Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3263

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
12-11-2015
Zaaknummer
14/05266
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2021, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklachten schuldheling bij aanschaf motorboot via marktplaats. Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de boot in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Het Hof heeft niets overwogen omtrent de redelijkerwijs van verdachte als koper te vergen controle van de herkomst van de boot, de staat van de boot in relatie tot de betaalde koopprijs en de marktwaarde van de boot t.t.v. het voorhanden krijgen daarvan. De enkele omstandigheid dat het Hof de (desalniettemin voor het bewijs gebezigde) verklaring van verdachte m.b.t. de periode van aankoop van de boot ongeloofwaardig heeft geacht, maakt nog niet duidelijk dat verdachte had moeten vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was, mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0495
RvdW 2015/1257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/05266

EC/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 april 2014, nummer 23/004427-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. Hörchner, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

De beide middelen, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, klagen over de motivering van de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"in de periode van 14 oktober 2009 tot en met 12 april 2011 te [plaats] uit winstbejag een door misdrijf verkregen motorboot, type Interboat 19, registratienummer [001] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011020784-1 van 12 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (doorgenummerde pag. 7-8).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 12 april 2011 werd ik gebeld door een man welke zich voorstelde als zijnde genaamd [betrokkene 1] . [betrokkene 1] verklaarde dat hij op 12 april 2011 naar het adres [a-straat] te [plaats] was geweest. Hij had interesse in een vaartuig van het merk Interboat type 19. Dit vaartuig werd aangeboden op Marktplaats.nl voor 13.950,00 euro.

[betrokkene 1] verklaarde dat hij had gezien dat in de achterbank van het vaartuig de naam " [betrokkene 2] " was gekrast. [betrokkene 1] gaf mij het volgende CIN op: [002] . [betrokkene 1] verklaarde dat hij het CIN had nagevraagd bij de fabrikant en dat hem door een medewerker werd medegedeeld dat dit vaartuig in oktober 2009 was ontvreemd. [betrokkene 1] verklaarde geen goed gevoel bij de aanbieder en zijn vaartuig te hebben.

Ik heb in het politiesysteem een proces-verbaal van aangifte van diefstal van een vaartuig gevonden. Daarin stond dat op 14 oktober 2009 aangifte was gedaan door een man genaamd: [betrokkene 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1932. [betrokkene 2] verklaart dat zijn vaartuig, een Interboat type 19 voorzien van CIN [002] tussen 13 en 14 oktober 2009 was weggenomen te [plaats] .

Door mij is middels het GBA het adres [a-straat] te [plaats] bekeken en vastgesteld dat daar woonachtig is in een woonschip de navolgende persoon genaamd:

[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1968.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 201104141300.8736 van 14 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. 24-28).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

U vraagt mij hoe ik de boot heb gekocht. Ik heb de advertentie via Marktplaats gevonden. De adverteerder vroeg er niet veel geld voor. Ik heb de boot eind augustus/begin september 2009 gekocht. Ik heb geen proefvaart gemaakt, omdat het goed voelde. Ik heb 9.000 euro voor de boot betaald. In contanten. Ik verkoop via mijn eigen naam ' [verdachte] '. Ik koop en verkoop veel via Marktplaats. Dat is min of meer mijn bron van inkomsten. Een Interboat 19 is nu ongeveer tussen de 12.000 en 15.000 euro. Dat is zo ongeveer de marktwaarde voor deze boten. De waarde van een Interboat 19 hangt ook af van de betimmering en uitvoering als motorvermogen. De vraagprijs bij aankoop was 8.950 euro. Het was inderdaad een koopje.

U vraagt mij wat ik doe om te voorkomen dat ik een gestolen boot koop. Bij bootjes zeg ik u dat ik er niets aan doe. Ik ben te goeder trouw geweest en misschien een beetje te impulsief. Ik had er geen flauw idee van. U vraagt mij of ik weet dat er gestolen spullen worden verkocht op Marktplaats. Ja, de hele wereld is verrot en dat weet ook Marktplaats.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 20110616.....8736 van 16 juni 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. 34-38).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik moet eerlijk bekennen dat ik nooit in de jachthaven van [plaats] ben geweest. Ik heb die man, [betrokkene 3] , alleen aan de telefoon gehad. Hij heeft de sloep naar mij toe gevaren. Ik moet zeggen dat ik daar niet eerlijk over ben geweest, omdat ik niet tegen [betrokkene 4] wilde liegen. Ik wilde [betrokkene 4] het gevoel geven dat het wel goed zat, dat ik de sloep uit een gerenommeerde jachthaven had gehaald.

4. Een geschrift, zijnde een factuur van Interboat motorsloepen aan [betrokkene 2] d.d. 19 oktober 2000.

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Aankoop Interboat 19 met 25 pk Vestus diesel.

Totaal: F 55.530,00."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 mei 2010 (LJN: BL5625) op het standpunt gesteld dat op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier naar voren zijn gekomen niet zonder meer volgt dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was. De raadsman is van mening dat de prijs die de verdachte voor de boot heeft betaald gangbaar is en dat de verkoper een plausibele verklaring heeft gegeven waarom hij van de boot af moest. De boot was beschadigd en de prijs was niet exorbitant hoog. Daarnaast kwam de verkoper als betrouwbare man over die in een goede indruk heeft gemaakt op de verdachte. Hieruit volgt naar de mening van de raadsman dat geen sprake is geweest van grove nalatigheid.

Het hof verwerpt het verweer. De verklaring van de verdachte dat hij de boot in augustus/september 2009 heeft gekocht strookt niet met de verklaring van de aangever dat de boot op 13 oktober 2009 is gestolen. Het hof acht reeds daarom de verklaring van de verdachte dat hij de boot eind augustus/begin september 2009 via Marktplaats heeft gekocht ongeloofwaardig. Het hof wordt in dit oordeel nog gesterkt door de omstandigheid dat de verdachte geen enkele concrete aanwijzing heeft kunnen geven over de persoon die de boot aan hem zou hebben verkocht of de herkomst van de boot."

2.3.

Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de boot in die mate is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Daarbij wordt mede het volgende in aanmerking genomen. Het Hof heeft niets overwogen omtrent de in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verdachte als koper te vergen controle van de herkomst van de boot, bijvoorbeeld aan de hand van het (in het hiervoor in 2.2.2 onder 1. opgenomen bewijsmiddel vermelde) Craft Identification Number (CIN). Over de staat van de boot in relatie tot de betaalde koopprijs en de marktwaarde van de boot ten tijde van het voorhanden krijgen daarvan heeft het Hof niets naders overwogen, terwijl de enkele omstandigheid dat het Hof de - desniettemin voor het bewijs gebezigde - verklaring van de verdachte met betrekking tot de periode van aankoop van de boot ongeloofwaardig heeft geacht, nog niet duidelijk maakt dat de verdachte had moeten vermoeden dat de boot van misdrijf afkomstig was, mede in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten dat de verdachte de boot heeft gekocht voor een prijs die gangbaar was, dat de verkoper een plausibele verklaring voor de verkoop had gegeven en dat de boot beschadigd was.

De bewezenverklaring is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.4.

De middelen zijn terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2015.