Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3253

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2015
Datum publicatie
11-11-2015
Zaaknummer
14/05364
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2238, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:8915, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid cassatieberoep. Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de AG 3 tot en met 15 kan verdachte worden ontvangen in het ingestelde beroep. Middel: art. 359.2 Sv, u.o.s. m.b.t. de vraag of het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het Hof heeft i.s.m. art. 359.2 Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die hebben geleid tot afwijking van het u.o.s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0504
RvdW 2015/1243
NJ 2015/473

Uitspraak

10 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/05364

CB/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 13 oktober 2014, nummer 21/002196-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3 tot en met 15 kan de verdachte worden ontvangen in het ingestelde beroep.

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat het bewijs voor de tenlastegelegde bedreiging ontbreekt.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"op 15 november 2013 te Huizen [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde 1] dreigend de woorden toegevoegd: "ik maak ze dood" en/of "ik ga ze vermoorden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen.

a. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover inhoudende:

"Ik heb op 15 november 2013 een telefoongesprek gevoerd met [betrokkene 1] . Zij was bij de gemeente te Huizen. De telefoon stond op de speaker, zodat de aanwezige medewerkers mij konden horen."

b. Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [aangeefster] :

"(p. 3) Ik ben namens de benadeelde [benadeelde 1] gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik was op 15 november 2013 werkzaam te Huizen.

(p. 4) Ik hoorde dat [betrokkene 1] een meneer aan de telefoon kreeg, die zij op speaker zette, zodat wij hem konden verstaan. Ik hoorde dat de man die zij aan de telefoon had zei: "wie heb je gesproken dan". Ik hoorde dat [betrokkene 1] toen de namen gaf van de collega's die haar zaak in behandeling hadden. Ik hoorde dat ze ook de naam [benadeelde 1] noemde. Ik hoorde dat de man toen zei: "ik kom daar naar toe, ik maak ze dood".

(p. 6) Ik heb op dezelfde dag tegen [benadeelde 1] gezegd dat hij bedreigd was door de man."

c. Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :

"(p. 8) Ik was op 15 november 2013 aan het werk bij de gemeente te Huizen. Mijn collega was een jongedame aan het helpen. (...) Ze zette het telefoongesprek op de speaker. Ik hoorde dat de manspersoon door de telefoon vroeg wat de namen waren van mijn collega's.

(p. 9) Het verbaasde mij dat zij namen doorgaf van twee personen. Ik hoorde dat de manspersoon door de telefoon kwaad werd en zei: 'Ik kom wel langs en ik ga ze vermoorden'."

d. Een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] :

"(p. 12) Ik was op 15 november 2013 werkzaam bij de gemeente te Huizen. (...) De dame belde een persoon op met haar mobiele telefoon. Ik hoorde dat zij haar telefoon op de speaker zette en ik hoorde een manspersoon praten.

(p. 13) Ik hoorde dat de man aan de telefoon vroeg wat de namen waren van de medewerkers die haar niet wilde helpen. Ik hoorde dat de dame een naam noemde. Ik ben vergeten wat de man precies aan de telefoon heeft gezegd, maar ik weet wel dat het geen leuke dingen waren. Ik hoorde dat hij zei: 'Ik kom dan wel even langs'."

3.2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Cliënt wordt verdacht van bedreiging van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] op 15 november 2013 te Huizen. Hij zou voornoemde personen hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, nu hij volgens de tenlastelegging [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] dreigend de woorden zou hebben toegevoegd: "ik maak ze dood en/of ik ga ze vermoorden", althans woorden van gelijke strekking.

In eerste aanleg achtte de politierechter de bedreiging van [benadeelde 1] bewezen en heeft cliënt veroordeeld tot een werkstraf van 14 uur. Cliënt kon zich hiermee niet verenigen nu hij het ten laste gelegde feit geheel ontkent.

In deze zaak betreft het volgens de aangifte van [aangeefster] een indirecte mondelinge bedreiging - zijnde een bedreiging die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] niet uit de mond van cliënt zelf hebben vernomen - maar die hem/haar via [aangeefster] zou hebben bereikt.

