Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:33

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2015
Datum publicatie
09-01-2015
Zaaknummer
14/00986
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1895, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:234, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 96 Wfsv en art. 5.4 Regeling Wfsv; kan uitzendbureau (sector 52) dat personeel hoofdzakelijk uitzendt naar bedrijven in de sector Gezondheid (sector 35) om die reden aanspraak maken op concernaansluiting en zodoende ook zelf in sector 35 terechtkomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2015/4.16 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2015/38
BNB 2015/88 met annotatie van A.L. Mertens
FutD 2015-0070
NTFR 2015/358 met annotatie van mr. J.D. Schouten
NTFR 2016/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 januari 2015

nr. 14/00986

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V., B.V. [B] en [A] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbenden) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2014, nrs. 13/00533 en 13/00534, betreffende de afwijzing van een aanvraag om aansluiting bij een sector als bedoeld in artikel 96 Wet financiering sociale verzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Het geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbenden hebben de zaak mondeling doen toelichten door mr. J.A. Booij, advocaat te Amsterdam.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 30 september 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbenden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbenden vormen tezamen met een aantal andere vennootschappen een economische of organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 5.4 van de Regeling Wfsv.

2.1.2.

[B] B.V. (hierna: [B]) is een uitzendbureau dat haar personeel nagenoeg uitsluitend naar bedrijven in de gezondheidszorg uitzendt, doorgaans met een uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691, lid 2, BW. [A] B.V. (hierna: [A]) is een uitzendbureau dat personeel naar diverse sectoren uitzendt, meestal zonder een zodanig uitzendbeding.

2.1.3.

[X] B.V. is tezamen met andere vennootschappen krachtens de Wet financiering sociale verzekering (hierna: Wfsv) ingedeeld in sector 35 (Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen). [A] en [B] zijn beide ingedeeld in sector 52 (Uitzendbedrijven), [A] op grond van onderdeel 52, lid 4, Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv en [B] omdat zij doorgaans het uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691, lid 2, BW hanteert (onderdeel 52, lid 1, Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv).

2.1.4.

Bij brief van 13 december 2012 hebben belanghebbenden de Inspecteur verzocht [A] (met ingang van 1 januari 2010) en [B] (met ingang van 13 september 2010) met toepassing van de Regeling Wfsv in de concernaansluiting van [X] B.V. en een aantal andere vennootschappen te betrekken, opdat ook [A] en [B] worden ingedeeld in sector 35.

Bij beschikking van 30 januari 2013 heeft de Inspecteur de gevraagde aansluitingen geweigerd.

2.1.5.

Tegen de weigering van de Inspecteur hebben belanghebbenden met instemming van de Inspecteur rechtstreeks beroep ingesteld.

2.2.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe overwoog het Hof dat de omstandigheid dat de werknemers van [B] worden uitgezonden naar bedrijven in de vaksector Gezondheid niet tot gevolg heeft dat ook de bedrijvigheid van [B] op het terrein van de gezondheid, geestelijke en maatschappelijke belangen is gelegen. De bedrijfsuitoefening van [B] is immers het drijven van een uitzendbureau, aldus het Hof.

Voorts heeft het Hof uit de bewoordingen van onderdeel 52, lid 5, van Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv en van artikel 5.4 van de Regeling Wfsv afgeleid dat de Inspecteur niet verplicht is een verzoek om indeling van een uitzendbureau bij een andere sector, respectievelijk een verzoek om concernaansluiting van een uitzendbureau in te willigen.

2.3.1.

Het eerste middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat uitzending van werknemers naar bedrijven in de gezondheidszorg niet meebrengt dat de bedrijvigheid van [B] op het terrein van de gezondheidszorg ligt.

2.3.2.

Bij de beoordeling van dit middel moet uitgangspunt zijn dat de in artikel 95 Wfsv voorgeschreven sectorindeling voortkomt uit de wens van de wetgever om vermijdbare werkloosheid terug te dringen door middel van premiedifferentiatie (vgl. Kamerstukken II, 2003/2004, 29 529, nr. 3, p. 33). De wetgever is daarbij ervan uitgegaan dat de mate waarin een beroep wordt gedaan op werkloosheidsvoorzieningen per sector verschilt.

Zoals blijkt uit onderdeel 52 van Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv is voor de sectorindeling van uitzendbureaus niet de aard van de werkzaamheden, maar de aard van de met de werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten bepalend. Het moet ervoor gehouden worden dat naar het inzicht van de regelgever de aard van die arbeidsovereenkomsten een zodanige invloed heeft op de kans dat werknemers van uitzendbedrijven werkloos zullen worden, dat daardoor indeling in deze sector geboden is ongeacht de aard van de verrichte werkzaamheden. Dit wordt niet anders als een uitzendbeding als hiervoor in 2.1.2 bedoeld van toepassing is.

Het voorgaande wordt bevestigd door de toelichting op het Besluit indeling uitzendbedrijven (Besluit van 2 maart 2000, nr. SV/UB/00/06122, Stcrt. 2000, 49). Daarin is opgemerkt dat concernaansluiting van uitzendbedrijven bij een vaksector in beginsel niet aangewezen is. Weliswaar is dit Besluit bij het van kracht worden van de Regeling Wfsv vervallen, maar op de gronden vermeld in de onderdelen 5.7 tot en met 5.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, is de zojuist genoemde toelichting op het Besluit ook van belang voor de toepassing van de thans geldende regeling voor indeling van uitzendbedrijven.

2.3.3.

Het door het eerste middel bestreden oordeel is gelet op het voorgaande juist. Het middel faalt.

2.4.1.

Het tweede middel komt onder meer op tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur niet verplicht was de door belanghebbenden gedane verzoeken in te willigen. Het middel betoogt daartoe dat een verzoek om toepassing te geven aan artikel 96, lid 3, Wfsv, hetzij in verbinding met artikel 5.4 van de Regeling Wfsv, hetzij in verbinding met onderdeel 52, lid 5, van Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv, door de inspecteur slechts getoetst mag worden aan de in die bepalingen gestelde voorwaarden.

2.4.2.

Volgens artikel 5.4 van de Regeling Wfsv “kan” de inspecteur op aanvraag beslissen dat twee of meer werkgevers aangesloten zijn bij dezelfde sector. Onderdeel 52, lid 5, van Bijlage 1 bij de Regeling Wfsv bepaalt dat de inspecteur “kan” beslissen dat een werkgever, in afwijking van hetgeen eerder in dat onderdeel is bepaald, wordt ingedeeld in een andere sector dan sector 52. Het woord “kan” in beide bepalingen duidt erop dat de regelgever de inspecteur beoordelingsvrijheid heeft gegund bij de behandeling van een aanvraag om een zodanige beslissing. Noch aan de context van deze bepalingen, noch aan de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, kan worden ontleend dat de regelgever de inspecteur deze beoordelingsvrijheid heeft willen onthouden. Het middel faalt daarom voor zover het uitgaat van een andere opvatting.

2.5.

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2015.