Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3274

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2015
Datum publicatie
13-11-2015
Zaaknummer
14/01747
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bank Zonder Naam. Art. 16, lid 4, AWR. Eis van voortvarend handelen. Cassatiemiddel tegen een niet gegeven oordeel door het Hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2740 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/3248 met annotatie van mr. I.R. J. Thijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 2015

nr. 14/01747

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te [Z] (hierna: belanghebbenden), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 18 februari 2014, nrs. 12/00229 en 12/00230, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank te Arnhem (nrs. AWB 08/3116 en AWB 08/3117) betreffende de aan erflater over het jaar 1995 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over het jaar 1996 opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Zowel belanghebbenden als de Staatssecretaris hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbenden en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

Belanghebbenden hebben de zaak doen toelichten door mr. M. Hendriks, advocaat te Nijmegen.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.

De bestreden navorderingsaanslagen en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde project Bank Zonder Naam.

2.2.

Belanghebbenden hebben op 29 januari 2008 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft op 4 juni 2008 uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. Na daartegen ingesteld beroep heeft de Rechtbank op 15 maart 2012 uitspraak op het beroep gedaan.

2.3.

Belanghebbenden hebben in eerste aanleg er onder meer over geklaagd dat in de gerechtelijke procedure een onredelijke vertraging is opgetreden. De Rechtbank heeft dienaangaande geoordeeld dat het onderzoek moet worden heropend in verband met het verzoek om schadevergoeding, en dat daarbij de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) op de voet van artikel 8:26 Awb in de gelegenheid wordt gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Het Hof heeft beslist dat dit oordeel in stand moet blijven.

2.4.

Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode tussen februari 2005 en maart 2006 door de Inspecteur en FIOD-ECD voortvarend is gehandeld, zodat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd. Tegen dit oordeel richt zich het door de Staatssecretaris voorgestelde middel.

3 Beoordeling van het door belanghebbenden voorgestelde middel

3.1.

Het middel betoogt dat het Hof bij zijn oordeel over de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn alle onderhavige zaken (nrs. 14/01701, 14/01722, 14/01723, 14/01744, 14/01747, 14/01748, 14/01750, 14/01751 en 14/01949) heeft aangemerkt als samenhangende zaken, maar er daarbij geen rekening mee heeft gehouden dat ter bepaling van de mate van overschrijding moet worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.

3.2.

Het middel miskent dat de Rechtbank haar beslissing over de gevraagde vergoeding van immateriële schade in de fase van bezwaar en beroep heeft aangehouden. Het middel faalt derhalve nu het opkomt tegen een door het Hof niet gegeven oordeel.

4 Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

’s Hofs oordeel omtrent het ontbreken van de vereiste voortvarendheid komt overeen met het oordeel van hetzelfde Hof in de uitspraak van 11 juni 2013, waartegen onder nr. 13/03554 beroep in cassatie is ingesteld en waarop de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137. Het middel slaagt op de in dat arrest vermelde gronden.

5 Slotsom

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in onderdeel 4 kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

6 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie van belanghebbenden ongegrond,

verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de schadevergoeding, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2015.