Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3242

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
14/02970
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1130, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:792, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Pensioenrecht. Niet verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds; uittreden werkgever. Berekening verzekeringstechnisch nadeel. Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000; Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000; Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel. Art. 16-17 Richtlijn 2003/41/EG; art. 27-28 Richtlijn 2002/83/EG. Pensioen- en spaarfondsenwet, Pensioenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2133
NJB 2015/2012
RvdW 2015/1202
JWB 2015/385
PJ 2016/6 met annotatie van H.P. Breuker
NJ 2016/169 met annotatie van M. Heemskerk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 november 2015

Eerste Kamer

14/02970

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS
VOOR DE MEDIA PNO,
gevestigd te Hilversum,

EISERES tot cassatie,

advocaat: Chr.F. Kroes,

t e g e n

KPN B.V.,
gevestigd te Den Haag,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: K. Teuben.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als PNO en KPN.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 508071/HA ZA 12-76 van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2012 en 16 januari 2013;

b. het arrest in de zaak 200.126.217/01 van het gerechtshof Amsterdam van 4 maart 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft PNO beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

KPN heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor KPN mede door mr. K.J.O. Jansen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van PNO heeft bij brief van 24 juli 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) PNO is een niet verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet (voorheen Pensioen- en spaarfondsenwet).

(ii) De Nederlandse Omroep Zender Maatschappij N.V. (later Nozema Services N.V., hierna: Nozema) had aan haar werknemers pensioentoezeggingen gedaan en wilde deze pensioentoezeggingen, conform haar wettelijke plicht, onderbrengen bij een pensioenuitvoerder. Op 15 mei 2002 is hiertoe tussen PNO en Nozema een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten die als doel had om de rechten en verplichtingen over en weer in het kader van de aansluiting van Nozema bij PNO vast te leggen. De aansluiting van Nozema bij PNO was onverplicht in de zin dat Nozema de pensioentoezeggingen ook bij een verzekeraar of een ondernemingspensioenfonds had kunnen onderbrengen.

(iii) Op 20 oktober 2006 heeft een juridische fusie plaatsgevonden tussen Nozema en KPN, waardoor Nozema als rechtspersoon is opgehouden te bestaan. De werknemers van Nozema zijn per 1 oktober 2006 opgenomen in de pensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds KPN.

(iv) KPN heeft per 1 oktober 2006 de deelname aan de pensioenregeling van PNO beëindigd.

( v) Art. 10 lid 3 van de overeenkomst bepaalt:

"Uittreding van de deelnemende als bedoeld in het eerste lid is slechts mogelijk, indien het fonds schadeloos wordt gesteld voor een eventueel uit die uittreding voortvloeiend verzekeringstechnisch nadeel voor het fonds. De aanwezigheid van een verzekeringstechnisch nadeel wordt vastgesteld door de actuaris van het fonds. De deelnemende organisatie ontvangt een afschrift van het desbetreffende rapport van de actuaris."

(vi) Bij brief van 5 september 2007 heeft PNO aan KPN laten weten dat het verzekeringstechnisch nadeel dat als gevolg van het uittreden is ontstaan een bedrag van € 837.765,-- betreft, te vermeerderen met de kosten van het uittredingsverzoek van € 1.500,-- derhalve in totaal € 839.265,--.

(vii) Als bijlagen bij de brief waren aangehecht twee brieven van de actuaris van PNO, [A] B.V. (hierna: [A] ). In de brief van (vermoedelijk) 6 juni 2007 is vermeld dat het verzekeringstechnisch nadeel volgens [A] bestond uit drie componenten: a) te missen solidariteitsbijdragen op grond van de gemiddelde leeftijd als gevolg van het uittreden,
b) te missen herstelpremie als gevolg van het uittreden, en c) de kosten die redelijkerwijs verbonden zijn aan de behandeling van het uittredingsverzoek. De brief vermeldt voorts, voor zover relevant:

"In bijlage 1 gaan wij achtereenvolgens in op de hierboven beschreven drie componenten. Voor de vaststelling van de te missen solidariteits-bijdragen stellen wij voor aan te sluiten bij het (objectief vastgestelde) Vrijstellingsbesluit uit de Wet Bpf 2000. Voor de vaststelling van de te missen herstelpremie stellen wij voor aan te sluiten bij het onlangs door het bestuur vastgestelde premie- en indexatiebeleid. Tevens stellen wij voor de te missen solidariteits-bijdragen, indien negatief, te verrekenen met de overige componenten van het verzekeringstechnische nadeel."

