Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3269

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
14/02515
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1919, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:3965, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Profijtontneming. Art. 36e.8 (oud) Sr. De HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2000:AA5438 en ECLI:NL:HR:1997:ZC9559. I.c. had het Hof bij de bepaling van het bedrag waarop het w.v.v. wordt geschat, de vordering b.p. ter zake van materiële schade, die in de samenhangende strafzaak onherroepelijk is toegekend, en het bedrag van de proceskosten tot betaling waarvan betrokkene is veroordeeld op het geschatte bedrag in mindering moeten brengen. De HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en vermindert de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0499
RvdW 2015/1248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/02515 P

IC/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 april 2014, nummer 20/003099-12, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het Hof daarbij heeft verzuimd de vordering van de benadeelde partij Enexis B.V. in mindering te brengen op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat en op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting, tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting tot € 11.559,31 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, de in rechte toegekende vordering van de benadeelde partij Enexis B.V. en de door deze benadeelde partij gemaakte proceskosten waarvoor de betrokkene in rechte is veroordeeld, niet in mindering heeft gebracht op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.

2.2.

De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"De veroordeelde is op 30 augustus 2012 door de politierechter in de rechtbank Breda veroordeeld tot straf ter zake van:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod,

2. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

(...)

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van soortgelijke feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel moet worden geschat op netto € 17.219,09.

Het hof is bij zijn berekening van het laatstgenoemd bedrag uitgegaan van het volgende.

(...)

Op het bruto verkregen voordeel zullen de door veroordeelde ten behoeve van de strafbare gedraging gemaakte kosten in mindering worden gebracht. Het hof zal de kosten vaststellen overeenkomstig de opgave in het hiervoor vermelde rapport.

● vaste afschrijvingskosten bij een hennepkwekerij van 279 planten: € 200,00;

● variabele kosten (waaronder kosten in verband met stekken en voedingsstoffen) à € 4,40 per hennepplant, uitgaande van één oogst à 279 planten: € 1.227,60.

In totaal dient derhalve in mindering op de opbrengst te worden gebracht een bedrag van € 200,00 + € 1.227,60 = € 1.427,60.

Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel wordt op grond van het vorenstaande geschat op € 18.646,69 minus € 1.427,60 = € 17.219,09.

(...)

Op te leggen betalingsverplichting

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van omstandigheden gebleken, die voor het hof aanleiding zijn het door de veroordeelde te betalen bedrag op de voet van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht lager vast te stellen dan het geschatte voordeel.

(...)

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 17.219,09 (zeventienduizend tweehonderdnegentien euro en negen cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 17.219,09 (zeventienduizend tweehonderdnegentien euro en negen cent)."

2.3.

De regeling van art. 36e, achtste lid (oud), Sr beoogt te voorkomen dat iemand hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen, zij het aan verschillende (rechts)personen. Dit brengt mee dat bij de toepassing van die regeling slechts in aanmerking komt de in rechte onherroepelijk toegekende vordering van een (rechts)persoon strekkende tot vergoeding van diens schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de veroordeelde staat (vgl. HR 11 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5438). De rechter dient bij het bepalen van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, ook rekening te houden met een ten gunste van de benadeelde derde uitgesproken veroordeling van de betrokkene tot betaling van de proceskosten, voor zover het bedrag daarvan kan worden bepaald (vgl. HR 9 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC9559, NJ 1998/90).

2.4.

De Politierechter heeft blijkens zijn vonnis van 30 augustus 2012 met nummer 02/801201-10, dat zich bij de stukken bevindt, in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak de vordering van de benadeelde partij Enexis B.V. tot een bedrag van € 5.399,78 ter zake van materiële schade toegewezen en de betrokkene veroordeeld in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 260,–. Genoemd vonnis was ten tijde van de behandeling van de onderhavige zaak door het Hof onherroepelijk. Op grond van de stukken van het dossier kan in cassatie ervan worden uitgegaan dat de als gevolg van de bewezenverklaarde feiten geleden schade waarvan de benadeelde partij vergoeding vordert correspondeert met het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake waarvan hem de betalingsverplichting is opgelegd.

2.5.

Dit een en ander brengt mee dat het Hof bij de bepaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, die vordering en het bedrag van de proceskosten tot betaling waarvan de betrokkene is veroordeeld op het geschatte bedrag in mindering had moeten brengen. Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid zelf de zaak afdoen door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting in zoverre te verminderen. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 17.219,09 zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de staat een bedrag van (afgerond) € 11.559,- bedraagt.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 11.559,-;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2015.