Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3299

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
14/04305
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:987, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:1998, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht, rechtspersonenrecht. Procesrecht, executie- en beslagrecht. Overdracht van goederen in weerwil van beslag, gevolgd door einde bestaan van beslagen rechtspersoon. Gevolgen overdracht. Tegen wie moet eis in hoofdzaak worden ingesteld c.q. vervolgd? Recht dat het bestaan van de rechtspersoon beheerst. Niet-toepasselijkheid (b)-regel van HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG3573, NJ 2009/456 en HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668, NJ 2014/454. Gelegenheid tot toepassing art. 118 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 118
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 700
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23c
Burgerlijk Wetboek Boek 10
Burgerlijk Wetboek Boek 10 118
Burgerlijk Wetboek Boek 10 119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2744
INS-Updates.nl 2015-0335
OR-Updates.nl 2015-0381 met annotatie van C.G. van der Plas
JOR 2016/24 met annotatie van mr. A. Steneker
NTHR 2016, afl. 1, p. 31
JBPR 2016/1
TvPP 2016, afl. 1, p. 14
AR 2015/2188
NJB 2015/2065
RvdW 2015/1231
JWB 2015/380
RO 2016/6
AR 2016/215
JONDR 2016/9
Bb 2016/49.1
NJ 2016/425 met annotatie van A.I.M. van Mierlo, Th.M. de Boer
Ondernemingsrecht 2016/125 met annotatie van mr. M.Y. Nethe
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 2015

Eerste Kamer

14/04305

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht OOO PROMNEFTSTROY,
gevestigd te Moskou, Russische Federatie,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht YUKOS CAPITAL S.À.R.L.,
gevestigd te Luxemburg, Luxemburg,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht GLENDALE GROUP LIMITED,
gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Eiseres zal hierna ook worden aangeduid als Promneftstroy en verweersters gezamenlijk als Yukos c.s. en afzonderlijk als Yukos Capital en Glendale.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de afzonderlijke vonnissen in de zaken 415603/HA ZA 08-3565 en 419369/HA ZA 09-449 van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2010, 9 november 2011 en 4 juli 2012;

b. de arresten in de zaken 200.119.549/01 en 200.119.551/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2014 en 27 mei 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van 13 mei 2014 van het hof heeft Promneftstroy beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Yukos c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor Yukos c.s. mede door mr. J.F. Vlek.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging en het bestreden arrest en tot niet-ontvankelijkverklaring van Glendale en Yukos Capital in hun vorderingen jegens Yukos Oil.

De advocaat van Yukos Capital en Glendale heeft bij brief van 10 juli 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) Bij vonnis van 1 augustus 2006 heeft de rechtbank te Moskou de rechtspersoon naar Russisch recht Yukos Oil Corporation (hierna: Yukos Oil) in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van [betrokkene 1] tot curator.

(ii) Bij verzoekschrift van 9 augustus 2007 heeft Yukos Capital de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam verzocht haar verlof te verlenen om ten laste van Yukos Oil beslag te leggen op de door deze gehouden aandelen in het kapitaal van Yukos Finance B.V. te Amsterdam
(hierna: Yukos Finance).

(iii) Bij verzoekschrift van 13 augustus 2007 heeft Glendale hetzelfde gedaan, met dien verstande dat zij tevens verlof heeft gevraagd om ten laste van Yukos Oil beslag te leggen op, kort gezegd, vorderingen van Yukos Oil op Yukos Finance alsmede op aan Yukos Oil toebehorende roerende zaken (niet-registergoederen) die onder Yukos Finance mochten berusten.

(iv) De voorzieningenrechter heeft het gevraagde verlof op 9 augustus 2007 respectievelijk 14 augustus 2007 verleend.

( v) Op 10 augustus 2007 respectievelijk 14 augustus 2007 hebben Yukos Capital en Glendale de hiervoor genoemde beslagen gelegd. Op 17 augustus 2007 hebben zij deze beslagen aan Yukos Oil doen overbetekenen, althans getracht dat te doen.

(vi) Op 20 augustus 2007 heeft [betrokkene 1] de door Yukos Oil gehouden aandelen in Yukos Finance verkocht aan Promneftstroy. De tot levering van deze aandelen strekkende notariële akte is op 10 september 2007 verleden ten overstaan van een notaris te Amsterdam.

