Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3259

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
10-11-2015
Zaaknummer
14/04659
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1938, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Medeplegen. 2. Vorderingen b.p.’s, wettelijke rente. Ad 1. Verdachte heeft onvoldoende rechtens te respecteren belang bij zijn klacht dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij heeft gehandeld tezamen en in vereniging met een ander. Naast het wettelijk strafmaximum, dat niet mede wordt bepaald door het antwoord op de vraag of het feit in vereniging wordt gepleegd, en de door het Hof opgelegde straf en de motivering daarvan, neemt de HR daarbij in aanmerking dat in cassatie onbestreden is dat het verdachte is geweest die de daadwerkelijke uitvoeringshandelingen van het onder 2 bewezenverklaarde heeft verricht, alsmede dat verdachte het wapen en de munitie zoals onder 3 bewezenverklaard voorhanden heeft gehad. Ad 2. Nu niet blijkt dat de b.p.’s vergoeding van wettelijke rente hebben gevorderd heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden (vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA4262). HR vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend v.zv. het Hof heeft beslist dat wettelijke rente vergoed moet worden over de toegewezen bedragen van de vorderingen van de b.p.’s en verwerpt het beroep voor het overige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0512
NJB 2015/2067
RvdW 2015/1255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/04659

IV/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 juli 2014, nummer 23/004711-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover het Hof heeft beslist dat de wettelijke rente vergoed moet worden over de toegewezen bedragen van de vorderingen van de benadeelde partijen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2 en 3 bewezenverklaard dat hij:

"ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 26 december 2011 te Beverwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet meermalen heeft geschoten op het lichaam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 5 januari 2012 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, te weten een revolver, Smith & Wesson, .357 Magnum, en munitie van categorie III, te weten 6 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad."

2.2.

Deze bewezenverklaringen steunen op de volgende bewijsvoering:

"Het hof komt tot bewezenverklaring van het de verdachte onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde op grond van het volgende.

Op 26 december 2011 om 23:18 uur kwam bij de regionale meldkamer van de politie Kennemerland een melding binnen van een schietpartij in een woning aan de [a-straat 1] te Beverwijk. Ter plaatste troffen de verbalisanten een drietal personen in de woning aan, te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en de dertienjarige zoon van voornoemde [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] had een verwonding aan zijn nek komende van een inschotwond en een uitschotwond. De kogel is dóór zijn nek, achter de wervels langs gegaan. De spieren en zenuwen in zijn nek zijn hierdoor beschadigd. Ook heeft [slachtoffer 1] een hersenschudding opgelopen. [slachtoffer 2] heeft een schotwond aan zijn linkerarm, met daarbij een fractuur van zijn linker onder- en bovenarm.

[slachtoffer 1] had op 25 december 2011 een advertentie op Marktplaats gezet waarin hij aangaf dat hij een I-phone wilde kopen. Op 25 december 2011 had [slachtoffer 1] een aantal malen telefonisch contact met een onbekende man over het kopen van I-phones van die man. De onbekende man maakte op die momenten gebruik van het telefoonnummer 06- [001] , gekoppeld aan een telefoontoestel met imei-nummer [002] . Dit toestel stond op naam van [betrokkene 1] , de moeder van de verdachte. Tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte's moeder op [b-straat 1] te Amsterdam op 6 januari 2012 is in de slaapkamer van de verdachte een verpakking aangetroffen van de sim-kaart van voornoemd nummer 06- [001] .

Dit telefoonnummer is op 25 december 2011 om 18:11 uur in gebruik genomen, oftewel minder dan een uur voor het eerste telefoontje naar [slachtoffer 1] , en is laatstelijk gebruikt op 26 december 2011 om 23:09 uur, dus enkele minuten voor de melding van de schietpartij.

De koppeling van het gebruikte telefoonnummer aan het toestel van de moeder van de verdachte vormde de eerste aanwijzing voor de betrokkenheid van de verdachte bij de ten laste gelegde strafbare feiten.

