Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3309

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2015
Datum publicatie
25-11-2015
Zaaknummer
13/04569
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2038
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:3400, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Mensenhandel, art. 273f.1 aanhef en onder 1,2 en 4 Sr. 1. Het oordeel van het Hof dat het in art. 273f.1 aanhef en onder 4, Sr omschreven feit alleen strafbaar is als het is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, mede in het licht van de door het Hof vermelde wetsgeschiedenis en in aanmerking genomen dat ook handelen in strijd met art. 273f.1 aanhef en onder 4, Sr wordt gekwalificeerd als mensenhandel. 2. Uitbuiting. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2009:BI7099 en voegt daaraan toe dat in geval van minderjarige s.o. de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het s.o. meerderjarig is. Het oordeel van het Hof dat dat het oogmerk van uitbuiting niet kan worden bewezen dan wel dat van uitbuiting geen sprake is geweest, is ontoereikend gemotiveerd. 3. Causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het besluit van de betrokkenen om drugs te smokkelen. Het oordeel van het Hof is niet z.m. begrijpelijk, nu de enkele vaststellingen dat de betrokkenen zich bewust waren dat zij enig risico liepen en dat de beloning voor hen de doorslaggevende factor was, niet z.m. meebrengen dat van het werven door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie geen sprake is geweest. Cassatie verdachte. Medeplegen van uitlokking. 1. HR: een in het vooruitzicht gestelde en daadwerkelijk ook gegeven beloning kan niet tegelijkertijd worden aangemerkt als zowel een belofte als een gift waardoor het feit is uitgelokt (vgl. ECLI:NL:HR:1973:AB6110). HR spreekt om redenen van doelmatigheid verdachte alsnog vrij van het tenlastegelegde onderdeel gift(en) en de daaraan gegeven nadere omschrijving. 2. HR: de opvatting dat een medepleger van uitlokking d.m.v. meerdere uitlokkingshandelingen uitvoeringshandelingen t.a.v. elke uitlokkingshandeling moet hebben verricht, vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 273f
Opiumwet
Opiumwet 1
Opiumwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0541
NBSTRAF 2016/11
RvdW 2016/121
NJB 2015/2186
NJ 2016/313 met annotatie van P.H.P.H.M.C. van Kempen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 november 2015

Strafkamer

nr. S 13/04569

EC/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 september 2013, nummer 22/001290-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1 Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en de Advocaat-Generaal bij het Hof.

Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte heeft het door de Advocaat-Generaal bij het Hof ingestelde beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de vrijspraken van het onder 1 en 3 tenlastegelegde betreft en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede namens de verdachte voorgestelde middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring wat betreft het "medeplegen van uitlokking" ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

" [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] in de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), zijnde een middel als bedoeld in de bij de wet behorende lijst II,

welk bovenomschreven strafbaar feit verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededaders, in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 in Nederland door gift(en) en belofte(n) en door het verschaffen van gelegenheid en middelen te weten het

- betalen van vliegtickets voor [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] , en verschaffen van onderdak in Marokko aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en

- [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] beloven van een geldbedrag voor het vervoer van verdovende middelen naar Nederland en

- voor de aanschaf van paspoorten van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] betalen en

- bij terugkeer in Nederland een geldbedrag aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] overhandigen, opzettelijk heeft uitgelokt."

3.2.2.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "medeplegen van door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen opzettelijk uitlokken van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd".

3.3.1.

Voor zover het middel klaagt dat ten onrechte is bewezenverklaard dat de verdachte en haar medeverdachten het in de bewezenverklaring omschreven strafbare feit door zowel "gift(en)" als "belofte(n)" hebben uitgelokt, is het terecht voorgesteld. Immers, een in het vooruitzicht gestelde en daadwerkelijk ook gegeven beloning kan niet tegelijkertijd worden aangemerkt als zowel een belofte als een gift waardoor het feit is uitgelokt. (Vgl. HR 27 maart 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB6110, NJ 1973/248.)