Het feit zoals thans ten laste is gelegd, gaat echter uit van een rechtstreekse bedreiging van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] door cliënt, immers ontbreekt de zinsnede dat de bedreiging middels tussenkomst van [aangeefster] zou zijn geuit.

Gelet op de aangifte is van een directe of rechtstreekse bedreiging van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geen sprake en evenmin bevindt zich hiervoor in het dossier wettig en overtuigend bewijs derhalve verzoek ik u om cliënt om die reden vrij te spreken.

Indien uw hof van oordeel is dat in deze tenlastelegging ook een indirecte mondelinge bedreiging te lezen is dan wil de verdediging het navolgende naar voren brengen.

Voor een bewezenverklaring van een dergelijke bedreiging is nodig dat wettig en overtuigend komt vast te staan dat:

(1) de uiting, die aan cliënt wordt toegeschreven, bij [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , mede gelet op de context, redelijke vrees kon doen ontstaan dat zijn of haar leven op het spel stond; alleen dan is sprake van bedreiging.

(2) dat deze bedreiging ook werkelijk door cliënt werd geuit, en dat hij op z'n minst heeft begrepen dat een aanmerkelijke kans bestond dat zijn uiting [benadeelde 1] en/ of [benadeelde 2] zou bereiken en door hem/haar als bedreigend zou worden opgevat.

(3) dat de uiting ook [benadeelde 1] en/ of [benadeelde 2] daadwerkelijk heeft bereikt.

Ad (1) - Redelijke vrees ontstaan?

Ten aanzien van het eerste punt geldt dat de bedreiging waarvan cliënt wordt beticht zou zijn geuit in een telefoongesprek met zijn vriendin (thans zijn echtgenoot), [betrokkene 1] , waarbij zij de telefoon op enig moment op de luidspreker heeft gezet.

In voornoemd telefoongesprek zou cliënt volgens aangeefster het navolgende hebben gezegd (pagina 4 van het dossier):

'Ik hoorde dat de man die zij aan de telefoon had toen zei: "wie heb je gesproken dan."

Ik hoorde dat [betrokkene 1] toen de namen gaf van de collega's die haar zaak in behandeling hadden. Ik hoorde dat ze zei dat ze gesproken had met [benadeelde 2] en hoorde dat ze deze naam spelde voor de man aan de telefoon en dat ze zei dat dit een pakistaanse vrouw zou zijn. Ik hoorde dat ze ook de naam [benadeelde 1] noemde en dat de man aan de telefoon toen vroeg; is dat een man? Ik hoorde [betrokkene 1] toen: "ja het is een man en het is een Nederlander."

Ik hoorde dat de man toen zei: ik kom daar naar toe, ik maak ze dood.'

Verder verklaart aangeefster dat zij zelf niet persoonlijk is bedreigd maar dat zij enkel de bedreiging heeft gehoord en omwille van het protocol in het kader van geweld tegen medewerkers van de publieke sector aangifte wilde doen.

De aangeefster stelt (pagina 6 van het dossier) dat zij dezelfde dag tegen [benadeelde 1] heeft gezegd dat hij bedreigd was door cliënt en dat zij [benadeelde 2] nog niet in kennis heeft gesteld omdat zij een lang weekend op vakantie was.

Ten aanzien van [benadeelde 2] vond [aangeefster] de bedreiging kennelijk niet zodanig ernstig dat zij haar dezelfde dag nog op de hoogte heeft gebracht hetgeen toch voor de hand zou hebben gelegen als diegene met dood wordt bedreigd. In plaats daarvan laat zij [benadeelde 2] een lang weekendje weggaan.

Uit het dossier blijkt verder niet dat [benadeelde 2] via [aangeefster] überhaupt op de hoogte is gesteld van de vermeende bedreiging derhalve kan de bedreiging aan het adres van [benadeelde 2] niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Voor wat betreft [benadeelde 1] biedt het dossier geen informatie over de vraag wat aangeefster nu precies aan [benadeelde 1] heeft doorgegeven omtrent de vermeende door haar waargenomen bedreiging aan zijn adres.