[slachtoffer 1] sprak met de onbekende man af dat hij zes I-phones zou kopen voor € 2.000,00. Ze spraken uiteindelijk op 26 december 2011 af tussen 18:00 en 19:00 uur in Beverwijk in de woning van [slachtoffer 2] . De onbekende man kwam op dat tijdstip echter niet opdagen, maar belde wel om 21:36 uur met een afgeschermd nummer om te zeggen dat hij in Beverwijk was, dat zijn beltegoed op was, dat hij eerst ergens beltegoed zou kopen en dat hij later op de avond nog langs zou komen.

Vast is komen te staan dat om 21:34 uur de Blackberry van de verdachte met imei-nummer [003] en telefoonnummer 06- [004] contact had gezocht met [slachtoffer 1] , maar dat dit contact niet tot stand was gekomen. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte twee minuten later, om 21:36 uur, belde met een telefoon met imei-nummer [002] en telefoonnummer 06- [005] . Dit laatste nummer staat op naam van [betrokkene 1] , de moeder van de verdachte. Het telefoonnummer van de moeder van de verdachte werd doorgaans gebruikt in combinatie met voornoemde telefoon met imei-nummer [002] .

Op grond van het hiervoor besproken gebruik van het telefoontoestel van de moeder van de verdachte en het gebruik van de Blackberry van de verdachte acht het hof bewezen dat het de verdachte is geweest die als onbekende met [slachtoffer 1] telefonische contacten heeft gehad.

Nu [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij steeds met dezelfde onbekende man belde en dat hij die stem later herkende als de stem van de zogenoemde Aziatische man die in de loop van het onderzoek als de verdachte werd geïdentificeerd zal het hof hierna in plaats van over de onbekende man spreken van de verdachte.

Omstreeks 22:50 uur belde de verdachte opnieuw. [slachtoffer 1] gaf hem aanwijzingen over de route naar de woning en ging op het balkon van de woning staan. Hij zag vervolgens een zwartkleurige Honda aan komen rijden met daarin vier personen. Uit onderzoek naar de tijdens zijn aanhouding in beslag genomen Blackberry van de verdachte met imei-nummer [003] is gebleken dat de GPS in de Blackberry van de verdachte op 26 december 2011 om 21:56, 22:03 en 22:08 uur verschillende zendmasten in Beverwijk aanstraalde.

Twee personen stapten uit de auto en kwamen naar boven, te weten de verdachte en een onbekende negroïde man. Zodra de mannen in de woning aan de [a-straat 1] te Beverwijk waren, trok de negroïde man direct een vuurwapen en richtte de revolver op het hoofd van [slachtoffer 1] . De verdachte liep met een plastic tasje in zijn hand op [slachtoffer 1] af en sloeg hem daarmee.

Op deze plastic tas zijn aan de binnenzijde van de tas, nabij de handgreep, twee dactyloscopische sporen gevonden die volgens de deskundigen van de linker wijs en middelvinger van de verdachte afkomstig zijn.

De verdachte zei tegen [slachtoffer 1] : "Wie moet de € 2.000,00 betalen?" en dat als [slachtoffer 1] die € 2.000,00 niet gewoon gaf, hij dood zou gaan. De negroïde man doorzocht vervolgens de woning, waarbij de verdachte het vuurwapen van hem overnam. De verdachte liep op [slachtoffer 1] af en gaf hem een klap met het vuurwapen tegen het hoofd. De huissleutels, autosleutels en een portemonnee met inhoud werden van een tafel gepakt. De verdachte en de negroïde man liepen daarna richting de uitgang. De verdachte draaide zich om en zei: "Ik wil hem doodschieten". Vervolgens richtte de verdachte de revolver op [slachtoffer 1] 's gezicht en schoot. [slachtoffer 1] voelde dat hij geraakt werd en viel op de grond. Daarna werd nog op [slachtoffer 2] geschoten, waarbij [slachtoffer 2] voelde dat hij geraakt werd in zijn linkerarm. Uiteindelijk renden de verdachte en de negroïde man weg. [slachtoffer 1] liep naar het balkon en zag dat de twee mannen weer naar de auto liepen en instapten. Vervolgens reed de auto weg.