3.3.2.

De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid de verdachte alsnog vrijspreken van het tenlastegelegde onderdeel "gift(en)" en de daaraan gegeven nadere omschrijving "bij terugkeer in Nederland een geldbedrag aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] overhandigen". Voor terugwijzing of verwijzing van de zaak voor een nieuwe behandeling bestaat onvoldoende grond, aangezien door deze vrijspraak de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast.

3.4.

Het middel steunt blijkens de toelichting voorts kennelijk op de opvatting dat een medepleger van uitlokking door middel van meerdere uitlokkingshandelingen uitvoeringshandelingen ten aanzien van elke uitlokkingshandeling moet hebben verricht. Die opvatting vindt in haar algemeenheid echter geen steun in het recht. In zoverre faalt het middel.

3.5.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof voorgestelde middel

4.1.

Het middel komt met diverse klachten op tegen de door het Hof gegeven vrijspraak van het aan de verdachte onder 1 en 3 tenlastegelegde.

4.2.1.

Aan de verdachte is - voor zover in cassatie van belang - tenlastegelegd dat:

"1.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 14 juli 2008 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of terwijl [betrokkene 1] en/of [betrokkene 3] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft/hebben bereikt en/of terwijl hij/zij (telkens) wist/wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, bestaande die uitbuiting en/of bestaande die/dat dwang, geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding dan wel misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over en ander of anderen heeft uit het

- benaderen van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] met het verzoek verdovende middelen vanuit Marokko naar Nederland te vervoeren, terwijl hij/zij wist(en) dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] licht verstandelijk gehandicapt/verstandelijk beperkt is/zijn en/of die [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] zich in een problematische thuissituatie bevonden en/of

- betalen van (een)(retour)vliegticket(s) naar Marokko en/of (een) hotelovernachting(en) in Marokko voor [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] , althans het verschaffen en/of regelen van onderdak in Marokko voor [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of

- beloven van (een) geldbedrag(en) aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] voor het vervoer van verdovende middelen vanuit Marokko naar Nederland en/of

- [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] meedelen dat beveiligingsmedewerkers op (een) luchthaven(s) waren omgekocht waardoor het vervoer van verdovende middelen naar Nederland probleemloos zou verlopen en/of

- betalen voor de aanschaf van een/de paspoort(en) van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of

- overhandigen van (een) geldbedrag(en) aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] bij terugkeer in Nederland en/of na overhandiging en/of in ontvangstneming van die verdovende middelen;

3.

zij in of omstreeks de periode van 01 maart 2008 tot en met 11 juli 2008 te 's-Gravenhage en/of Wateringen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of terwijl [betrokkene 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt en/of terwijl hij/zij wist/wisten of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, bestaande die/dat dwang geweld of een andere feitelijkheid of dreiging met geweld of een nadere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding dan wel misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een of meerdere perso(o)n(en) te verkrijgen die zeggenschap over een ander of anderen heeft en/of bestaande die/dat uitbuiting uit het

- (telefonisch) benaderen van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of

- (vervolgens) [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] vragen of zij bereid zou(den) zijn naar Brazilië te gaan om verdovende middelen vanuit Brazilië naar Nederland te vervoeren en/of

- (met [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ) naar een reisbureau gaan en/of

- boeken en/of (aan)betalen van twee, althans een ticket(s) naar Brazilië voor [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ."

4.2.2.

Het Hof heeft de vrijspraken van de verdachte als volgt gemotiveerd:

"De verdenking tegen de verdachte, zoals onder 1 en 3 ten laste gelegd, komt er - kort weergegeven - op neer dat de verdachte zich in de periode van 1 maart 2008 tot 14 juli 2008 meermalen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel, zoals strafbaar gesteld in artikel 273f, eerste lid, onder 1, 2 en 4, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

(...)

Het hof overweegt hierover als volgt.

Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr.