(vii) Bij vonnis van 15 november 2007 heeft de rechtbank te Moskou beslist dat het faillissement van Yukos Oil is geëindigd. Dat vonnis is door de curator op 21 november 2007 ingeschreven in het daartoe bestemde Russische register.

(viii) Bij dagvaarding van 24 januari 2008 is Glendale bij de rechtbank Amsterdam een procedure tegen Yukos Oil begonnen. Yukos Capital heeft hetzelfde gedaan bij dagvaarding van 30 juni 2008. Beide procedures zijn aangevangen binnen de daartoe door de voorzieningenrechter gestelde termijn (welke termijn tussentijds door de voorzieningenrechter is verlengd).

(ix) Glendale heeft van Yukos Oil betaling van (afgerond) RUR 46,3 miljard gevorderd. Yukos Capital heeft van Yukos Oil betaling van (afgerond) USD 355 miljoen en RUR 79,3 miljard gevorderd.

( x) In beide procedures heeft Promneftstroy gevorderd als tussenkomende partij te worden toegelaten.
De rechtbank heeft deze vordering in beide procedures toegewezen.

3.2

Promneftstroy heeft in beide hiervoor in 3.1 onder (viii) genoemde procedures een incidentele vordering ingesteld die ertoe strekt dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van de in de hoofdzaak ingestelde vorderingen kennis te nemen, althans Glendale en Yukos Capital niet-ontvankelijk verklaart in die vorderingen, en de conservatoire beslagen vervallen verklaart, althans met onmiddellijke ingang opheft. Aan deze vordering heeft Promneftstroy ten grondslag gelegd dat met de hiervoor in 3.1 onder (vii) vermelde inschrijving van het vonnis waarmee het Russische faillissement is beëindigd, Yukos Oil heeft opgehouden te bestaan, en de hiervoor in 3.1 onder (viii) genoemde dagvaardingen dus zijn uitgebracht tegen een niet-bestaande rechtspersoon. Die dagvaardingen zijn daarom nietig, althans kunnen niet geldig op de voet van art. 125 lid 2 Rv worden aangebracht, aldus Promneftstroy. De eis in de hoofdzaak is daarom niet tijdig ingesteld, zodat de gelegde beslagen zijn vervallen (art. 700 lid 3, laatste volzin, Rv). Overigens ontbreekt in elk geval rechtsmacht voor de Nederlandse rechter omdat de vorderingen met het verdwijnen van Yukos Oil niet meer kunnen worden toegewezen. In elk geval zijn Glendale en Yukos Capital niet-ontvankelijk in hun vorderingen omdat Yukos Oil niet meer kan verschijnen en zich dus niet meer kan verweren, aldus nog steeds Promneftstroy.

3.3.1

De rechtbank heeft de incidentele vorderingen bij op dezelfde datum gewezen tussenvonnissen afgewezen. Van die vonnissen heeft zij tussentijds hoger beroep opengesteld, van welke mogelijkheid Promneftstroy in beide procedures gebruik heeft gemaakt.

3.3.2

Het hof heeft beide procedures gevoegd behandeld en beslist. Het heeft de tussenvonnissen van de rechtbank bekrachtigd en van zijn arrest tussentijds cassatieberoep opengesteld.

3.3.3

Het hof is ervan uitgegaan dat Yukos Oil met de hiervoor in 3.1 onder (vii) vermelde inschrijving van het vonnis waarmee het Russische faillissement is beëindigd, naar Russisch recht heeft opgehouden te bestaan. Dit heeft het hof aangemerkt als een rechtsgevolg van het Russische faillissementsrecht. Het hof heeft verwezen naar HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG3573, NJ 2009/456 en HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668, NJ 2014/454, in welke arresten is beslist dat, voor zover niet bij een Nederland bindende internationale regeling anders is bepaald, een in een ander land uitgesproken faillissement territoriale werking heeft, in onder meer dier voege “(b) dat de rechtsgevolgen die door het faillissementsrecht van dat andere land aan een faillissement worden verbonden, in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op – tijdens of na afloop van het faillissement – in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde.” Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat Promneftstroy geen beroep kan doen op het niet-bestaan van Yukos Oil, nu dit ertoe zou leiden dat Glendale en Yukos Capital, als onvoldane crediteuren, zich niet meer kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos Oil. Daarom moet, aldus het hof, Yukos Oil in dit geding geacht worden (nog) te bestaan. Promneftstroy komt volgens het hof geen beroep toe op het feit dat Yukos Oil zich niet meer kan verweren. (rov. 3.4-3.9)

