Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3325

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2015
Datum publicatie
19-11-2015
Zaaknummer
14/01668
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2269, Gevolgd
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2409, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Verblijfsontzetting, verwijderingsbevel, art. 172.3 Gemeentewet, art. 2:3 APV Utrecht 2010. Een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel a.b.i. art. 184 Sr? 2. Rechtmatig gegeven bevel? Ad 1. De HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:1742. De burgemeester heeft door het uitvaardigen van het Mandaatbesluit verblijfsontzeggingen kennelijk de hem in art. 172.3 Gemeentewet toegekende bevelsbevoegdheid uitgeoefend en gelet op de inhoud van dat besluit daarbij bepaald dat zijn bevel is gegeven voor de in art. 2:3 APV Utrecht 2010 nauwkeurig omschreven gevallen. Een krachtens het binnen aldus kenbaar gemaakte grenzen gegeven bevel van de burgemeester door een politieambtenaar gegeven verwijderingsbevel kan worden aangemerkt als een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel a.b.i. art. 184 Sr. Ad 2. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2002:AE2126: voor een veroordeling t.z.v. art. 184 Sr is vereist dat komt vast te staan dat van een rechtmatig bevel sprake is. Daarom kan niet worden aanvaard dat een verweer ter zake de rechtmatigheid van het gegeven bevel kan worden verworpen op de grond dat, nu geen gebruik is gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang, ervan moet worden uitgegaan dat het bevel zowel wat de wijze van totstandkomen als wat zijn inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften en algemene rechtsbeginselen Het Hof heeft dit miskend door te oordelen dat de omstandigheid dat verdachte geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de verblijfsontzegging meebrengt dat dit besluit voor de strafrechter is komen vast te staan en het Hof van de rechtmatigheid van het daarin gegeven bevel dient uit te gaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 184
Gemeentewet
Gemeentewet 172
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0516 met annotatie van P.A.M. Mevis
NBSTRAF 2016/6
NJB 2015/2118
RvdW 2015/1277
NJ 2016/84 met annotatie van N. Keijzer
AB 2016/331 met annotatie van J.G. Brouwer, C.E. Huls
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/01668

AGE/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 februari 2014, nummer 21/008010-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Advocaat-Generaal heeft dat standpunt in haar nadere conclusie gehandhaafd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verweer heeft verworpen dat de aan de verdachte uitgereikte verblijfsontzegging niet een rechtmatig, krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of vordering is als bedoeld in art. 184, eerste lid, Sr.

2.2.

Ten laste van de verdachte is - overeenkomstig de tenlastelegging - bewezenverklaard dat:

"hij op 26 april 2013 omstreeks 00.45 uur op de Voorstraat te Utrecht, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2:3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit van 11 september 2012, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door de Burgemeester van Utrecht, namens deze de Wijkteamchef Binnenstad van de politie Utrecht, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en die was belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd zich gedurende een termijn van een maand - ingaande 17 april 2013 te 20.45 uur - niet te begeven of te bevinden in: het gebied omsloten door en inclusief de Wittevrouwenstraat, Voorstraat, Jansveld, Lange Jansstraat, Potterstraat, Oudegracht, Zandbrug, Oudegracht, Weerdbrug,Bemuurde Weerd Oostzijde, Zwartewater, Gruttersdijk, Adelaarstraat, Koekoekstraat, Weerdsingel Oostzijde met inbegrip van de Vaaltbrug (gelegen ter hoogte van het Hooghiemstraplein), Wolvenstraat, Wolvenplein, Wittevrouwenkade, Lucasbolwerk met inbegrip van het plantsoen, Kloksteeg, Wittevrouwenstraat geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering."

2.3.

Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

"De raadsvrouwe heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat een verblijfsontzegging geen bevel of vordering is als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouwe heeft voorts bepleit dat de verblijfsontzegging geen stand kan houden omdat verdachte niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze hieromtrent kenbaar te maken en het besluit voor een te lange duur is genomen.

Het hof overweegt hieromtrent dat verdachte, indien hij van mening was dat het bestuursrechtelijke besluit geen stand kon houden, in bezwaar en eventueel daarna bij de bestuursrechter in beroep had moeten gaan om het besluit aan te vechten. Nu hij dit niet heeft gedaan is het besluit, de verblijfsontzegging, hiermee voor de strafrechter komen vast te staan en dient het hof uit te gaan van de rechtmatigheid van dat besluit. De verweren die erop gericht zijn dat het besluit geen stand kan houden worden hiermee verworpen.

Het verweer dat een verblijfsontzegging geen bevel of vordering is als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht wordt eveneens verworpen. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 2:3 van de APV Utrecht 2010 luidt:

"(...) 3. De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren. (...)

6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegde verblijfsontzegging".

In het Mandaatbesluit verblijfsontzeggingen Breedstraatbuurt/Bemuurde Weerd en omgeving is het volgende opgenomen:

"De burgemeester van Utrecht;

Gelet op de artikelen 10:1 tot en met 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2:3 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010:

Besluit:

I. De sectordirecteur Bestuurs- en concernzaken, alsmede een als zodanig benoemde plaatsvervanger, mandaat te verlenen tot het namens hem opleggen en ondertekenen van een verblijfsontzegging op grond van artikel 2:3 van de Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010 en het bijbehorende geldende aanwijzingsbesluit (...)

II. Aan de verlening van dit mandaat de volgende voorschriften te verbinden:

(...)

3. De sectordirecteur Bestuurs- en concernzaken kan het mandaat door middel van een ondermandaat verlenen aan de districtschef Utrecht Stad van de Politie Utrecht en aan diens als zodanig benoemde plaatsvervanger of waarnemer, de chef Wijkpolitie Utrecht Stad, de wijkteamchef Binnenstad en de wijkteamchef Noordoost, waarbij bevoegde instructies aan het ondermandaat dienen te worden verbonden. (...)"