Het vierde onderdeel van artikel 273f, eerste lid, Sr is overgenomen uit artikel 250a (oud) Sr. Het eerste onderdeel van het eerste lid van dat, inmiddels vervallen, artikel zag aanvankelijk alleen op prostitutie, maar is later uitgebreid naar overige vormen van seksuele dienstverlening. Uitbuiting wordt in dergelijke gevallen verondersteld.

Bij Wet van 9 december 2004, Stb. 645, die op 1 januari 2005 in werking is getreden, is een aantal internationale instrumenten betreffende mensenhandel geïmplementeerd in het Wetboek van Strafrecht. Deze internationale instrumenten gaan uit van een ruime omschrijving van mensenhandel, en hebben niet alleen betrekking op seksuele uitbuiting. De wetgever heeft er bij die gelegenheid voor gekozen om alle vormen van mensenhandel op te nemen in één strafbepaling (Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 13 en Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 7, p. 6) en om artikel 250a (oud) Sr in die bepaling te incorporeren, en voorts het nieuwe artikel te plaatsen in de titel betreffende misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Door een latere vernummering betreft dit thans artikel 273f Sr. Bij de genoemde gelegenheid heeft de wetgever mensenhandel in de memorie van toelichting als volgt omschreven (Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 2):

"Mensenhandel is kort gezegd het dwingen - in ruime zin - van mensen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (seksuele) diensten of om eigen organen beschikbaar te stellen (...) Mensenhandel is (gericht op) uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De staat dient strafrechtelijke bescherming te bieden tegen aantasting van recht op die integriteit en vrijheid."

Uit de memorie van toelichting kan worden afgeleid, voor zover hier van belang, dat (onder meer) het eerste en tweede onderdeel van artikel 273f, eerste lid, Sr implementatie betreffen van de bedoelde internationale instrumenten. In het vierde onderdeel is de inhoud van het eerste onderdeel van artikel 250a, eerste lid, (oud) Sr gehandhaafd en uitgebreid tot alle vormen van arbeid en diensten in het algemeen; het betreft dus niet langer alleen seksuele dienstverlening. Hoewel de bedoelde internationale instrumenten de wetgever ertoe inspireerden het vierde onderdeel op deze wijze uit te breiden, heeft dat onderdeel niettemin primair een nationale achtergrond. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 18) is ingegaan op het verschil tussen het eerste en vierde onderdeel:

"De omschrijving van mensenhandel in het protocol en het kaderbesluit is anders opgebouwd dan de omschrijving van seksuele uitbuiting in artikel 250a, eerste lid, onderdeel 1. Dit onderdeel ziet op het met bepaalde middelen dwingen of bewegen van een persoon tot het zich beschikbaar stellen tot seksuele dienstverlening. De redactie van deze bepaling heeft primair het oog op de uitbuiting. De omschrijving van mensenhandel in de beide instrumenten heeft primair betrekking op de activiteit van mensenhandel. Deze activiteiten zijn gericht op de verwezenlijking van het einddoel, de uitbuiting of verwijdering van organen. (...) Voorgesteld wordt om in artikel 273a, eerste lid, onderdeel 1°, de systematiek die in de beide instrumenten is gehanteerd, over te nemen. (...) In onderdeel 4° is in gewijzigde vorm onderdeel 1° van artikel 250a, eerste lid, overgenomen."

Uit deze wetsgeschiedenis kan naar het oordeel van het hof het volgende worden afgeleid. Bij overneming van de inhoud van het eerste onderdeel van artikel 250a, eerste lid, (oud) Sr in het hier besproken vierde onderdeel, is de daarin vervatte strafbepaling uitgebreid van seksuele dienstverlening naar alle vormen van het verrichten van arbeid en diensten. De reden van deze uitbreiding is dat ook bij het verrichten van andere activiteiten dan seksuele dienstverlening sprake kan zijn van uitbuiting. Niet blijkt dat de wetgever afstand heeft willen nemen van de strekking en context van deze bepaling. Ook bij die andere diensten en arbeid is uitbuiting verondersteld.