(viii)In de brief van 21 juni 2007 van [A] staat dat de te missen solidariteitsbijdrage uitkomt op een negatief bedrag van € 277.353,-- aangezien de uittredende deelnemers van KPN gemiddeld ouder waren dan de achterblijvende deelnemers bij PNO, en dat de herstelpremie € 1.115.118,-- bedraagt.

(ix) Na diverse aanmaningen heeft KPN een bedrag van € 849.060,26 betaald, welk bedrag door PNO is ontvangen. Ook heeft PNO een bedrag van € 4.966,61 van KPN ontvangen ter zake van een rentenota.

( x) KPN heeft na betaling van voornoemde bedragen bij PNO alsnog bezwaar gemaakt tegen de berekening van het verzekeringstechnisch nadeel.

3.2.1

KPN heeft gevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat PNO wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag in hoofdsom van € 854.026,87. Aan deze vordering heeft KPN ten grondslag gelegd dat de door PNO berekende herstelpremie van € 1.115.118,-- berust op een onjuiste uitleg van het begrip verzekeringstechnisch nadeel in de zin van art. 10 lid 3 van de overeenkomst en dat zij het bedrag van € 854.026,87 dus onverschuldigd heeft betaald.

3.2.2

De rechtbank heeft de vorderingen van KPN afgewezen.

Het hof heeft de vordering van KPN tot terugbetaling van voormeld bedrag van in hoofdsom € 854.026,87 alsnog toegewezen.

3.3.1

In cassatie wordt niet opgekomen tegen de volgende overwegingen en beslissingen van het hof:

(i) De kern van het geschil betreft de vraag hoe het begrip verzekeringstechnisch nadeel in art. 10 lid 3 van de overeenkomst moet worden uitgelegd; voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan het begrip verzekeringstechnisch nadeel mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijze van elkaar mochten verwachten (rov. 3.4);

(ii) Bij de uitleg van het begrip verzekeringstechnisch nadeel zijn acht door het hof vermelde omstandigheden van belang (rov. 3.5); en

(iii) In de onder rov. 3.5 genoemde omstandigheden heeft KPN (Nozema) redelijkerwijs niet behoeven te begrijpen dat het begrip verzekeringstechnisch nadeel in de overeenkomst een ruimere inhoud had dan het begrip verzekeringstechnisch nadeel in de Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel, meer in het bijzonder niet dat onder dat begrip ook de te missen herstelpremie zou vallen; uit de feiten volgt niet dat PNO erop mocht vertrouwen dat KPN (Nozema) begreep dat PNO een eigen invulling aan het begrip verzekeringstechnisch nadeel gaf (rov. 3.6).

3.3.2

De onderdelen 1 en 2 keren zich tegen de rov. 3.7-3.13 waarin het hof als volgt heeft overwogen met betrekking tot de uitleg en de toepassing van de Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel:

“3.7 PNO stelt dat ook bij toepassing van de Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel de te missen herstelpremie door KPN vergoed zou moeten worden. In de eerste plaats voert PNO aan dat de herstelpremie ook bedoeld is voor de inkoop van aanspraken voor niet-actieven in de zin van artikel 1 onder c van de Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel. Middels toekenning van indexatie vindt immers inkoop van extra, een verhoogd, pensioen plaats, aldus PNO.

3.8

Het hof is van oordeel dat artikel 1 onder c uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat het bedrijfstakpensioenfonds in de referentieperiode pensioenaanspraken voor niet-actieven (voormalige werknemers en gepensioneerden) heeft ingekocht. Noch uit de berekening van de actuaris van PNO noch uit de stukken die PNO in het geding heeft gebracht, blijkt dat die situatie zich heeft voorgedaan. De herstelpremie kan derhalve niet onder artikel 1 onder c van de Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel worden gebracht.

3.9

Daarnaast voert PNO aan dat de te missen herstelpremie valt onder de in de Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel opgenomen regel dat bij een onderdekking de uittredende werkgever op dezelfde wijze als de achterblijvende werkgevers dient bij te dragen in de financiering van de achterstand. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

3.10

Ten tijde van de uittreding van KPN (Nozema) was de dekkingsgraad ruim 118%. Uit de notulen van de vergadering van het bestuur van PNO van 7 december 2005 (…) volgt dat bij een dekkingsgraad lager dan 105% sprake is van onderdekking. De te missen herstelpremie valt derhalve niet onder het bepaalde in de Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel ter zake van onderdekking. Ten tijde van de uittreding was er bij PNO immers geen onderdekking. Anders dan PNO aanvoert, kan uit het bemiddelingsvoorstel van de SER-bemiddelaar niet worden opgemaakt dat, indien er geen situatie van onderdekking is, de te missen herstelpremie toch onder het begrip verzekeringstechnisch nadeel van de Rekenregels kan worden gebracht. PNO licht dat ook niet toe.