Op pagina 6 van het dossier staat enkel dat aangeefster tegen [benadeelde 1] heeft gezegd dat hij was bedreigd door cliënt en [benadeelde 1] achter de aangifte zou staan. Niet duidelijk is of dit in verband met het eerder genoemde protocol is of omdat bij hem de redelijke vrees was ontstaan dat zijn leven op het spel stond naar aanleiding van hetgeen hij van aangeefster heeft te horen gekregen.

Vaststaat dat - blijkens de verklaring van aangeefster (pagina 5 van het dossier) - [benadeelde 1] ten tijde van het telefoongesprek tussen cliënt en zijn vriendin elders in het pand aan het werk was en de bedreiging niet heeft gehoord alsmede dat hij niet direct naar de politie is gegaan na het vernemen van de mededeling van aangeefster dat hij bedreigd zou zijn, sterker nog hij heeft überhaupt geen aangifte gedaan.

Gelet op hierop is de verdediging van mening dat ook bij [benadeelde 1] niet de redelijke vrees is ontstaan dat zijn leven op het spel zou staan.

Verder wijst de verdediging erop dat aangeefster pas drie dagen na het telefoongesprek heeft gemeend aangifte te moeten doen hetgeen erop duidt dat ook zij het voorval minder ernstig opvatte dan dat zij later in de aangifte wil doen vermoeden. Indien er sprake is van een zodanige bedreiging dan zou je toch direct naar de politie gaan om hiervan melding te maken teneinde bescherming te krijgen.

Een eventuele melding van het vermeende voorval had direct kunnen worden gedaan aangezien de politie ter plaatse is geweest om [betrokkene 1] mee te nemen. Uit het dossier blijkt niet dat aangeefster en/of [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] melding hebben gemaakt van het vermeend incident.

Gelet op voorgaande geldt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bij [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] de redelijke vrees is ontstaan dat hun leven op het spel zou staan.

Ad (2) - Bedreiging ook daadwerkelijk geuit en voorwaardelijk opzet?

Ter zake de bedreiging geldt dat cliënt zich op het standpunt stelt dat hij deze nimmer heeft geuit.

Hij verklaart hierover bij de politie en ook ter zitting in eerste aanleg dat hij enkel tegen zijn vriendin heeft gezegd dat hij persoonlijk daar naar toe zou komen voor een gesprek met een van de dossierbehandelaars. Om die reden heeft hij in het gesprek met zijn vriendin gevraagd met wie zij had gesproken zodat hij met hen een gesprek kon hebben.

Getuige, [betrokkene 1] , bevestigt dit ook in haar verklaring bij de politie. Zij heeft bij de politie hierover het navolgende verklaart:

"Toen hoorde ik mijn vriend zeggen: "Geef mij die namen door van de mensen die jouw zaak hebben behandeld, zowel die man als die vrouw." Ik heb toen die namen en hun functies aan hem doorgegeven. Toen hoorde ik hem zeggen: "Nou is goed, dan ga ik daar morgen zelf persoonlijk langs en dan ga ik persoonlijk een gesprek met ze voeren, want ik wil antwoorden op vragen."

Getuige, [betrokkene 3] , werkzaam bij de gemeente Huizen, bevestigt voorgaande. [betrokkene 3] verklaart aan de politie dat hij heeft gehoord dat cliënt de namen vroeg van de medewerkers die [betrokkene 1] niet wilde helpen waarbij hij overigens niet kan herinneren wie dat waren.

Verder verklaart hij dat hij cliënt hoorde zeggen: "Ik kom dan wel even langs of woorden van gelijke strekking."

Getuige [betrokkene 3] bevestigt derhalve de verklaring van cliënt en getuige [betrokkene 1] die beiden hebben verklaard dat cliënt enkel heeft gezegd dat hij persoonlijk zou langs komen. Van een bedreiging wordt door getuige [betrokkene 3] niet gesproken.