Deze lezing wordt bevestigd in de hierboven genoemde memorie van toelichting, waaruit kan worden afgeleid dat het vierde onderdeel in de ogen van de wetgever "primair het oog (heeft) op de uitbuiting". Het was om deze reden dat de wetgever meende dat de internationale instrumenten die verplichten tot strafbaarstelling van bepaalde handelingen "met het oogmerk van uitbuiting", separaat, in het eerste onderdeel, moesten worden geïmplementeerd. Daar komt bij dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, het vierde onderdeel deel uitmaakt van een reeks van onderdelen in het eerste lid waarin verschillende vormen van mensenhandel worden strafbaar gesteld, en waarbij in het tweede lid wordt aangegeven dat "uitbuiting" ten minste de in het tweede lid omschreven gevallen omvat. Deze wetssystematiek wijst niet in de richting van een opvatting waarbij aan het vierde onderdeel niet een veronderstelling van uitbuiting ten grondslag ligt.

Een andere opvatting zou bovendien tot ongerijmde resultaten leiden. In de vakliteratuur is erop gewezen dat naar de letter van het vierde onderdeel ook "eetpiraten" die door misleiding horecapersoneel ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten aan de eetpiraat, schuldig zouden kunnen worden verklaard aan mensenhandel (NLR, supplement 137, artikel 273f, aantekening 6). In het licht van de hierboven bedoelde wetsgeschiedenis kan dat nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

Om deze redenen is het hof, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat het in het vierde onderdeel omschreven feit alleen strafbaar is als het is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.

In het licht van het voorgaande ligt thans de door het hof te beantwoorden vraag voor, of in de onderhavige zaak uitbuiting kan worden verondersteld (vierde onderdeel), dan wel kan worden gesproken van een oogmerk van uitbuiting (eerste en tweede onderdeel).

In artikel 273f, tweede lid, Sr staat omschreven welke gedragingen ten minste onder het begrip uitbuiting moeten worden begrepen. De wetgever heeft deze definitie als volgt toegelicht: (Kamerstukken II, 2003/04, 29 291, nr. 3)

"Uitbuiting bestaat ten minste uit een aantal met name genoemde vormen van uitbuiting; de uitbuiting van een ander in de prostitutie of andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken. Dat zijn alle vormen van moderne slavernij. Daarbij kan worden gedacht aan tewerkstelling onder dwang of het maken van misbruik van een afhankelijke positie van een persoon die onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken."

Bij de beantwoording van de vraag of in casu uitbuiting kan worden verondersteld, is naar het oordeel van het hof van belang of kan worden vastgesteld dat de wil van de betrokken meisjes door de verdachte en/of haar medeverdachten zodanig was beïnvloed dat zij niet of slechts in aanzienlijk verminderde mate de mogelijkheid hadden een vrije keuze te maken met betrekking tot de invoer van hasj in Nederland.

Het hof stelt vast dat uit de verschillende verklaringen die [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 5] en [betrokkene 4] hebben afgelegd, niet blijkt dat zij op enigerlei wijze in een afhankelijke positie verkeerden; zij waren geen illegalen, in tegendeel, zij verbleven ten tijde van het ten laste gelegde in Nederland, hun eigen land, zij hadden geen schulden bij de verdachte of haar medeverdachten - en trouwens evenmin bij anderen -, zij waren geen van allen dakloos of op een andere wijze in een situatie geraakt waardoor zij afhankelijk waren van de verdachte en/of haar medeverdachten, laat staan dat zij zich in een uitzichtloze situatie bevonden. Zij konden zich, desgewenst, tot anderen wenden voor advies.

Voorts blijkt uit deze verklaringen dat zij uiteindelijk hebben ingestemd met het verzoek van de verdachte en haar medeverdachten om drugs te smokkelen omdat zij daar geld voor zouden krijgen. Tevens blijkt uit de verklaringen van [betrokkene 3] dat het in begin mei 2008 op een zeer laat moment weigeren het al afgesproken drugstransport uit te voeren voor haar en [betrokkene 4] geen (nadelige) gevolgen heeft gehad, hoewel de tickets al gekocht waren en het huis in Marokko ook geregeld was.