3.11

PNO brengt nog naar voren dat het missen van herstelpremie negatieve gevolgen heeft voor herstel van de dekkingsgraad en daarmee voor de indexatiecapaciteit bij PNO. De werknemers van Nozema die pensioenaanspraken bij PNO hebben opgebouwd, hebben recht op toekomstige indexatie, indien en voor zover PNO tot het toekennen van indexatie besluit. PNO lijdt nadeel indien zij van KPN (Nozema) niet de bijdrage ontvangt die gericht is op het verkrijgen van voldoende dekking voor de indexatie van die pensioenaanspraken, aldus PNO.

3.12

Het hof begrijpt het betoog van PNO aldus dat door het uittreden van KPN (Nozema) het risico wordt vergroot dat de kosten van indexering van de aanspraken van de niet-actieven (gepensioneerden en slapers) niet volledig uit de opbrengsten van het voor hun aanwezige pensioenvermogen kunnen worden gefinancierd en indexering van hun aanspraken geschiedt ten kosten van het mede met de herstelpremie opgebouwde pensioenvermogen van de premiebetalende werknemers. PNO ziet eraan voorbij dat een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds dat aan een werkgever vrijstelling van de verplichte deelneming verleent, ook met dat risico heeft te maken en dat de Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel voor dat risico (ook) geen compensatie toekennen.

3.13

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat, anders dan PNO stelt, uit artikel 10 lid 3 van de overeenkomst niet volgt dat de actuaris van PNO het verzekeringstechnisch nadeel naar eigen inzicht en voor partijen bindend vaststelt. De actuaris moet bij het vaststellen/berekenen van het verzekeringstechnisch nadeel uitgaan van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het begrip verzekeringstechnisch nadeel in de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Toepassing van deze maatstaf brengt mee dat er geen grond is om het begrip verzekeringstechnisch nadeel uit te leggen in de door PNO bepleite zin.”

3.4

De Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel (hierna: Rekenregels) vormen Bijlage 2 bij het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (voorheen het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000) (Stb. 2000/633), dat zijn wettelijke grondslag vindt in art. 13 lid 3 Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Stb. 2000/628). De Rekenregels zijn aan te merken als recht in de zin van art. 79 lid 1 RO. Voor zover van belang luiden deze Rekenregels:

“De hoogte van de compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnische nadeel bij vrijstelling heeft betrekking op de volgende elementen:

1. te missen solidariteitsbijdragen als gevolg van het uittreden uit het bedrijfstakpensioen-fonds.

Deze solidariteitsbijdrage wordt als volgt berekend:

a. (…);

b. (…);

c. indien gedurende de onder a gehanteerde referentieperiode een deel van de doorsneejaar-premie (…) betrekking heeft op de inkoop van aanspraken voor niet-actieven, dient dit deel, verhoogd met voorzienbare toekomstige stijgingen hiervan, eveneens gecompenseerd te worden;

d. (…)

2. de kosten die redelijkerwijs verbonden zijn aan de behandeling van het vrijstellingsverzoek.

Indien er op de dag van uittreding sprake is van een onderdekking, mag dit er niet toe leiden dat de financieringsachterstand wordt verhaald op de
bij het bedrijfstakpensioenfonds achterblijvende werkgevers. De werkgever aan wie de vrijstelling is verleend dient dan op dezelfde wijze als de achterblijvende werkgevers bij te dragen in de financiering van de achterstand. Partijen kunnen overeen komen dat dit in één keer wordt afgerekend.”

3.5.1

Onderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 3.10 ten onrechte oordeelt dat de te missen herstelpremie niet valt onder het bepaalde in de Rekenregels ter zake van onderdekking. Volgens het onderdeel is sprake van onderdekking in de zin van de Rekenregels zolang het bedrijfstakpensioenfonds haar streefdekkingsgraad nog niet heeft bereikt. KPN dient op gelijke voet als de achterblijvende werkgevers bij te dragen aan de financiering van de achterstand, zodat de herstelpremie deel uitmaakt van het verzekeringstechnisch nadeel in de zin van de Rekenregels, zolang PNO haar streefdekkingsgraad van 125,5% nog niet had bereikt, aldus het onderdeel.

