Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3234

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
14/04539
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:992, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:4609, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Aansprakelijkheid bestuurder rechtspersoon op grond van onrechtmatige daad voor premieschulden rechtspersoon aan UWV. Aansprakelijkstelling bestuurder op de voet van art. 16d Coördinatiewet Sociale Verzekeringen voor UWV niet meer mogelijk wegens misleiding door bestuurder?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Coördinatiewet Sociale Verzekering
Coördinatiewet Sociale Verzekering 16d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1100
OR-Updates.nl 2015-0372
INS-Updates.nl 2015-0362
JOR 2016/218
NJB 2015/2015
AR 2015/2115
JWB 2015/371
RvdW 2015/1207
RAV 2016/12
JONDR 2016/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 november 2015

Eerste Kamer

14/04539

EV/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN (UWV),
gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. K. Teuben,

t e g e n

[verweerder],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als UWV en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/09/413012 / HA ZA 12-0202 van de rechtbank Den Haag van 23 mei 2012 en 24 april 2013;

b. het arrest in de zaak 200.132.906/01 van het gerechtshof Den Haag van 3 juni 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft UWV beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor UWV toegelicht door haar advocaat en mede door mr. K.J.O. Jansen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

3. Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) UWV heeft sinds 2002 een vordering op [A] B.V. (hierna: [A]) wegens ten onrechte niet afgedragen werkgeverspremies. Deze vordering is in de periode tot en met 2004 opgelopen tot een bedrag van € 160.708,59.

(ii) [verweerder] is, althans was destijds, bestuurder van [A].

(iii) Nadat UWV [A] (nogmaals) tot betaling had gesommeerd, heeft [A] aan (de gemachtigde van) UWV medegedeeld dat zij op de rand van een faillissement stond en dat het enige mogelijke actief een vordering van € 2 miljoen was waarover een procedure bij de rechtbank Breda liep, welke vordering zij aan UWV zou willen verpanden.

(iv) De advocaat van [A] heeft een pandakte opgesteld. Die akte is op 17 januari 2008 door [verweerder] als bestuurder van [A] en op 11 februari 2008 namens UWV ondertekend.

( v) De verpande vordering is in de pandakte omschreven als: “de betwiste vordering (…) ter invordering waarvan een procedure aanhangig is bij de rechtbank Breda (…)”.

(vi) Voorafgaand aan de ondertekening van de pandakte was de hiervoor onder (iii) bedoelde procedure, tegen [B] B.V. (hierna: [B]) e.a., bij de rechtbank Breda geëindigd door een eindvonnis van 21 november 2007. De vordering van [A] is bij dat vonnis afgewezen. Tegen het vonnis is in zoverre geen hoger beroep ingesteld.

(vii) De procedure bij de rechtbank Breda betrof ook een vordering van [C] B.V. (hierna: [C]) tegen eveneens [B] e.a.

(viii) [C] behoorde tot dezelfde groep van vennootschappen als [A]. [verweerder] was ook, zij het indirect, bestuurder en aandeelhouder van [C].

(ix) De rechtbank Breda heeft de vordering van [C] in die zin toegewezen dat voor recht is verklaard dat [B] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar overeenkomst met [C], en heeft [B] veroordeeld tot vergoeding van schade, op te maken bij staat. In hoger beroep is het vonnis in zoverre bekrachtigd. [B] heeft terzake € 100.000,-- betaald, welk bedrag [verweerder] in of omstreeks augustus 2011 in privé heeft ontvangen.

( x) Desgevraagd heeft de advocaat van [A] bij brief van 6 april 2011 aan UWV bericht dat de vordering van [A] was afgewezen. Na 27 september 2011 is UWV te weten gekomen dat het vonnis van de rechtbank Breda al op 21 november 2007 was gewezen, en is UWV ook te weten gekomen wat de inhoud van dat vonnis is.

(xi) UWV heeft naast [verweerder] ook de advocaat van [A] aansprakelijk gesteld, wegens diens rol bij onder meer de totstandkoming van de pandakte. Dit heeft geresulteerd in een betaling van € 100.000,-- aan UWV door de aansprakelijkheidsverzekeraar van die advocaat.