3.4.1

Het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat het niet-bestaan van Yukos Oil is aan te merken als een rechtsgevolg van het Russische faillissementsrecht en dat dit niet-bestaan daarom niet kan worden ingeroepen op grond van de door het hof aangehaalde regel van de arresten van 19 december 2008 en 13 september 2013. Het middel betoogt dat de vraag of Yukos Oil bestaat, op grond van de art. 10:118 en 10:119, aanhef en onder f, BW beantwoord moet worden naar Russisch recht en dat het antwoord naar dat recht op die vraag niet kan worden aangemerkt als een rechtsgevolg van het Russische faillissementsrecht in de zin van de arresten van 19 december 2008 en 13 september 2013. Daarom geldt volgens het middel ook in dit geding dat Yukos Oil niet (meer) bestaat, met de door Promneftstroy ingeroepen gevolgen.

3.4.2

Het middel is gegrond. Op grond van art. 10:118 in verbinding met art. 10:119, aanhef en onder f, BW wordt de beëindiging van het bestaan van een corporatie – in dit geval de rechtspersoon Yukos Oil – beheerst door het recht van de staat op het grondgebied waarvan die corporatie ingevolge de akte van oprichting haar zetel heeft en naar welks recht zij is opgericht. Dit is een regel van internationaal rechtspersonenrecht, niet van internationaal faillissementsrecht. Die regel geldt ook in het zich hier voordoende geval dat hier te lande verhaal wordt gezocht op vermogensbestanddelen van een rechtspersoon die in de staat op het grondgebied waarvan hij ingevolge de akte van oprichting zijn zetel heeft en naar welks recht hij is opgericht, in staat van faillissement is verklaard en na de voltooiing van de afwikkeling van dat faillissement ingevolge het recht van die staat heeft opgehouden te bestaan. De arresten van 19 december 2008 en 13 september 2013 zien niet op het inroepen hier te lande van de gevolgen die het buitenlandse rechtspersonenrecht verbindt aan de voltooiing van de afwikkeling van het faillissement van de rechtspersoon. Het oordeel van het hof dat het niet-bestaan van Yukos Oil is aan te merken als een rechtsgevolg van het Russische faillissementsrecht en daarom in dit geval hier te lande niet kan worden ingeroepen, is dus onjuist.

3.4.3

Hoewel gegrond, kan het middel op grond van hetgeen hierna wordt overwogen, niet tot cassatie leiden.

3.5.1

Het gaat in deze zaak, naar in cassatie uitgangspunt is, om het geval dat, nadat ten laste van een rechtspersoon conservatoir beslag is gelegd op haar toebehorende vermogensbestanddelen, deze in weerwil van dat beslag zijn overgedragen, en vervolgens de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, voordat de op grond van art. 700 lid 3 Rv vereiste eis in de hoofdzaak is ingesteld.

3.5.2

In deze zaak gaat het om een rechtspersoon naar Russisch recht. Het hiervoor in 3.5.1 genoemde geval kan zich echter ook voordoen ten aanzien van een rechtspersoon naar Nederlands recht. Op grond van art. 2:19 leden 5 en 6 BW geldt immers dat een ontbonden rechtspersoon ophoudt te bestaan als hij geen te vereffenen vermogen heeft dan wel, als hij zulk vermogen wel heeft, op het tijdstip waarop de vereffening van dat vermogen eindigt. In dat geval is de omstandigheid dat beslag is gelegd op vermogensbestanddelen van de rechtspersoon die vervolgens zijn overgedragen aan een derde, geen grond voor het voortbestaan van de rechtspersoon. Een overdracht in weerwil van een beslag is immers rechtsgeldig in de onderlinge verhouding van de overdragende rechtspersoon en de verkrijger, zodat die overdracht tot gevolg heeft dat de vermogensbestanddelen niet
langer deel uitmaken van het vermogen van de rechtspersoon (vgl. HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351, NJ 2009/154).

3.5.3

Een overdracht in weerwil van een beslag heeft slechts tot gevolg dat de beslaglegger de overdracht mag negeren omdat zij jegens hem niet kan worden ingeroepen, en dat hij derhalve nog steeds verhaal kan nemen op de goederen waarop het beslag rust (onder meer art. 453a, 474e, 475h en 505 lid 2 Rv). Daarvoor moet hij het beslag wel vervolgen, hetgeen bij een conservatoir beslag betekent dat hij binnen de daartoe gestelde termijn op de voet van art. 700 lid 3 Rv een eis in de hoofdzaak moet instellen, en dat die eis wordt toegewezen.