Uit de verklaringen die de genoemde meisjes hebben afgelegd, is voorts naar het oordeel van het hof niet op te maken dat zij geen inzicht hadden in het strafbare karakter van drugssmokkel en in de persoonlijke risico's die zij als gevolg daarvan liepen. Dat de verdachte en haar medeverdachten de meisjes hebben verteld dat de douane was omgekocht en de tassen waarin de drugs dienden te worden gesmokkeld, waren geprepareerd, doet hier naar het oordeel van het hof, om hieronder nog aan te geven redenen, niet aan af.

Dat de genoemde meisjes relatief gemakkelijk beïnvloedbaar waren, acht het hof aannemelijk; zo functioneerde [betrokkene 2] op laagbegaafd niveau en was bij de verdachte en/of haar medeverdachten bekend dat de privésituatie van de andere meisjes ten tijde van de ten laste gelegde feiten niet florissant te noemen was. Dit acht het hof echter onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat genoemde meisjes als gevolg van deze persoonlijke situaties dusdanig kwetsbaar zijn te achten dat zij in redelijkheid niet of nauwelijks de mogelijkheid hadden een vrije keuze te maken met betrekking tot het verzoek tot drugssmokkel. De genoemde meisjes stemden uiteindelijk zelf in met het verzoek om hasj in Nederland in te voeren, waarbij voor hen aan de in het vooruitzicht gestelde geldelijke beloning doorslaggevende betekenis toekwam. De verzoeken van de verdachte en haar medeverdachten droegen kennelijk een grote mate van vrijblijvendheid in zich, zelfs nog nadat daarmee was ingestemd en de tickets naar Marokko al waren gekocht.

Dit leidt het hof tot het oordeel dat van een afhankelijke situatie waarin de meisjes in redelijkheid niet of nauwelijks keuzevrijheid/wilsvrijheid hadden geen sprake was. Zelfs een situatie, waarin de keuzevrijheid/wilsvrijheid van de meisjes in substantiële mate beperkt was, is niet aannemelijk geworden. Gelet hierop is van uitbuiting geen sprake geweest.

Reeds om deze reden dient de verdachte van het onder 1 en 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, voor zover dit betrekking heeft op het in het vierde onderdeel van artikel 273f, eerste lid, Sr strafbaar gestelde feit. Datzelfde geldt voor het onder 1 en 3 ten laste gelegde, voor zover dit betrekking heeft op het in het eerste en tweede onderdeel van artikel 273f, eerste lid, Sr strafbaar gestelde feit. Voor strafbaarheid inzake die onderdelen dient de dader te hebben gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dat oogmerk niet kan worden bewezen. Van het ontbreken of zelfs maar het in verminderde mate bestaan van de mogelijkheid om een vrije keuze te maken, was bij de meisjes naar het oordeel van het hof geen sprake; dan kan ook niet worden gezegd dat de verdachte en haar medeverdachten hen doelbewust hebben willen uitbuiten, in de betekenis die daaraan moet worden gehecht, of zodanige uitbuiting als een noodzakelijk en dus door hen gewild gevolg van hun handelen zagen. Dat aannemelijk is geworden dat de verdachte en haar medeverdachten "beïnvloedbare meisjes" zochten, maakt dit naar het oordeel van het hof niet anders. Een en ander geldt voor zowel de meerderjarige als voor de minderjarige meisjes.