3.2.1

UWV vordert in dit geding veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 60.708,59, zijnde het hiervoor in 3.1 onder (i) genoemde bedrag, verminderd met het hiervoor in 3.1 onder (xi) genoemde bedrag van € 100.000,-. Het heeft hieraan, kort gezegd, het volgende ten grondslag gelegd. De pandakte was onjuist en misleidend, omdat ten tijde van de ondertekening daarvan de desbetreffende vordering reeds door de rechtbank Breda was afgewezen. Indien UWV zou hebben geweten dat die vordering reeds was afgewezen, zou het [verweerder] persoonlijk aansprakelijk hebben gesteld op de voet van het destijds geldende art. 16d Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV). Dat zou hebben geleid tot inning door UWV van het bedrag van
€ 100.000,-- dat [verweerder] als uitvloeisel van de procedure van [C] tegen [B] heeft ontvangen. Inmiddels is aansprakelijkstelling van [verweerder] op de voet van art. 16d CSV niet meer mogelijk. [verweerder] heeft door misleiding UWV een verhaalsmogelijkheid ontnomen, waarvan hem als bestuurder van [A] persoonlijk een ernstig verwijt treft.

3.2.2

De rechtbank heeft de vordering van UWV afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen (i) dat UWV door [verweerder] in de door UWV bedoelde zin is misleid, (ii) dat [verweerder] daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft, en (iii) dat [verweerder] als bestuurder van [A] voldeed aan de vereisten van art. 16d CSV voor hoofdelijke aansprakelijkheid voor de onderhavige premieschulden. Naar het oordeel van het hof is er echter geen grond om de vordering van UWV toe te wijzen. Volgens het hof bestaat tussen de aansprakelijkheid van [verweerder] en de door UWV gestelde schade geen causaal verband als bedoeld in art. 6:98 BW (rov. 2.5). Het hof heeft in dit verband overwogen dat UWV onvoldoende heeft onderbouwd dat UWV – als geen sprake zou zijn geweest van misleiding – zou zijn overgegaan tot persoonlijke aansprakelijkstelling van [verweerder] op de voet van art. 16d CSV en tot het leggen van beslag op vermogensbestanddelen van [verweerder]. UWV had moeten motiveren waarom het, als het (eerder) zou hebben geweten dat de verpande vordering niets waard was, actie jegens [verweerder] zou hebben ondernomen (rov. 2.6).

Ook volgt naar het oordeel van het hof uit de stellingen van UWV niet dat [A] of [verweerder] gehouden waren om UWV te informeren dat de vordering van [C] jegens [B] door de rechtbank gegrond was bevonden, zeker niet nu aanwijzingen dat [C] voor de betaling van de premies mede aansprakelijk is, ontbreken (rov. 2.7).

Evenmin waren [A] of [verweerder] gehouden om UWV mede te delen dat [B] wegens haar aansprakelijkheid jegens [C] een bedrag van € 100.000,-- aan [verweerder] had betaald, aldus het hof (rov. 2.8).

3.3.1

Onderdeel 1 klaagt onder meer dat onbegrijpelijk is dat het hof (in rov. 2.6) heeft geoordeeld dat UWV had moeten motiveren waarom het – zonder de misleiding – actie jegens [verweerder] zou hebben ondernomen. Het onderdeel wijst erop dat UWV ten aanzien van het causaal verband tussen de misleiding en de schade, in feitelijke instanties onder meer, samengevat, het volgende heeft aangevoerd:

( i) persoonlijke aansprakelijkstelling van bestuurders op de voet van art. 16d CSV was (destijds) het zwaarste middel dat UWV in geval van wanbetaling van (voorschot)premies ten dienste stond;

(ii) dienovereenkomstig was het beleid van UWV met betrekking tot persoonlijke aansprakelijkstelling van bestuurders (aansprakelijkstelling op de voet van art. 16d CSV) bewust terughoudend, in die zin dat niet tot persoonlijke aansprakelijkstelling werd overgegaan zolang nog enig redelijk alternatief voor die maatregel bestond;

(iii) verpanding van de door [A] gepretendeerde vordering werd als redelijk alternatief beschouwd, nu de advocaat van [A] had medegedeeld een “redelijke verwachting” te hebben omtrent toewijzing van die vordering, die in totaal € 2.000.000,-- beliep, hetgeen afgezet tegen de omvang van de premieschulden van [A] ten bedrage van € 160.708,59 als voldoende zekerheid werd beschouwd;

