Als executeur heeft erflater bij zijn testament aangewezen mr. L.M.H.F.P. van Strien.

  • -

    iii) Het testament van erflater bevat - onder meer - de volgende bepaling:

“VI ERFSTELLING EN ALGEMENE BEPALINGEN

1. Ik benoem, onder last van voorschreven legaten, tot mijn enige erfgenamen mijn kinderen, gezamenlijk en voor gelijke delen.

(…)

4. Indien een van mijn kinderen zich tegen enige bepaling van dit testament of tegen de uitvoering daarvan verzet, beperk ik het erfdeel van dat kind uitdrukkelijk tot zijn wettelijk erfdeel (legitieme portie). Het tengevolge hiervan vrijkomende gedeelte van mijn nalatenschap zal toekomen aan mijn echtgenote, die ik voor dat gedeelte alsdan tot erfgename benoem.

(…)”.

  • -

    iv) Erflater is overleden op 20 februari 2004.

  • -

    v) Op 2 maart 2004 heeft verweerder in cassatie
    onder 2 zich tot de kantonrechter gewend met – onder meer – het verzoek de executeur op grond van gewichtige redenen te ontslaan. Bij verzoekschrift van 22 december 2004 heeft verweerster in cassatie onder 1 zich tot de kantonrechter gewend met het verzoek de executeur wegens gewichtige redenen te ontslaan. Partijen hebben vervolgens vergeefs getracht tot minnelijke regeling te komen. Uiteindelijk heeft de kantonrechter bij beschikking van 30 oktober 2007 de beide verzoeken tot ontslag van de executeur afgewezen.

  • -

    vi) Bij brief van 23 augustus 2007 heeft de executeur aan de erfgenamen voorgelegd een document ‘akte vaststelling deelgerechtigdheid inzake de nalatenschap van [erflater] , alsmede rekening en verantwoording executeur’. In dat document heeft de executeur ten laste van [verweerders] de inwerkingtreding van artikel VI onder 4 van het testament verwerkt en de gerechtigdheid van de deelgenoten berekend. Volgens die berekening waren [verweerders] gerechtigd tot (ieder) € 387.338,-- en eisers tot cassatie onder 2 en 3 tot (ieder) € 645.562,--.
    [eisers] kunnen zich in die berekening vinden. [verweerders] kunnen zich daarin niet vinden en hebben hun goedkeuring aan de akte onthouden.

  • -

    vii) In verband met de nalatenschap van erflater zijn bij gerechtelijke en tuchtrechtelijke instanties diverse procedures gevoerd.

3.2.1

[eisers] vorderen in dit geding onder meer een verklaring voor recht dat art. VI onder 4 van het testament jegens [verweerders] in vervulling is gegaan en van toepassing is. Zij hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat [verweerders] zich ongefundeerd en bij voortduring hebben verzet tegen het testament en de uitvoering daarvan. In hun verweer stellen [verweerders] zich onder meer op het standpunt dat een bepaling als opgenomen in art. VI onder 4 van het testament (door partijen en het hof ook aangeduid als de ‘cautio Socini’) naar het thans geldende erfrecht nietig is. Voorts hebben zij aangevoerd dat de door [eisers] in deze procedure aangevoerde gronden voor het inroepen van deze bepaling in strijd zijn met art. 4:4 lid 1 BW. Daarnaast betogen [verweerders] dat zij zich niet hebben verzet tegen het testament of de uitvoering daarvan, maar dat zij slechts gebruik hebben gemaakt van de door de wet aan hen toegekende bevoegdheden.

3.2.2

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe eerst de vraag aan de orde gesteld of de in art. VI onder 4 van het testament opgenomen bepaling wettelijk is toegestaan. Het hof heeft daarover geoordeeld dat de cautio Socini - in elk geval onder vigeur van het huidige erfrecht - een geldige rechtsfiguur is, onverminderd de mogelijkheid voor een erfgenaam gebruik te maken van de hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheden (rov. 19).

Vervolgens heeft het hof beoordeeld of de door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden aan de zijde van [verweerders] ertoe leiden dat de rechtsgevolgen van de in art. VI onder 4 van het testament opgenomen bepaling zijn ingetreden. Het hof heeft die vraag ontkennend beantwoord op de grond dat die feiten en omstandigheden ofwel zien op aan [verweerders] toekomende erfrechtelijke bevoegdheden, ofwel onvoldoende zijn onderbouwd. Van misbruik van erfrechtelijke bevoegdheden is volgens het hof niet gebleken. (rov. 57 onder verwijzing naar rov. 23-50)

3.3.1

Onderdeel 1 bevat klachten tegen de aan het oordeel van het hof ten grondslag liggende rechtsopvatting dat een bepaling als die welke in art. VI onder 4 is opgenomen (zie hiervoor onder 3.1 (iii)) in een testament weliswaar rechtsgeldig is, maar dat art. 4:4 lid 1 BW meebrengt dat de erfgenaam daarmee niet de vrijheid wordt ontnomen een hem toekomende erfrechtelijke bevoegdheid (zoals het indienen van een verzoek tot ontslag van de executeur of het beneficiair aanvaarden van de nalatenschap) uit te oefenen, behoudens in die gevallen waarin de erfgenaam zo een bevoegdheid uitoefent op een wijze die als misbruik van die bevoegdheid moet worden aangemerkt.

3.3.2

De rechtsopvatting van het hof is juist. Voor zover het middel een beroep doet op art. 4.3.3.14b lid 1 van het Gewijzigd Ontwerp voor Boek 4 BW is dat tevergeefs. In deze (niet ingevoerde) ontwerpbepaling was voor de cautio Socini een expliciete uitzondering gemaakt op de nietigheidsregel van art. 4:4 lid 1 BW (art. 4.1.3b). Deze uitzondering luidde: “Een erflater kan een uiterste wilsbeschikking ervan afhankelijk stellen, dat een legitimaris van een hem als zodanig toekomende bevoegdheid afstand doet.” Blijkens de parlementaire geschiedenis had de wetgever daarbij uitsluitend het oog op de clausule waarbij de erflater een making aan een legitimaris afhankelijk stelt van het al dan niet inroepen van zijn legitieme (zie de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 12 en 13). De voorgestelde wetsbepaling zag dus niet op clausules als de onderhavige, waarin een sanctie wordt gesteld op verzet tegen enige bepaling van het testament of tegen de uitvoering daarvan. Voor zover bedoeld verzet berust op de uitoefening van erfrechtelijke bevoegdheden stuit het inroepen van de sanctie dan ook af op het bepaalde in art. 4:4 lid 1 BW. Ook het oordeel van het hof dat dit slechts anders is indien dergelijke bevoegdheden worden misbruikt, is juist.

Het vorenstaande wordt niet anders door het ten tijde van het verlijden van het testament op 23 juni 1997 geldende recht. Ook het op dat moment geldende art. 4:921 lid 2 (oud) BW – waarvan de inhoud overeenkwam met het tot 1 januari 1992 geldende art. 1370 lid 2 (oud) BW – leidde immers tot nietigheid van rechtshandelingen die de strekking hadden een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om zijn erfrechtelijke bevoegdheden uit te oefenen (vgl. HR 25 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9070, NJ 1986/308, rov. 3.2).

3.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 390,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president E.J. Numann op 20 november 2015.