Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3206

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
03-11-2015
Zaaknummer
14/02040
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1793, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Zambezi-zaak: verdachte is ex-gedeputeerde Groene Partij UPB. Antilliaanse zaak. OM-cassatie. Art. 282.1 Sv BES, kennisgeving van niet verdere vervolging. Uit voornoemde bepaling volgt dat verdachte aan wie een kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend, niet kan worden vervolgd, tenzij tegen hem nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Het GEA heeft in zijn door het Hof bevestigde vonnis vastgesteld dat de kennisgeving van niet verdere vervolging op 19-02-2011 aan verdachte is betekend en dat niet is gebleken van nieuwe feiten. Kennelijk is bedoeld daarmee tot uitdrukking te brengen dat tegen verdachte geen nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk. Dat betekent dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het OM n-o is in de vervolging van verdachte t.z.v. het onder 1, 2, 4 en 5 tlgd. Nu dit oordeel juist is, faalt het middel, wat er ook zij van de kennelijk aan voormeld oordeel ten grondslag liggende opvatting dat, ook zonder dat de wet daarin voorziet – zoals hier het geval is –, het rechtsgevolg dat art. 282.1 Sv BES verbindt aan een kennisgeving van niet verdere vervolging, daaraan kan worden ontnomen door een nadien door het Hof gegeven bevel tot vervolging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering BES
Wetboek van Strafvordering BES 15
Wetboek van Strafvordering BES 25
Wetboek van Strafvordering BES 282
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0480
RvdW 2015/1219
NJ 2016/470 met annotatie van Redactie, T.M. Schalken
NBSTRAF 2015/269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/02040 A

AKA/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 21 maart 2014, nummer H 21/2014, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadslieden van de verdachte, mr. G.G.J. Knoops en mr. M.C. van Woudenberg, beiden advocaat te Amsterdam, hebben het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging van de verdachte, althans dit oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2.1.

Bij de stukken bevindt zich een kennisgeving van niet verdere vervolging van 17 februari 2011. Deze kennisgeving houdt het volgende in:

"De officier van justitie bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao:

overwegende dat:

naam : [verdachte]

(...)

verdachte is in het zogenaamde Zambezi-onderzoek (...);

(...)

overwegende dat met het seponeren van zaaksdossiers Autoverhuurbedrijf en Esmeralda Beach de grond komt te ontvallen aan het door de rechter-commissaris te Bonaire op 23 augustus 2010 geautoriseerde Strafrechtelijk Financieel Onderzoek, hetgeen, in het bijzonder, voor de zaaksdossiers Sunset Beach, Punt Vierkant en Woning [medeverdachte ] , die, vanaf 31 januari 2011, 'als soortgelijk feit, dan wel ander feit, waarvan de veroordeelde voordeel heeft getrokken', meegenomen zijn in het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek, betekent, dat ook die tot een eind zijn gekomen;

overwegende dat overigens daarnaast voor de in de vorige overweging vermelde zaaksdossiers Sunset Beach,

Punt Vierkant en Woning [medeverdachte ] geldt, dat deze, door de tijdsdruk, die ten gevolge van de eerder aangehaalde beschikking van de rechter-commissaris van 8 juni 2010 ontstaan is, onvoldoende konden worden uitgerechercheerd, waardoor de daaruit voortvloeiende verdenkingen thans niet kunnen worden bewezen;

overwegende dat zaaksdossiers Sunset Beach,

Punt Vierkant en Woning [medeverdachte ] volledigheidshalve, wegens onvoldoende bewijs, ook dienen te worden geseponeerd;

geeft kennis dat verdachte, bij de huidige stand van zaken - lees onderzoeksresultaten - wegens onvoldoende bewijs, niet zal worden vervolgd voor de resterende vijf zaaksdossiers in het zogenaamde Zambezi-onderzoek, te weten Autoverhuurbedrijf, Esmeralda Beach, Sunset Beach Punt Vierkant en Woning [medeverdachte ] ;

bepaalt dat door deze kennisgeving de onderhavige strafzaak eindigt."

2.2.2.