(iv) UWV heeft dan ook (conform zijn terughoudende beleid) afgezien van persoonlijke aansprakelijkstelling van [verweerder] op de voet van art. 16d CSV, juist vanwege de door [verweerder] gepleegde misleiding, namelijk in de door [verweerder] gewekte (achteraf onjuist gebleken) veronderstelling dat de verpande vordering een reële waarde vertegenwoordigde;

( v) het was juist [verweerder], die (samen met de advocaat van [A]) bij UWV erop aandrong af te zien van verdere rechtsmaatregelen ter incasso van de premieschulden;

(vi) UWV zou dus wél tot persoonlijke aansprakelijkstelling van [verweerder] op de voet van art. 16d CSV zijn overgegaan, bij wijze van “ultimum remedium” en als enig middel dat UWV nog ter beschikking stond, indien UWV tijdig had geweten van de ongegrondheid van de vordering (dus bij gebreke van de door [verweerder] gepleegde misleiding);

(vii) in dat kader zou (bovendien) zijn overgegaan tot beslaglegging op vermogensbestanddelen van [verweerder], waaronder zijn aandelen in [C].

3.3.2

In het licht van de hiervoor in 3.3.1 onder (i)-(vii) weergegeven stellingen van UWV is het in rov. 2.6 neergelegde oordeel van het hof onbegrijpelijk. De klacht slaagt dus. De overige klachten van onderdeel 1 behoeven geen behandeling.

3.4.1

Onderdeel 2a is gericht tegen rov. 2.7, waarin het hof heeft geoordeeld dat uit de stellingen van UWV niet volgt dat op ([A] of) [verweerder] een mededelingsplicht rustte met betrekking tot het feit dat de vordering van [C] jegens [B] door de rechtbank Breda gegrond was bevonden. Het onderdeel klaagt dat de enige motivering die het hof voor dit oordeel geeft – dat er geen aanwijzingen bestaan dat [C] voor de betaling van de premies mede-aansprakelijk is – dat oordeel niet kan dragen. Deze klacht is terecht voorgesteld. In het licht van de hiervoor in 3.3.1 weergegeven stellingen van UWV – in het bijzonder de stelling onder (vii) – kan deze door het hof gegeven motivering inderdaad zijn oordeel niet dragen en is dat oordeel ook voor het overige ontoereikend gemotiveerd.

3.4.2

Onderdeel 2b komt op tegen rov. 2.8, voor zover het hof daarin heeft geoordeeld dat op ([A] of) [verweerder] geen mededelingsplicht rustte ten aanzien van het feit dat [verweerder] in privé een bedrag van € 100.000,- had ontvangen van [B] wegens haar aansprakelijkheid jegens [C]. Ook dit oordeel is, gelet op de hiervoor in 3.3.1 weergegeven stellingen van UWV, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Onderdeel 2b slaagt derhalve.

3.4.3

Onderdeel 2c is gericht tegen rov. 2.8, voor zover het hof daarin heeft overwogen dat “namens de advocaat van [A] de kennelijk wegens de beweerdelijk door UWV in dezen misgelopen € 100.000,- [is] vergoed, zodat er in zoverre geen resterende – door [verweerder] te vergoeden – schade voor UWV is”. Ook dit onderdeel is gegrond.

Tussen partijen is niet in geschil dat de oorspronkelijke premieschuld van [A] € 160.708,59 beliep, zodat na de hiervoor in 3.1 onder (xi) vermelde betaling van € 100.000,-- door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de advocaat van [A] nog een vordering resteert van € 60.708,59. Het oordeel van het hof dat UWV “in zoverre geen resterende – door [verweerder] te vergoeden – schade” heeft, is onbegrijpelijk. In dit verband wijst het onderdeel terecht erop dat het hof niet heeft vastgesteld dat het door de aansprakelijkheidsverzekeraar betaalde bedrag bedoeld was om specifiek de schade te dekken die UWV leed doordat aan UWV niet werd medegedeeld dat het in de procedure tussen [C] en [B] toegewezen bedrag van € 100.000,-- is betaald aan [verweerder] in privé.

3.5

Het op de onderdelen 1 en 2 voortbouwende onderdeel 3 slaagt gelet op het voorgaande eveneens.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 juni 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van UWV begroot op € 2.732,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 6 november 2015.