Op 5 januari 2012 is de verdachte in IJmuiden aangehouden, terwijl hij als bijrijder in een auto zat. In een open tas onder het dashboardkastje bij de bijrijdersstoel werd een revolver, Smith & Wesson, .357 Magnum, aangetroffen met in de trommel zes patronen. Uit een vergelijkend onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) naar de in de arm van [slachtoffer 2] aangetroffen kogel en de bij de verdachte in de auto aangetroffen revolver blijkt dat kraslijnen op de kogel en de proefkogels voor een gering deel aansluiten, zodat de kraslijnen als kenmerkend voor de loop van de revolver zijn beoordeeld. Het voor een gering deel aansluiten van de kraslijnen past bij de hypothese dat de kogels die op 26 december 2011 te Beverwijk uit de loop van deze revolver zijn afgevuurd.

Op de Blackberry van de verdachte is later nog een foto aangetroffen van een zilverkleurig (vuur)wapen. Deze foto is op 29 november 2011 genomen en is zeer waarschijnlijk een foto van de op 5 januari 2012 in de auto aangetroffen revolver. De revolver en de zich daarin bevindende munitie vallen beide onder categorie III van de Wet wapens en munitie.

Uit onderzoek naar eerdergenoemde Blackberry van de verdachte is gebleken dat op 25 december 2011 met deze Blackberry tweemaal is gebeld naar twee verschillende telefoonnummers, waarbij als tekst in de Blackberry bij deze telefoonnummers is opgeslagen "marktplaats zoek i phone's 4s" en "marktplaats zoek bb's en i phones". Ook blijkt uit onderzoek naar deze telefoon van de verdachte dat op de Blackberry op 27 december 2011 onder meer om 21:34 en 21:35 uur en op 29 december 2011 onder meer om 14:43, 14:47, 21:09 en 21:50 uur is gegoogled op onder andere: "schietpartij, Beverwijk en 26-12-11". De verdachte heeft naar eigen zeggen de Blackberry op deze momenten in zijn bezit gehad.

Op grond van de bij de gebeurtenissen gebruikte telefoons en SIM-kaarten, de aangestraalde zendmasten in de buurt van de plaats delict ten tijde van het delict, de dactyloscopische sporen op de als slagwapen gebruikte plastic tas en de rapportage omtrent het verband tussen het op 5 januari 2012 onder de verdachte gevonden vuurwapen en de kogeldelen uit de arm van [slachtoffer 2] acht het hof bewezen dat de verdachte één van de beide daders van de ten laste gelegde feiten was."

2.3.

Het bestreden arrest houdt voorts, onder het kopje 'Bespreking van gevoerde verweren', het volgende in:

"Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er ten aanzien van het de verdachte onder 2 ten laste gelegde geen sprake is van medeplegen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte ter uitvoering van een gezamenlijk plan zo nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt dat sprake is geweest van medeplegen van poging tot doodslag (en afpersing), meermalen gepleegd. Het hof overweegt onder meer dat de verdachte en diens mededader een doorgeladen vuurwapen bij zich hadden, welk op enig moment door de medeverdachte is overgedragen aan de verdachte, waarna de verdachte onder meer op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Derhalve verwerpt het hof het gevoerde verweer.

Tenslotte heeft de raadsman met betrekking tot het de verdachte onder 3 ten laste gelegde aangevoerd dat het er alle schijn van heeft dat medeverdachte [betrokkene 2] vlak vóór zijn aanhouding de tas met het vuurwapen uit het dashboardkastje heeft gehaald en onder de bijrijdersstoel heeft neergelegd. Het dossier biedt geen enkele aanwijzing dat de verdachte zich toen en daar bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto. Er was geen sprake van zodanige beschikkingsmacht van de verdachte over het vuurwapen en de munitie dat deze de conclusie rechtvaardigt dat hij op basis van bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte [betrokkene 2] het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem onder 3 ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Gelet op de plaats waar het vuurwapen is aangetroffen, zichtbaar in een open tas onder het dashboardkastje bij de bijrijdersstoel, alwaar de verdachte als bijrijder zat, is het hof van oordeel dat de verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen en dat hij daarover de beschikkingsmacht heeft gehad, zodat hij het vuurwapen en de daarbij behorende munitie tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad. De suggestie van de raadsman dat medeverdachte [betrokkene 2] vlak voor zijn aanhouding de tas met het vuurwapen uit het dashboardkastje heeft gehaald en onder de bijrijdersstoel heeft neergelegd wordt niet gedragen door de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 2012, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Derhalve verwerpt het hof het gevoerde verweer."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 2 en onder 3 tenlastegelegde telkens ten aanzien van het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.

