Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3222

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-11-2015
Datum publicatie
06-11-2015
Zaaknummer
14/02652
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:997, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1323, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BIZ-heffing; artikel 7, lid 2, Experimentenwet Bedrijven Investeringszones. Toetsingsmoment rechtsgeldigheid aanslag bij onverbindende en nadien verbindende verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2701
V-N Vandaag 2015/2380
V-N 2015/59.18 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2015/531 met annotatie van F.J.H.L. Makkinga
BNB 2016/62 met annotatie van S. Bosma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 14/02652

6 november 2015

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 april 2014, nr. BK‑13/00531, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 12/11063) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag BIZ-bijdrage. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 23 juni 2015 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Zowel het College als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is gebruiker van het winkelpand [a-straat] beneden te Den Haag. Aan hem is met dagtekening 31 mei 2012 een aanslag BIZ-bijdrage voor het jaar 2012 opgelegd.

2.1.2.

De raad van de gemeente Den Haag heeft op 6 oktober 2011 de ‘Verordening BI‑zone Zeeheldenkwartier 2012’ (hierna: de Verordening) vastgesteld. De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a. BI-zone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. Het gebied omvat de objecten gelegen in de volgende straten of delen van straten: (…) [a-straat] (gehele straat), (…);

b. de wet: de Experimentenwet BI-zones;

c. het college: het College van burgemeester en wethouders van Den Haag;

d. Uitvoeringsovereenkomst: de tussen de gemeente Den Haag en de Vereniging BIZ Zeeheldenkwartier gesloten Uitvoeringsovereenkomst.

Artikel 2 Aanwijzing vereniging

De Vereniging BIZ Zeeheldenkwartier wordt aangewezen als de vereniging als bedoeld in artikel 7 van de wet. In de navolgende bepalingen wordt deze aangehaald als de vereniging.

Artikel 3 Aard van de belasting

Onder de naam “BIZ-bijdrage” wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.

Artikel 4 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt gedurende een periode van 5 jaren jaarlijks geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen.

(…)

Artikel 7 Belastingtarief

1. De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak € 250,00

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de BIZ bijdrage voor onroerende zaken, zijnde opslagruimte, gasstation, telefooncentrale, trafo en parkeergarage alsmede onroerende zaken gevestigd op de eerste of hogere etage € 0,00

Artikel 8 Wijze van heffing

1. De BIZ-bijdrage wordt bij wege van aanslag geheven.

(…)

Artikel 12 Subsidieverlening

1. Het college verleent jaarlijks aan de vereniging subsidie voor de uitvoering van de activiteiten, die zijn opgenomen in de met deze vereniging gesloten uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van een jaarplan.

(…)

Artikel 16 Inwerkingtreding (…)

1. Deze verordening treedt in werking op een door het college te bepalen tijdstip, dat gelegen is op een datum nadat van voldoende steun, als bedoeld in artikel 4 van de wet, is gebleken.

2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.

(…)”

2.1.3.

In de Experimentenwet Bedrijven Investeringszones (hierna: de Experimentenwet) is onder meer bepaald:

“Artikel 7

1. De opbrengst van de BIZ-bijdrage wordt als subsidie verstrekt aan de bij de verordening aangewezen vereniging of stichting. De perceptiekosten kunnen hierop in mindering worden gebracht indien dit in de verordening is bepaald.

2. De verordening wijst uitsluitend als vereniging of stichting aan:

a. een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid:

1°. waarvan alle beoogde bijdrageplichtigen lid zijn of dit desgewenst met onmiddellijke ingang kunnen worden,

(…)

3. In aanvulling op het tweede lid wijst de verordening uitsluitend een vereniging of stichting aan waarmee de gemeente ter uitvoering van de verordening een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten, waarin is bepaald dat de subsidie-ontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie wordt verstrekt.”

2.1.4.

Op 13 september 2011 heeft de gemeente Den Haag een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 7, lid 3, van de Experimentenwet gesloten met [C], een van de oprichters en de latere voorzitter van de toen nog in oprichting zijnde vereniging ‘BIZ Zeeheldenkwartier’ (hierna: de Vereniging).

2.1.5.

De oprichting van de Vereniging heeft plaatsgevonden bij notariële akte van 26 april 2012.

2.2.1.

Voor het Hof was onder meer in geschil de vraag of de aanslag rechtsgeldig kon worden opgelegd aangezien de Vereniging ten tijde van het sluiten van de hiervoor onder 2.1.4 bedoelde uitvoeringsovereenkomst op 13 september 2011 nog niet was opgericht, zodat zij toen niet als vereniging met volledige rechtsbevoegdheid in de zin van artikel 7 van de Experimentenwet kon worden beschouwd.

2.2.2.

Het Hof is bij zijn oordeel veronderstellenderwijs uitgegaan van de juistheid van voormelde gevolgtrekking. Het heeft echter geen aanleiding gevonden om daaraan consequenties te verbinden voor de verbindendheid van de Verordening en/of de rechtmatigheid van de aanslag. Bij dit oordeel heeft het Hof in aanmerking genomen dat de Vereniging rechtshandelingen kan bekrachtigen die voorafgaande aan haar oprichting in haar naam zijn verricht. Voorts zag het Hof geen reden om aan te nemen dat de gestelde gang van zaken, waarin de uitvoeringsovereenkomst was gesloten voordat de Vereniging was opgericht, heeft geleid of heeft kunnen leiden tot een benadeling van belanghebbende en/of andere bijdrageplichtigen.

Het derde middel komt op tegen dit oordeel.

2.2.3.

Voor de vraag of de aanslag in zoverre rechtsgeldig is opgelegd dat hij berust op een verbindende verordening, is beslissend of de verordening verbindend was op het tijdstip waarop de aanslag werd opgelegd (zie HR 31 maart 1993, nr. 28034, BNB 1993/182).

De onderhavige aanslag is opgelegd met dagtekening 31 mei 2012. Bij notariële akte van 26 april 2012 heeft de oprichting van de Vereniging plaatsgevonden. Vanaf die laatste datum was derhalve sprake van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid waarmee de gemeente een overeenkomst in de zin van artikel 7, lid 3, van de Experimentenwet heeft gesloten, welke overeenkomst, naar het Hof kennelijk heeft aangenomen, door de Vereniging is bekrachtigd. Aan het bepaalde in artikel 2 en artikel 12 van de Verordening is daarmee voldaan. Het middel faalt derhalve reeds op die grond.

2.3.

De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2015.