3.5.2

Het begrip ‘onderdekking’ is in de Rekenregels zelf niet gedefinieerd. Een definitie is evenmin te vinden in het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (voorheen het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000), dan wel de voorloper daarvan, de Vrijstellingsregeling Wet Bpf (Stcrt. 1998/78). De uitleg van dit begrip dient derhalve te geschieden door aansluiting te zoeken bij de aanverwante regelgeving en beleidsdocumenten die zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.18-3.24.

3.5.3

Op grond van art. 16 lid 1 van Richtlijn 2003/41/EG betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PbEU 2003, L 235/10) is iedere pensioeninstelling ertoe verplicht te allen tijde over voldoende en passende activa te beschikken om de technische voorzieningen met betrekking tot het geheel van de door haar uitgevoerde pensioenregelingen te dekken. Art. 17 lid 1 van Richtlijn 2003/41/EG schrijft voor dat de in die bepaling bedoelde pensioeninstellingen permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de technische voorzieningen. Voor de berekening van het minimumbedrag van de aanvullende activa wordt in art. 17 lid 2 van Richtlijn 2003/41/EG verwezen naar de art. 27 en 28 van Richtlijn 2002/83/EG (PbEU 2002, L 345/1).

Blijkens de bijlage bij de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2005 (Kamerstukken II 2004-2005, 28 294, nr. 21, bijlage, p. 2) leidt toepassing van laatstgenoemde richtlijnbepalingen ertoe dat het minimaal vereist eigen vermogen uitkomt op circa 5% van de technische voorzieningen, hetgeen leidt tot een minimaal vereiste dekkingsgraad van 105%.

3.5.4

Richtlijn 2003/41/EG is aanvankelijk geïmplementeerd in de Pensioen- en spaarfondsenwet en nadien in de Pensioenwet. In de toelichting op de desbetreffende wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt de door art. 16 lid 2 van Richtlijn 2003/41/EG bedoelde situatie dat de pensioeninstelling over onvoldoende activa beschikt om de technische voorzieningen te dekken, aangemerkt als een geval
van ‘vermogenstekort’ respectievelijk ‘onderdekking’ (Kamerstukken II 2004-2005, 30 104, nr. 3, p. 11, 23-24 en 27).

3.5.5

In het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen (Stb. 2006/710), dat zijn wettelijke grondslag vindt in de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt onderscheid gemaakt tussen het ‘minimaal vereist eigen vermogen’ (art. 11) en het ‘vereist eigen vermogen’ (art. 12). Blijkens de bijbehorende nota van toelichting (p. 25-26) zijn voor de berekening van het minimaal vereist eigen vermogen als bedoeld in art. 11 de voorschriften van de hiervoor in 3.5.3 vermelde richtlijnen bepalend, en bedraagt dit minimaal vereist eigen vermogen circa 5% van de technische voorzieningen. Voor het vereist eigen vermogen als bedoeld in art. 12 wordt uitgegaan van een dekkingsgraad van maximaal 130%.

3.5.6

Ten slotte wordt in de nota Toekomst pensioenstelsel uit 2012 gesproken van een situatie van onderdekking indien de dekkingsgraad onder de 105% ligt (Kamerstukken II 2011-2012, 32 043, nr. 113, p. 10 en 26).

3.5.7

Hetgeen hiervoor in 3.5.3-3.5.6 is overwogen, is grond om het begrip ‘onderdekking’ in de Rekenregels aldus uit te leggen dat daaronder wordt verstaan de situatie dat het minimaal vereist eigen vermogen van een pensioeninstelling minder bedraagt dan 5% van de technische voorzieningen die de pensioeninstelling aanhoudt ter dekking van het geheel van de door haar uitgevoerde pensioenregelingen. Van onderdekking als bedoeld in de Rekenregels is derhalve sprake indien de pensioeninstelling niet voldoet aan de minimaal vereiste dekkingsgraad van 105%.

3.5.8

Het hof heeft vastgesteld dat ten tijde van de uittreding van KPN (Nozema) de dekkingsgraad van PNO ruim 118% bedroeg, en geoordeeld dat er ten tijde van die uittreding bij PNO geen sprake was van onderdekking. Daaraan heeft het hof de gevolgtrekking verbonden dat de aan KPN in rekening gebrachte herstelpremie niet berust op het bepaalde in de Rekenregels ter zake van onderdekking. Blijkens het vorenstaande is het hof daarbij uitgegaan van een juiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip onderdekking als bedoeld in de Rekenregels. De rechtsklacht van onderdeel 1.1 faalt.