Bij de stukken bevindt zich voorts de beschikking van het Hof op het klaagschrift als bedoeld in art. 15, eerste lid, Wetboek van Strafvordering Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Sv BES) van 13 september 2012. Deze beschikking houdt het volgende in:

"2.1. Ter terechtzitting van 2 februari 2012 heeft het Hof geoordeeld dat de procureur-generaal voldoende heeft onderbouwd dat nog vier maanden nodig is voor redelijk onderzoek. Dat belang afwegende tegen de belangen van de personen wier vervolging wordt verlangd, [verdachte] en

[medeverdachte ] , heeft het Hof toen beslist om de behandeling van het klaagschrift voor een termijn van vier maanden aan te houden.

2.2.

Gelet daarop moet thans worden beoordeeld of ten aanzien van concrete verdenkingen van strafbare feiten van [verdachte] en [medeverdachte ] een strafrechtelijke vervolging haalbaar en opportuun is te achten, en moet het beklag voor het overige worden afgewezen.

2.3.

Ten aanzien van [verdachte] heeft de procureur-generaal in raadkamer op 24 augustus 2012 zich op het standpunt gesteld dat in het kader van het onderzoek in het dossier Sunset Beach Hotel is gebleken van valsheid in geschrifte. Het gaat daarbij om een terreindeal van de [A] N.V. van [verdachte] aan [B] B.V. betreffende twee percelen grond genummerd [001] en [002] in Kralendijk , waarbij volgens de transportakte van 14 september 2006 de verkoopprijs NAF. 450.000,-- bedroeg, terwijl de werkelijke waarde van de twee percelen zo goed als zeker tussen de NAF. 900.000,-- en NAF. 1.000.000,-- lag, hetgeen [verdachte] zo goed als zeker moet hebben geweten. De procureur-generaal heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie recentelijk documenten heeft verkregen van de Girobank, waaruit blijkt dat de werkelijke verkoopprijs NAF. 950.000,-- was.

2.4.

Bij [medeverdachte ] is er naar het oordeel van de procureur-generaal in het dossier Woning [medeverdachte ] voldoende concreet bewijs dat vervolging rechtvaardigt, te weten van hypotheekfraude met betrekking tot de woning van [medeverdachte ] aan de [a-straat] in Bonaire. Dit betreft de opgave van onjuiste c.q. onvolledige informatie verstrekt aan banken waardoor deze bewogen werden tot het afgeven van de aangevraagde hypothecaire lening bij twee hypothecaire leningen, namelijk ten eerste de lening van 25 januari 2008 ten bedrage van NAF. 375.000,-- bij de Maduro & Curiel's bank N.V. en ten tweede, met de doorhaling van de eerste, de lening van 16 november 2009 ten bedrage van NAF. 565.000,-- bij de Banco di Caribe.

2.5.

Gelet op het voorgaande, in samenhang beschouwd met de verdere inhoud van de verslagen van de officier van justitie van 12 juni 2012, 5 januari 2012 en 20 mei 2011 voor wat betreft het dossier Sunset Beach Hotel en het dossier Woning [medeverdachte ] , schat het Hof in dat er een gerede kans bestaat dat vervolging ertoe zal leiden dat veroordeeld zal worden. Hetgeen door en namens [verdachte] en [medeverdachte ] in raadkamer op 24 augustus 2012 in dit verband is aangevoerd, kan daaraan niet afdoen.

2.6.

Redenen om op gronden ontleend aan het algemeen belang af te zien van vervolging acht het Hof niet aanwezig.

2.7.

Haalbaarheids- noch opportuniteitsoverwegingen staan er derhalve aan in de weg om de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte ] te bevelen ter zake van de respectievelijk in rov. 2.3. en 2.4. omschreven feiten. (...)

2.8.

Voor wat betreft de overige onderzoeksdossiers zijn geen concrete verdenkingen van strafbare feiten ter beoordeling aan het Hof voorgelegd, zodat het beklag voor het overige zal worden afgewezen.

2.9.

Beslist wordt derhalve als volgt.

Beslissing:

Het Hof:

beveelt de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte ] ter zake van de respectievelijk in rov. 2.3 en 2.4 omschreven feiten;

wijst het beklag voor het overige af."

2.2.3.

Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte - zakelijk weergegeven en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - tenlastegelegd:

1. als ambtenaar een gift of belofte aannemen om iets te doen of na te laten;

2. als ambtenaar een gift aannemen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem is gedaan;

3. valsheid in geschrifte;

4. als ambtenaar een gift of belofte aannemen om iets te doen of na te laten;

5. als ambtenaar een gift aannemen ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem is gedaan.

2.2.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 december 2013 is door het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging ter zake van de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten. Het Gerecht in eerste aanleg heeft daartoe het volgende overwogen:

"4. De grenzen van het bevel tot vervolging van het Hof

4.1.

Hiermee komt het Gerecht toe aan de bespreking van het meer subsidiaire verweer, kort samengevat inhoudende dat de officier van justitie buiten het vervolgingsbevel van het Hof is getreden.

4.2.

Het Gerecht acht het van belang om in dit verband het volgende vast te stellen.

4.2.1.

Het Openbaar Ministerie is een voorbereidend onderzoek gestart tegen de verdachten [medeverdachte ] en [verdachte] wegens de verdenking van (onder meer, kort gezegd) valsheid in geschrift, witwassen en ambtelijke corruptie.

4.2.2.

Na de beschikking van de rechter-commissaris van 8 juni 2010 om het onderzoek voort te zetten en voor 1 november 2010 te beëindigen, heeft het Openbaar Ministerie de - acht - deelonderzoeken of zaaksdossiers geseponeerd. Ten aanzien van de zaaksdossiers Woning [medeverdachte ] en Sunset Beach heeft de officier van justitie bij "kennisgeving niet verdere vervolging" van 17 februari 2011 aan de verdachten [medeverdachte ] en [verdachte] kennisgegeven dat zij bij de huidige stand van zaken - lees onderzoeksresultaten - wegens onvoldoende bewijs niet zullen worden vervolgd voor genoemde zaaksdossiers. Daarbij heeft de officier van justitie onder meer overwogen dat de zaaksdossiers door de tijdsdruk die is ontstaan naar aanleiding van de beslissing van de rechter-commissaris van 8 juni 2010 onvoldoende konden worden "uitgerechercheerd", waardoor de daaruit voortvloeiende verdenkingen thans niet kunnen worden bewezen en dat deze dossiers dan ook wegens onvoldoende bewijs dienen te worden "geseponeerd". Voorts heeft de officier van justitie bepaald dat door deze kennisgeving de desbetreffende strafzaak eindigt. De beschikkingen zijn op 19 februari 2011 aan [medeverdachte ] en [verdachte] betekend.

4.2.3.

Tegen deze kennisgevingen niet verdere vervolging is beklag ex artikel 15 Sv ingesteld bij het Hof. Het Hof heeft het beklag bij beschikking van 14 juni 2011 ontvankelijk verklaard en, kort samengevat, het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld nader onderzoek (in alle zaaksdossiers) te verrichten en het Hof over de resultaten daarvan te berichten. Ter zitting van 2 februari 2012 heeft het Hof, kort gezegd, een verzoek tot nader onderzoek gedurende vier maanden toegewezen. Bij beschikking van 13 september 2012 heeft het Hof een eindoordeel in de beklagprocedure gegeven. Het heeft, kort samengevat, de vervolging van [verdachte] en [medeverdachte ] bevolen ter zake van de respectievelijk in rov. 2.3 en 2.4 omschreven feiten in de zaaksdossiers Sunset Beach Hotel en Woning [medeverdachte ] , waarover hierna meer. Ten aanzien van de overige (zes) onderzoeksdossiers is het beklag afgewezen.

4.3.

Het Gerecht stelt het volgende voorop. Een dergelijke beschikking van het Hof maakt een uitzondering op het uitgangspunt dat het Openbaar Ministerie beslist over de vervolging. In artikel 25, eerste lid, Sv is bepaald dat het Hof beveelt dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet "ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven". Een bevel tot vervolging geeft aan ten aanzien van welk 'strafbaar feit' het Openbaar Ministerie de verdachten dient te vervolgen. Het Hof heeft, gelet op rechtsoverweging 2.2 van zijn beschikking van 13 september 2012, ook beoordeeld of ten aanzien van concrete verdenkingen van "strafbare feiten" van [verdachte] en [medeverdachte ] een strafrechtelijke vervolging haalbaar en opportuun is te achten.

