Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3228

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
14/06535
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:9135, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 8:74 en 8:75 Awb. Vergoeding proceskosten en griffierecht in verband met toekenning vergoeding wegens immateriële schade en matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2381
V-N 2015/57.9 met annotatie van Redactie
BNB 2016/9
FutD 2015-2699
NTFR 2015/2971 met annotatie van mr. P.J.G. Tiemessen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 14/06535

6 november 2015

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 november 2014, nrs. 12/00056 tot en met 12/00066, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraken van de Rechtbank te Leeuwarden (nrs. AWB 10/2004; 10/2005; 10/2006; 11/2737; 11/2738; 11/2739; 11/112740; 11/2741/; 11/2742; 11/2743; 11/2744) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1996 tot en met 2002 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de over de jaren 1997 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de beslissing van de Rechtbank dat aan belanghebbende een vergoeding groot € 1000 moet worden toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn juist is en in stand moet blijven. Het Hof heeft vervolgens de uitspraken van de Rechtbank vernietigd met inbegrip van de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht. Voorts heeft het Hof de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1000. Het Hof heeft de opgelegde verhogingen en boetes met 20 percent verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

2.3.

Het tegen ’s Hofs beslissing ten aanzien van de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten gerichte middel slaagt. Aangezien de beslissing van de Rechtbank omtrent de schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn door het Hof in stand is gelaten, heeft het Hof de beslissingen van de Rechtbank omtrent het toekennen van een proceskostenvergoeding en de vergoeding van griffierecht ten onrechte vernietigd.

2.4.

Aangezien het hoger beroep mede omvatte het tussen partijen bestaande geschil omtrent het “criminal charge-moment” en de beslissing van het Hof op dit geschilpunt inhoudt dat de opgelegde boeten en verhogingen met 20 percent worden verminderd, dient aan belanghebbende tevens een vergoeding van proceskosten voor de procedure bij het Hof te worden toegekend.

2.5.

De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.6.

Gelet op het hiervoor in 2.3 en 2.4 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het betreft de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en gelast de Inspecteur dat deze aan belanghebbende vergoedt het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaken voor de Rechtbank ten bedrage van € 328,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 980 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1470 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1470 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2015