Getuige, [betrokkene 3] , verklaart bijna na een maand na het vermeende incident op 11 december 2013 als volgt (pagina 8 en 9 van het dossier):

"Ik hoorde dat de manspersoon door de telefoon vroeg wat de namen waren van mijn collega's. Het verbaasde mij dat zij namen doorgaf van twee personen, namelijk [aangeefster] en de tweede naam weet ik niet. Ik weet wel wie de collega is maar zijn naam weet ik niet. Ik hoorde dat de manspersoon door de telefoon kwaad werd en zei: 'Ik kom wel langs en ik ga ze vermoorden' of woorden van gelijke strekking."

Getuige [betrokkene 2] bevestigt derhalve niet het verhaal van aangeefster dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zouden zijn bedreigd. Sterker nog, hij verklaart juist dat cliënt aangeefster zou hebben bedreigd terwijl die - zoals gezegd - heeft verklaard dat zij zich zelf niet bedreigd voelde maar dat de bedreiging zou zien op

[benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

De verklaringen van aangeefster en [betrokkene 2] stemmen weliswaar enigszins overeen waar het gaat om de geuite bewoordingen doch niet omtrent de vraag aan wie deze uitingen waren gericht hetgeen voor de bedreiging wel essentieel is en juist op dit punt spreken de verklaringen elkaar tegen.

Gelet op voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat er een bedreiging door cliënt is geuit jegens [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] . Immers, bevestigen twee getuigen ( [betrokkene 1] en [betrokkene 3] ) de verklaring van cliënt en spreken de verklaringen van aangeefster en [betrokkene 2] zichzelf tegen waar het gaat om de vraag wie er dan bedreigd zou zijn.

Voor zover uw hof van oordeel zou zijn dat er wel sprake zou zijn van een door cliënt geuite bedreiging, geldt dat cliënt zich niet willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de uitlatingen van cliënt ter kennis zouden komen van
[benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

Client heeft weliswaar aan zijn vriendin gevraagd om de telefoon op de luidspreker te zetten zodat de medewerkers van de gemeente Huizen konden meeluisteren echter heeft [betrokkene 1] in dit verband verklaard: Ik antwoordde toen aan mijn vriend: "Ze lopen weg, ze willen het niet horen of reageren, dus laat maar zitten."

Cliënt verkeerde derhalve in de veronderstelling dat naast zijn vriendin er verder niet niemand luisterde dan wel het gesprek kon horen derhalve heeft hij zich niet willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat eventuele uitlatingen zijnerzijds ter kennis zouden kunnen komen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en al helemaal niet dat eventuele uitlatingen zijnerzijds als bedreigend zouden overkomen jegens hem.

In dit verband zij nog opgemerkt dat cliënt nimmer dergelijke uitlatingen - zoals thans ten laste gelegd - zou doen via een luidspreker van een telefoon in een ruimte waarbij het hem duidelijk zou zijn dat eventuele anderen hem zouden kunnen horen en dit ook als bedreigend zouden kunnen opvatten. Dit zou wel heel naïef zijn van cliënt.

Ad (3): bedreiging [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] bereikt?

Ten aanzien van dit punt geldt dat de uitingen van cliënt [benadeelde 2] niet hebben bereikt althans zo blijkt niet uit het dossier.

[benadeelde 1] zou door aangeefster op de hoogte zijn gebracht van de bedreiging echter geldt dat daarbij niet bekend is wat aangeefster nu precies heeft gezegd en in hoeverre hierdoor bij hem de redelijke vrees was ontstaan dat zijn leven op het spel stond. Zoals gezegd heeft hij zelf geen aangifte gedaan van enige bedreiging derhalve is het de vraag of bij hem een redelijke vrees was ontstaan.

Gelet op al het voorgaande is de verdediging van mening dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om cliënt te veroordelen voor bedreiging van [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] derhalve wil ik u verzoeken om hem daarvan alsnog vrij te spreken."

3.3.

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht met betrekking tot de vraag of het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het Hof naar voren is gebracht.

Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door het vonnis van de Politierechter, waarbij is bewezenverklaard hetgeen hiervoor onder 3.2.1 is weergegeven, te bevestigen maar heeft, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid, terwijl die redenen ook niet in voldoende mate blijken uit de onder 3.2.2 weergegeven bewijsmiddelen. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg.

3.4.

Het middel slaagt.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2015.