(...)

4.5.

Ten aanzien van [verdachte]

4.5.1.

In zijn beschikking beveelt het Hof de vervolging van [verdachte] ten aanzien van de in rechtsoverweging 2.3 van de beschikking vermelde feiten. Deze rechtsoverweging houdt het volgende in:

2.3.

Ten aanzien van [verdachte] heeft de procureur-generaal in raadkamer op 24 augustus 2012 zich op het standpunt gesteld dat in het kader van het onderzoek in het dossier Sunset Beach Hotel is gebleken van valsheid in geschrifte. Het gaat daarbij om een terreindeal van de [A] N.V. van [verdachte] aan [B] B.V. betreffende twee percelen grond genummerd [001] en [002] in Kralendijk , waarbij volgens de transportakte van 14 september 2006 de verkoopprijs van NAF. 450.000,-- bedroeg, terwijl de werkelijke waarde van de twee percelen zo goed als zeker tussen de NAF. 900.000,-- en NAF. 1.000.000,-- lag, hetgeen [verdachte] zo goed als zeker moet hebben geweten. De procureur-generaal heeft naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie recentelijk documenten heeft verkregen van de Girobank, waaruit blijkt dat de werkelijke verkoopprijs NAF. 950.000,-- was.

(...)

4.5.3.

Het Gerecht stelt vast dat het Hof in zijn beschikking het strafbare feit heeft geconcretiseerd door de vervolging te bevelen ter zake van "valsheid in geschrift". Het Hof verwijst daarbij naar de desbetreffende terreindeal. Het aan de verdachte [verdachte] onder feit 3 tenlastegelegde ziet op dit strafbare feit en valt derhalve binnen het vervolgingsbevel van het Hof.

4.5.4.

Aan [verdachte] is onder feit 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegd, vrij vertaald, ambtelijke omkoping of corruptie. Dit strafbare feit is niet expliciet in de beschikking van het Hof genoemd en hangt niet zonder meer samen met het strafbare feit van valsheid in geschrift. Naar het oordeel van het Gerecht valt uit de beschikking van het Hof niet op te maken dat het strafbare feit van, kort gezegd, ambtelijke corruptie onder het vervolgingsbevel valt. Het Hof noemt in rechtsoverweging 2.3 alleen de terreindeal en overweegt niets met betrekking tot de positie van [verdachte] als ambtenaar of de eventuele giften of beloften die thans in de tenlastelegging zijn vermeld. Ook hier gaat het betoog van de officier van justitie dat de corruptiefeiten onlosmakelijk verbonden zijn met de bewoordingen van het Hof, niet op. Het Gerecht kan het bevel van het Hof derhalve niet verstaan als mede te zijn gericht op het strafbare feit van, vrij vertaald, ambtelijke corruptie.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het Openbaar Ministerie de grenzen van het bevel van het Hof heeft overschreden door ten aanzien van [medeverdachte ] de feiten 8 en 9 en ten aanzien van [verdachte] de feiten 1, 2, 4 en 5 ten laste te leggen. Het Openbaar Ministerie is weliswaar vrij om de tenlastelegging te redigeren, maar - gelet op het hiervoor in 4.3 vermelde uitgangspunt - niet om deze uit te breiden ten opzichte van het door het Hof gegeven bevel. Dit laatste zou anders kunnen zijn indien na de uitspraak van het Hof nieuwe feiten zijn gebleken, zoals de verdediging onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Roermond d.d. 14 december 2010 (ECLI:NL:RBROE:2010:BO7220) ook heeft betoogd. Dergelijke nieuwe feiten zijn echter niet gebleken. Integendeel, de officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten zoals thans tenlastegelegd, reeds in de beklagprocedure aan de orde waren.

4.7.

Het meer subsidiaire verweer van de verdediging is derhalve gedeeltelijk gegrond. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie niet kan worden ontvangen in de vervolging van (...) de verdachte [verdachte] ten aanzien van de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten.