3.6.1

Onderdeel 2 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.8 dat art. 1 onder c van de Rekenregels uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat het bedrijfstakpensioenfonds pensioenaanspraken voor niet-actieven (voormalige werknemers en gepensioneerden) heeft ingekocht en dat niet blijkt dat die situatie zich heeft voorgedaan, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Volgens onderdeel 2.1.1 vereist art. 1 onder c van de Rekenregels niet dat het bedrijfstakpensioenfonds aanspraken voor niet-actieven inkoopt. Onderdeel 2.1.2 voert aan dat PNO in feitelijke instanties naar voren heeft gebracht dat door toekenning van indexering aan niet-actieven inkoop plaatsvindt van “extra, een verhoogd, pensioen”. Mede blijkens de toelichting strekken deze onderdelen ten betoge dat een dergelijke toekenning van indexering heeft te gelden als de inkoop van aanspraken voor niet-actieven in de zin van art. 1 onder c van de Rekenregels.

3.6.2

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Rekenregels, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.10-3.13, blijkt dat voor de toepassing van de Rekenregels onderscheid moet worden gemaakt tussen, enerzijds, het begrip ‘inkoop van aanspraken voor niet-actieven’ en, anderzijds, het begrip ‘indexeringsrisico’, waaronder is te verstaan de kans dat de kosten van (toekomstige) indexering van de aanspraken van de pensioentrekkenden en de ‘slapers’ (dat wil zeggen nog niet gepensioneerde deelnemers aan een pensioenregeling die bij de betrokken pensioeninstelling geen pensioen meer opbouwen) niet volledig uit de opbrengsten van het voor hen aanwezige pensioenvermogen kunnen worden gefinancierd.

Art. 1 onder c van de Rekenregels bepaalt dat de compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnische nadeel mede omvat het deel van de doorsneejaarpremie dat betrekking heeft op de inkoop van aanspraken voor niet-actieven, verhoogd met voorzienbare toekomstige stijgingen hiervan.

De Rekenregels voorzien daarentegen niet in algemene zin in compensatie van het bedrag dat nodig is ter dekking van het risico dat is verbonden aande (toekomstige) indexering van de aanspraken van niet-actieven. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Rekenregels, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.10.3-3.10.4 en 3.10.6, blijkt dat om praktische en uitvoeringstechnische redenen ervan is afgezien om dit indexeringsrisico in algemene zin te scharen onder de compensatie ter vergoeding van het verzekeringstechnische nadeel. Dit laat onverlet dat de toekenning van indexering kan plaatsvinden langs de weg van de in art. 1 onder c bedoelde inkoop van aanspraken voor niet-actieven.

3.6.3

Tegen deze achtergrond heeft het hof in rov. 3.8 terecht geoordeeld dat art. 1 onder c van de Rekenregels uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat
het bedrijfstakpensioenfonds in de referentieperiode pensioenaanspraken voor niet-actieven heeft ingekocht. Het heeft in rov. 3.12 eveneens terecht geoordeeld dat de Rekenregels geen compensatie toekennen voor het risico dat de kosten van (toekomstige) indexering van de aanspraken van de niet-actieven niet volledig kunnen worden gefinancierd uit de opbrengsten van het voor hen aanwezige pensioenvermogen.

Anders dan PNO heeft aangevoerd, kan niet worden aanvaard dat, voor de toepassing van art. 1 onder c van de Rekenregels, elke premieheffing die plaatsvindt met het oog op de toekenning van indexering aan niet-actieven, heeft te gelden als de inkoop van aanspraken voor niet-actieven (in de vorm van “extra, een verhoogd, pensioen”). Deze door PNO voorgestane uitleg van de Rekenregels, die ertoe zou leiden dat het bedrag dat nodig is ter dekking van het indexeringsrisico, mede ten laste zou komen van KPN als uittredende werkgever, strookt niet met de tekst van de Rekenregels, noch met het uit de totstandkomingsgeschiedenis af te leiden doel van deze regeling.

Voorts is het oordeel van het hof in rov. 3.8 dat niet is gebleken dat PNO in de referentieperiode pensioenaanspraken voor niet-actieven heeft ingekocht, een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.

3.6.4

Op het vorenstaande stuiten de klachten van onderdeel 2 af.

3.7

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt PNO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van KPN begroot op € 6.467,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-presiden F.B. Bakels als voorzitter, en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 6 november 2015.