Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3225

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
14/02920
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2283, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:3185, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 16, lid 1, AWR. Perikelen over vorming en vrijval HIR. Nieuw feit? Vaststellingsovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2379
V-N 2015/57.8 met annotatie van Redactie
BNB 2016/51 met annotatie van P.G.M. Jansen
FutD 2015-2693 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/2968 met annotatie van mr. J. Berns
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 14/02920

6 november 2015

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 24 april 2014, nr. 13/00269, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/4873) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2004 opgelegde navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. A.M.E. Nuyens en mr. A.J.C. Perdaems, advocaten te Breda.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 5 december 2014 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2000 aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting. In die aangifte is per ultimo 2000 een vervangingsreserve (hierna: de HIR) opgenomen.

2.1.2.

Met dagtekening 29 mei 2004 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 opgelegd, waarbij hij de in de aangifte opgenomen dotatie aan de HIR heeft gecorrigeerd en het bedrag ervan bij het vaststellen van de belastbare winst in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende heeft tegen de aanslag gemotiveerd bezwaar gemaakt.

2.1.3.

Op 12 oktober 2005 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden over het door belanghebbende gemaakte bezwaar. Tijdens dat gesprek heeft de gemachtigde van belanghebbende het standpunt ingenomen dat de HIR ultimo 2000 terecht is gevormd en dat deze zou vrijvallen in 2004 omdat niet uiterlijk in dat jaar was geherinvesteerd. Tijdens dat gesprek is geen bindende afspraak gemaakt over de belastingheffing over de jaren 2000 en/of 2004.

2.1.4.

Met dagtekening 31 oktober 2006 heeft de Inspecteur voor het jaar 2004 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd. De Inspecteur beschikte ten tijde van het opleggen van deze aanslag niet over een aangifte van belanghebbende voor dat jaar.

2.1.5.

Naar aanleiding van een door belanghebbende tegen de voor het jaar 2005 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting ingediend bezwaar heeft op 29 juli 2008 tussen de Inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende telefonisch overleg plaatsgevonden.

2.1.6.

De Inspecteur is bij uitspraak van 9 september 2008 tegemoetgekomen aan het bezwaar van belanghebbende met betrekking tot het jaar 2000. Hij heeft daarbij de vorming van de HIR alsnog geaccepteerd.

2.1.7.

Op verzoek van de Inspecteur heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 3 december 2008 een aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2004 ingezonden. In die aangifte is een vrijval van de HIR tot de winst van het jaar 2004 gerekend. Daarna heeft de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

2.2.1.

Het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende niet eerder dan nadat uitspraak was gedaan op het bezwaar inzake de voor het jaar 2000 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting, het standpunt heeft ingenomen dat de Inspecteur voor het jaar 2004 niet over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikte.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat het op 3 december 2008 (tardief) ingezonden aangiftebiljet vennootschapsbelasting voor het jaar 2004, waarin belanghebbende de HIR per ultimo van dat jaar liet vrijvallen, dient te worden aangemerkt als “(een) feit (dat) grond oplevert voor het vermoeden dat (de) aanslag (...) tot een te laag bedrag (was) vastgesteld”, als bedoeld in artikel 16, lid 1, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR).

2.2.3.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur niet als ambtelijk verzuim kan worden aangerekend dat hij de aanslag voor het jaar 2004 heeft vastgesteld op basis van de stand van de aanslagregeling op dat moment, dat wil zeggen in overeenstemming met de voor het jaar 2000 opgelegde aanslag waarin de vorming van de HIR niet was geaccepteerd. Daaraan doet volgens het Hof niet af dat de Inspecteur de aanslag voor het jaar 2004 oplegde zonder rekening te houden met de (geenszins denkbeeldige) mogelijkheid dat het bezwaar tegen de aanslag voor het jaar 2000 zou worden gehonoreerd. Voor zover nodig heeft het Hof daarbij nog in aanmerking genomen dat in het onderhavige geval geen sprake is van enige schending van de door de eis van het nieuwe feit gediende rechtszekerheid.

2.2.4.

Op grond van de hiervoor in 2.2.2 en 2.2.3 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de in het aangiftebiljet voor het jaar 2004 vermelde vrijval van de HIR een navordering rechtvaardigend nieuw feit is.

2.3.1.

De middelen komen op tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof.

2.3.2.

Het Hof heeft vastgesteld dat tijdens het hiervoor in 2.1.3 genoemde hoorgesprek op 12 oktober 2005 naar aanleiding van het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2000, de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur heeft gemeld dat niet uiterlijk in het jaar 2004 vervanging heeft plaatsgevonden van het vervreemde bedrijfsmiddel ter zake waarvan belanghebbende in haar aangifte voor het jaar 2000 de HIR heeft gevormd, en dat de HIR derhalve in het jaar 2004 zou vrijvallen. Uit de uitspraak van het Hof of de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur heeft gesteld dat na het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2004 hem feiten bekend zijn geworden die een nieuw licht wierpen op het vormen van de HIR in het jaar 2000 en het vrijvallen ervan in het jaar 2004. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de onderhavige navorderingsaanslag berust op een feit dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag niet bekend was of niet redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, als bedoeld in artikel 16, lid 1, van de AWR. Hieraan doet niet af dat belanghebbende nadat de aanslag voor het jaar 2004 was opgelegd alsnog een aangifte voor dat jaar heeft ingediend waarin de vrijval van de HIR is vermeld. De Inspecteur is immers tijdens het hoorgesprek van 12 oktober 2005, dus vóór het vaststellen van de aanslag voor het jaar 2004, al ermee bekend geworden dat, in overeenstemming met het standpunt van belanghebbende, de HIR in 2004 zou dienen vrij te vallen. ’s Hofs uitspraak geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond hiervan slagen de middelen. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen in verband met het navolgende.

2.3.3.

De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift voor de Rechtbank als meer subsidiair standpunt aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de onderhavige navorderingsaanslag terecht is opgelegd omdat tijdens het hiervoor in 2.1.5 vermelde telefonische overleg op 29 juli 2008 de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur het voorstel heeft gedaan om met de vorming van de HIR in het jaar 2000 akkoord te gaan en de vrijval van de HIR in het jaar 2004 te belasten door middel van het opleggen van een navorderingsaanslag over dat jaar, en hij (de Inspecteur) dit voorstel heeft aanvaard en uitgevoerd. In dit meer subsidiaire standpunt ligt als stelling van de Inspecteur besloten dat tussen hem en belanghebbende een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen die maakt dat belanghebbende niet het recht toekomt zich tegen de onderhavige navorderingsaanslag te verweren op de grond dat een nieuw feit ontbreekt. Aan de behandeling van deze stelling – waarvan uit de uitspraak van het Hof of de stukken van het geding niet blijkt dat zij door de Inspecteur is ingetrokken – is het Hof niet toegekomen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 493, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3307,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens, C.B. Bavinck, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2015.