De betreffende verblijfsontzegging is op 17 april 2013 getekend door de Wijkteamchef [betrokkene] .

Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat de Breedstraatbuurt/Bemuurde Weerd en omgeving gelegen is in de binnenstad van Utrecht en dat derhalve de chef van dit wijkteam de Wijkteamchef Binnenstad als bedoeld in het Mandaatbesluit is.

Uit het voorgaande blijkt dat de verblijfsontzegging die is opgelegd krachtens een wettelijk voorschrift, de APV Utrecht 2010, een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid bevat. Het hof is van oordeel dat hiermee dit besluit valt binnen het bereik van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht en dat verdachte door niet te voldoen aan de hem opgelegde verblijfsontzegging niet heeft voldaan aan een bevel of vordering krachtens artikel 2:3 van de APV Utrecht 2010 en het daarop gebaseerde van uitvoeringsbesluit 11 september 2012."

2.4.

Art. 2.3 APV Utrecht 2010 luidt:

"1. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen.

2. De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde.

3. De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren door:

a. handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:2, 2:22a, 2:27, eerste lid onder b, 2:28, 2:29, 2:45 artikel 3:17, eerste, tweede of negende lid van deze verordening;

b. het bezit, de handel of het gebruik van in de Opiumwet verboden middelen;

c. het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als steek- of slagwapen kunnen worden gebruikt;

d. diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere vermogensdelicten of

e. geweldpleging of bedreiging.

4. De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn waarvoor deze geldt.

5. De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven de verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken.

(...)"

2.5.

Ingevolge art. 172, derde lid, Gemeentewet is de burgemeester bevoegd aan personen bevelen te geven die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Een zodanig bevel is aan te merken als een wettelijk voorschrift in materiële zin. De burgemeester kan bij de uitvoering van dit bevel politieambtenaren betrekken, mits hij daarbij met voldoende nauwkeurigheid aangeeft in welke omstandigheden de politieambtenaren de door hem omschreven handelingen en beslissingen jegens individuele personen moeten nemen. De burgemeester heeft door het uitvaardigen van het Mandaatbesluit verblijfsontzeggingen Breedstraatbuurt/Bemuurde Weerd en omgeving (nummer 12.083648) kennelijk de hem in art. 172, derde lid, Gemeentewet toegekende bevelsbevoegdheid uitgeoefend en gelet op de inhoud van dat besluit daarbij bepaald dat zijn bevel is gegeven voor de in art. 2.3. van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht 2010 nauwkeurig omschreven gevallen. Het voorgaande brengt mee dat een krachtens het binnen aldus kenbaar gemaakte grenzen gegeven bevel van de burgemeester door een politieambtenaar gegeven verwijderingsbevel kan worden aangemerkt als een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel als bedoeld in art. 184 Sr. (Vgl. HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1742, NJ 2015/170.)

Voor zover het middel hierover klaagt, faalt het.

2.6.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Blijkens het besluit is de verblijfsontzegging opgelegd voor de duur van één maand.

Op grond van artikel 11 kan echter alleen een ontzegging voor de duur van een maand worden opgelegd als het besluit wordt genomen binnen een jaar na een eerdere ontzegging, in alle andere gevallen mag de ontzegging slechts voor de duur van een week worden opgelegd.

Er hebben twee eerdere incidenten plaatsgevonden maar nergens blijkt van een eerdere verblijfsontzegging. Er had dus ook maar een ontzegging voor de duur van een week mogen worden opgelegd. Op het moment dat cliënt werd aangehouden was die week al voorbij. Dat betekent dat hij niet in strijd met het besluit heeft gehandeld. Cliënt dient derhalve vrijgesproken te worden, nu geen sprake is van een bevel of vordering, dan wel het besluit geen stand kan houden en derhalve niet nageleefd hoeft te worden."

Het aangevoerde strekt onmiskenbaar ten betoge dat de verblijfsontzegging, wegens strijd met het daaraan ten grondslag liggende voorschrift, niet een rechtmatig bevel inhoudt.

2.7.

Bij een strafrechtelijke vervolging ter zake van art. 184 Sr dient de rechter niet alleen te onderzoeken of het in de tenlastelegging genoemde wettelijk voorschrift verbindend is, maar ook of het bevel rechtmatig is gegeven alsmede, indien ter zake verweer is gevoerd, van dat onderzoek te doen blijken en gemotiveerd op dat verweer te beslissen. Het gaat immers om bestanddelen van het in art. 184 Sr opgenomen misdrijf. Het voorgaande geldt ook indien tegen het desbetreffende bevel een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat of heeft opengestaan en de verdachte van deze rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt door een beroep op de bestuursrechter te doen. Voor een veroordeling is immers vereist dat komt vast te staan dat van een rechtmatig bevel sprake is. Daarom kan niet worden aanvaard dat, bij gebreke van het benutten door de verdachte van de bestuursrechtelijke rechtsgang, een verweer als hiervoor bedoeld kan worden verworpen op de grond dat, nu geen gebruik is gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang, ervan moet worden uitgegaan dat het bevel zowel wat de wijze van totstandkomen als wat zijn inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften en algemene rechtsbeginselen (vgl. HR 24 september 2002, ECLI: NL:HR:2002:AE2126, NJ 2003/80).

2.8.

Het Hof heeft het vorenstaande miskend door te oordelen dat de omstandigheid dat de verdachte geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de verblijfsontzegging meebrengt dat dit besluit voor de strafrechter is komen vast te staan en het Hof van de rechtmatigheid van het daarin gegeven bevel dient uit te gaan.

In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter- van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van d e waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2015.