(...)

6. De conclusie tot zover

(...)

6.3.

Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte [verdachte] ten aanzien van de onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten (ambtelijke corruptie). Het Openbaar Ministerie is wel (ook overigens) ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit (valsheid in geschrift, zaaksdossier 2C Sunset Beach)."

2.2.5.

Het Hof heeft het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg bevestigd. Het vonnis van het Hof houdt te dien aanzien het volgende in:

"Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, zal worden bevestigd, omdat het Hof zich daarmee verenigt.

Nadere overwegingen betreffende de beslissing van het GEA

Het Hof verenigt zich met de door het GEA aan zijn beslissing ten grondslag gelegde overwegingen (...) en maakt deze tot de zijne.

Het Hof overweegt in aanvulling daarop als volgt. In de beschikking van 13 september 2012 heeft het Hof blijkens het dictum daarvan, wat [verdachte] betreft, de vervolging bevolen ter zake van de in rov. 2.3 omschreven feiten. Aldus heeft het Hof op de voet van artikel 25 lid 1 Sv BES zelf de feiten in zijn bevel omschreven. Zulks nadat het heeft beoordeeld of ten aanzien van concrete verdenkingen van strafbare feiten een strafrechtelijke vervolging haalbaar en opportuun is te achten

(zie rov. 2.2 van de beschikking). Het openbaar ministerie is aan bedoelde omschrijving gebonden. Het mag dus niet buiten de grenzen treden van de feiten zoals die in

rov. 2.3 van de beschikking zijn omschreven. Nadat in die rechtsoverweging "het dossier Sunset Beach Hotel" is genoemd, zijn in het vervolg van die rechtsoverweging nadere grenzen gesteld. Deze nadere grenzen moeten worden geëerbiedigd. Voor zover de beschikking ruimte laat voor twijfel over de vraag of het Hof heeft beoogd ruimere grenzen te trekken dan hiervoor bedoeld, zoals mogelijk door de verwijzing naar "het dossier Sunset Beach Hotel", door de omstandigheid dat rov. 2.3 (mede) een weergave is van het standpunt van de procureur-generaal en door rov. 2.5, moet die twijfel ten voordele van de verdachte strekken en moet daarom van die ruimere uitleg worden afgezien."

2.3.

Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 15, eerste lid, Sv BES:

"Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover bij het Hof van Justitie schriftelijk beklag doen."

- art. 25, eerste lid, Sv BES:

"Indien de klager ontvankelijk is en het Hof van oordeel is dat vervolging of verdere vervolging had moeten plaatshebben, beveelt het Hof dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft of van het feit zoals het Hof dat in zijn bevel heeft omschreven."

- art. 282, eerste en tweede lid, Sv BES:

"1. De verdachte kan na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, na zijn buitenvervolgingstelling of na de hem betekende beschikking houdende de verklaring dat de zaak geëindigd is, ter zake van hetzelfde feit niet weer in rechte worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden.

2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van de verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, die later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht."

2.4.

Uit art. 282, eerste lid, Sv BES volgt dat een verdachte aan wie een kennisgeving van niet verdere vervolging is betekend, niet kan worden vervolgd, tenzij tegen hem nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Blijkens hetgeen hiervoor onder 2.2.4 is weergegeven, heeft het Gerecht in eerste aanleg in zijn door het Hof bevestigde vonnis vastgesteld dat de kennisgeving van niet verdere vervolging op 19 februari 2011 aan de verdachte is betekend en dat niet is gebleken van nieuwe feiten. Kennelijk is bedoeld daarmee tot uitdrukking te brengen dat tegen de verdachte geen nieuwe bezwaren bekend zijn geworden. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk. Dat betekent dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde. Nu dit oordeel juist is, faalt het middel, wat er ook zij van de kennelijk aan voormeld oordeel ten grondslag liggende opvatting dat, ook zonder dat de wet daarin voorziet - zoals hier het geval is -, het rechtsgevolg dat art. 282, eerste lid, Sv BES verbindt aan een kennisgeving van niet verdere vervolging, daaraan kan worden ontnomen door een nadien door het Hof gegeven bevel tot vervolging.

2.5.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2015.