3.5.4

In het hier aan de orde zijnde geval betekent het hiervoor in 3.5.2 overwogene evenwel dat de beslaglegger vanaf het moment dat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, geen wederpartij meer heeft tegen wie hij de eis in de hoofdzaak kan instellen. Hierin wordt niet voorzien door art. 2:23c BW, dat bepaalt dat de rechtspersoon herleeft indien de vereffening wordt heropend. Heropening van de vereffening is volgens die bepaling immers uitsluitend mogelijk als nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo van de vereffening opkomt of blijkt van het bestaan van een bate.

3.5.5

Ook art. 700 lid 3 Rv voorziet niet in het hier aan de orde zijnde geval. Het zou echter niet aanvaardbaar zijn indien de beslaglegger in dat geval, waarin uitgangspunt is dat hij nog onvoldane vorderingen heeft en dat hij deze kan verhalen op de beslagen goederen, niet de mogelijkheid heeft om zijn recht te vervolgen, enkel als gevolg van het feit dat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan.

3.5.6

Aangezien de verkrijger in het hier aan de orde zijnde geval de enig overgebleven belanghebbende is met betrekking tot de goederen en met betrekking tot de vraag of de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd, toewijsbaar zijn, moet worden aanvaard dat de beslaglegger in dat geval de eis in de hoofdzaak kan instellen of vervolgen tegen de verkrijger, in een daartoe aangepaste vorm, inhoudende dat de beslaglegger vordert dat voor recht wordt verklaard dat de vorderingen toewijsbaar zijn en dat hij daarvoor verhaal kan nemen op de goederen waarop het beslag rust. Art. 700 lid 3 Rv dient voor het hier aan de orde zijnde geval dan ook in die zin te worden uitgelegd.

3.5.7

Indien de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan voordat de eis in de hoofdzaak is ingesteld, kan de beslaglegger de verkrijger dus dagvaarden met een vordering als hiervoor in 3.5.6 vermeld. Ook de in art. 700 lid 3, vierde volzin, Rv genoemde mededeling van de verlenging van de termijn voor het instellen van de eis dient in dat geval aan de verkrijger te worden gericht.

Indien de rechtspersoon ophoudt te bestaan terwijl de hoofdzaak aanhangig is, dient de beslaglegger in de gelegenheid te worden gesteld om op de voet van art. 118 Rv de verkrijger in het geding te roepen teneinde de procedure tegen deze voort te zetten en zijn vordering daaraan aan te passen.

Toewijzing van de hiervoor in 3.5.6 vermelde vordering levert een executoriale titel op voor het verhaal op de beslagen goederen.

3.5.8

Het hiervoor overwogene is ook van toepassing indien het daarbij, zoals in deze zaak, gaat om een rechtspersoon naar het recht van een ander land, die op grond van het recht van dat land heeft opgehouden te bestaan.

3.6.1

Uit het hiervoor in 3.5.1-3.5.8 overwogene volgt dat Glendale en Yukos Capital de eis in de hoofdzaak op de hiervoor weergegeven wijze hadden moeten instellen tegen Promneftstroy. Nu dit niet als zodanig uit de wet volgt en dit niet eerder is beslist, behoefden zij daarmee echter geen rekening te houden. Aan hen zou daarom de gelegenheid moeten worden gegeven om Promneftstroy op de voet van art. 118 Rv alsnog in het geding te roepen voor genoemd doel. Aangezien Promneftstroy als tussenkomende partij reeds in het geding is, is een dergelijke oproep in deze procedure echter niet meer nodig. Glendale en Yukos Capital zullen in het vervolg van de procedure bij de rechtbank hun vorderingen tegen Promneftstroy kunnen richten in de hiervoor in 3.5.6 genoemde, aangepaste vorm.

3.6.2

Nu Promneftstroy aanstonds in dit geding is tussengekomen, kan niet worden gezegd dat zij in enig te dezen te respecteren belang is geschaad doordat Glendale en Yukos Capital de aan het slot van 3.6.1 bedoelde gelegenheid wordt gegeven. De rechtbank zal Promneftstroy de gelegenheid moeten geven om verweer tegen de aangepaste vordering te voeren.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Promneftstroy in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Glendale en Yukos Capital begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 13 november 2015.