Ten aanzien van de meerderjarige meisjes [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] overweegt het hof voorts als volgt. Voor strafbaarheid onder het eerste onderdeel van artikel 273f, eerste lid, Sr moet sprake zijn van handelen (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen) door een of meer van de in dat onderdeel genoemde "dwangmiddelen". Voor strafbaarheid onder het vierde onderdeel is eveneens vereist dat een dwangmiddel als omschreven in het eerste onderdeel, is ingezet en dat dit van doorslaggevende betekenis was. Evenals de rechtbank zal het hof zich bij de beoordeling hiervan beperken tot de vraag of sprake is geweest van het werven door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie, aangezien ook ter terechtzitting in hoger beroep, ook gelet op het daarover door de advocaat-generaal ingenomen standpunt, is gebleken dat de verdenking jegens de verdachte specifiek op die gedraging en die twee dwangmiddelen ziet en ook de verdediging zich met name op die verdenking heeft gericht. Ook overigens is uit het dossier noch uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat sprake zou zijn geweest van andere handelingen en dwangmiddelen.

Voor bewijs van het door misbruik handelen is toereikend dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de kwetsbare positie van het slachtoffer, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die kwetsbare positie bij de dader aanwezig moet zijn (HR 27 oktober 2009, LJN: BI7099, NJ 2010/598).

Het hof is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de genoemde meerderjarige meisjes door misleiding, dan wel door misbruik te maken van een kwetsbare positie heeft geworven voor het smokkelen van drugs, nu niet is gebleken dat de meisjes daardoor als gevolg van de handelwijze van de verdachte en haar medeverdachten zijn bewogen tot de smokkel van drugs.

Het hof overweegt hiertoe dat is gebleken dat een zekere mate van misleiding aanwezig was; de verdachte en haar medeverdachten hebben de genoemde meisjes tijdens de gesprekken die zij met hen voerden, verteld dat de douane was omgekocht, dat de koffers waarin de drugs zouden worden vervoerd zouden zijn geprepareerd en dat, als zij zouden worden gesnapt, een advocaat zou worden geregeld. Het hof is echter van oordeel dat deze mededelingen, hoewel deze in zekere mate hebben bijgedragen tot de uiteindelijk genomen beslissing van de genoemde meisjes om op instigatie van de verdachte en haar medeverdachten drugs te smokkelen, daartoe niet doorslaggevend waren. Zoals reeds overwogen blijkt uit de verklaringen van de genoemde meisjes dat zij in vrijheid hebben ingestemd met de drugssmokkel, op de hoogte waren van het strafbare karakter van hun handelen, en dat zij uiteindelijk hebben ingestemd met het verzoek drugs te smokkelen omdat zij daarvoor geld zouden krijgen. Van - in rechte relevante - misleiding, dan wel misbruik van de kwetsbare positie, zoals bedoeld in het eerste onderdeel kan in casu niet worden gesproken.

Weliswaar hebben de verdachte en haar medeverdachten de risico's van het smokkelen van drugs tegenover de genoemde meisjes (sterk) gerelativeerd, maar het hof acht niet aannemelijk dat sprake is geweest van een zodanige misleiding dat de meisjes daardoor tot het smokkelen van drugs zijn bewogen. Het hof leidt uit de verklaringen van de meisjes af enerzijds dat zij zich ervan bewust waren dat zij enig risico liepen en anderzijds dat de in het vooruitzicht gestelde beloning voor deze meisjes de doorslaggevende factor was voor hun besluit om drugs te smokkelen.

Ten slotte merkt het hof ten aanzien van het ten laste gelegde onder 3 nog op dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de omstandigheden die in de feitelijke omschrijving van de tenlastelegging zijn verwoord, noch uitbuiting noch een oogmerk van uitbuiting noch een dwangmiddel als hierboven bedoeld, kunnen opleveren.

Gelet op het voorgaande zal het hof de verdachte vrijspreken van het haar onder 1 en 3 ten laste gelegde."

4.2.3.

Art. 273f Sr, waarop de tenlastelegging is toegesneden, luidde in de tenlastegelegde periode:

"1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

1° degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

2° degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

3° (...)

4° degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;

(...)

2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.

(...)"

4.3.1.

Het middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het Hof "dat het in het vierde onderdeel omschreven feit alleen strafbaar is als het is begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld".