Aangezien de bewezenverklaring van het onder 2 en het onder 3 tenlastegelegde, telkens voor zover inhoudende dat de verdachte heeft gehandeld tezamen en in vereniging met een ander niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, is de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak op deze punten. Naast het wettelijk strafmaximum, dat niet mede wordt bepaald door het antwoord op de vraag of het feit in vereniging wordt gepleegd, en de door het Hof opgelegde straf en de motivering daarvan, neemt de Hoge Raad daarbij in aanmerking dat in cassatie onbestreden is dat het de verdachte is geweest die de daadwerkelijke uitvoeringshandelingen van het onder 2 bewezenverklaarde heeft verricht, alsmede dat de verdachte het wapen en de munitie zoals onder 3 bewezenverklaard voorhanden heeft gehad.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft beslist dat de aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente.

4.2.

De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 24.659,31. De gestelde schade bestaat uit de volgende posten:

- eigen risico zorgverzekering, te weten € 356,20;

- kosten fysiotherapeut, te weten € 620,00;

- vervanging gestolen autosleutel, te weten € 86,00;

- kosten vervanging slot voordeur, te weten € 8,79;

- reiskosten, te weten € 1.329,30;

- geannuleerde reis naar Turkije, te weten € 480,00;

- beschadigde kleding, te weten € 260,00;

- gestolen geld, te weten € 150,00;

- verlies arbeidsvermogen/gederfde inkomsten (tot 9 oktober 2012) € 5.169,02;

- kosten psycholoog, te weten € 200,00;

- immateriële schade, te weten € 15.000,00;

- verhuiskosten, te weten € 1.000,00.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 17.567,70. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

(...)

Ter terechtzitting van 1 juli 2014 van het hof is namens de benadeelde partij verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (rechthebbende(n) nabestaanden [slachtoffer 2] )

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.300,99. De gestelde schade bestaat uit de volgende posten:

- eigen risico zorgverzekering, te weten € 345,32;

- reiskosten, te weten € 113,28;

- beschadigde kleding, te weten € 209,00;

- beschadigde meubels in woning, te weten € 189,99;

- telefoonkosten, te weten € 100,00;

- verhuiskosten, te weten € 681,25;

- kosten verblijf in ziekenhuis, te weten € 546,00;

- kosten rechtsbijstand, te weten € 76,00;

- verlies arbeidsvermogen (tot 9 oktober 2012), te weten € 3.040,15.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

(...)

Ter terechtzitting van 1 juli 2014 van het hof is namens de benadeelde partij verzocht de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

(...)

Beslissing

(...)

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 17.567,70 (zeventienduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en zeventig cent) bestaande uit € 2.567,70 (tweeduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en zeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 17.567,70 (zeventienduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en zeventig cent) bestaande uit € 2.567,70 (tweeduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en zeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 122 (honderdtweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (rechthebbende(n) nabestaanden [slachtoffer 2] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 20.300,99 (twintigduizend driehonderd euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 5.300,99 (vijfduizend driehonderd euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 20.300,99 (twintigduizend driehonderd euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 5.300,99 (vijfduizend driehonderd euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 136 (honderdzesendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen."

4.3.

De zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindende voegingsformulieren van de benadeelde partijen houden geen opgave in van de wettelijke rente. Ook uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg blijkt niet dat de benadeelde partijen aldaar - alsnog - wettelijke rente hebben gevorderd. In cassatie moet het daarom ervoor worden gehouden dat door de benadeelde partijen in eerste aanleg niet op de door de bij de wet voorgeschreven wijze wettelijke rente is gevorderd. In aanmerking genomen dat een benadeelde partij haar vordering in hoger beroep niet kan vermeerderen, ook niet met de wettelijke rente (vgl. HR 11 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4262), heeft het Hof ten onrechte beslist dat die rente vergoed moet worden.

4.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

5 Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het Hof heeft beslist dat wettelijke rente vergoed moet worden over de toegewezen bedragen van de vorderingen van de benadeelde partijen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2015.