4.3.2.

Mede in het licht van de door het Hof vermelde wetsgeschiedenis en in aanmerking genomen dat ook handelen in strijd met art. 273f, eerste lid aanhef en onder 4º, Sr wordt gekwalificeerd als 'mensenhandel', getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting.

4.3.3.

In zoverre faalt het middel.

4.4.1.

Het middel klaagt in de tweede plaats over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat het oogmerk van uitbuiting niet kan worden bewezen dan wel dat van uitbuiting geen sprake is geweest.

4.4.2.

Bij de beoordeling van deze klacht dient te worden vooropgesteld dat het in art. 273f, eerste lid, Sr voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting in de wet niet is gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder "gedwongen of verplichte arbeid of diensten". Met ingang van 15 november 2013 is hieraan - voor zover hier van belang - ten behoeve van de duidelijkheid toegevoegd "met inbegrip van (...) uitbuiting van strafbare activiteiten". (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 309, nr. 3, p. 15)

De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald. (Vgl. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, rov. 2.6.1.) Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is.

4.4.3.

Het Hof heeft het antwoord op de vraag of sprake is van uitbuiting, uitsluitend laten afhangen van de mate waarin betrokkenen de mogelijkheid hadden een vrije keuze te maken met betrekking tot de invoer van de verdovende middelen in Nederland. Door overige factoren, zoals het eventuele economische voordeel voor de verdachte en haar medeverdachten, niet te betrekken bij de vraag of sprake is van uitbuiting, en door voorts ten aanzien van de mate van keuzevrijheid geen onderscheid te maken tussen de minderjarige en de meerderjarige betrokkenen, heeft het Hof zijn oordeel dat het oogmerk van uitbuiting niet kan worden bewezen dan wel dat van uitbuiting geen sprake is geweest, ontoereikend gemotiveerd.

4.4.4.

De tweede klacht is terecht voorgesteld.

4.5.1.

In de derde plaats klaagt het middel over het oordeel van het Hof over het ontbreken van voldoende causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het besluit van de betrokkenen om drugs te smokkelen.

4.5.2.

Het Hof heeft in dit verband overwogen dat in het onderhavige geval in het bijzonder beoordeeld moet worden of sprake is geweest van het werven "door misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie". Het heeft vervolgens op basis van zijn vaststellingen geoordeeld dat de mededelingen van de verdachte en de medeverdachten weliswaar in zekere mate hebben bijgedragen aan de uiteindelijk genomen beslissing van de betrokkenen om drugs te smokkelen doch dat die mededelingen daartoe niet doorslaggevend waren. Concluderend heeft het Hof niet aannemelijk geoordeeld dat sprake is geweest van een zodanige misleiding dat de betrokkenen daardoor tot het smokkelen zijn bewogen nu het Hof uit de verklaringen van de betrokkenen enerzijds afleidt dat zij zich ervan bewust waren enig risico te lopen en anderzijds dat de in het vooruitzicht gestelde beloning voor deze betrokkenen de doorslaggevende factor was voor hun besluit om drugs te smokkelen.

4.5.3.

Het oordeel van het Hof is niet zonder meer begrijpelijk, nu de enkele vaststellingen dat de betrokkenen zich bewust waren dat zij enig risico liepen en dat de beloning voor hen de doorslaggevende factor was, niet zonder meer meebrengen dat van het werven "door" misleiding en/of misbruik van een kwetsbare positie geen sprake is geweest.

4.5.4.

Ook de derde klacht is terecht voorgesteld.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het derde namens de verdachte voorgestelde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft:

- de beslissingen ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde,

- de bewezenverklaring van de hiervoor onder 3.2.2 bedoelde onderdelen van het onder 2 primair tenlastegelegde,

- en de strafoplegging;

spreekt de verdachte vrij van bovengenoemde onderdelen van het onder 2 primair tenlastegelegde;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde en de strafoplegging op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2015.