Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3204

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
14/05620
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2201, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:5565, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

ISD-maatregel. Weigerende observandus. Art. 38m.4 en 5 Sr. Het klaarblijkelijke oordeel van het Hof dat zich i.c. het in art. 38m.5 Sr bedoelde geval voordoet dat verdachte weigert medewerking te verlenen aan een onderzoek als in die bepaling bedoeld, geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van genoemde wetsbepaling. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen blijkens het p-v door verdachte ttz. van het Hof is verklaard (“mooi niet, ik werk nergens aan mee”). HR verklaart in overeenstemming met de conclusie AG verdachte

n-o o.g.v. art. 80a RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/2019
RvdW 2015/1227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 november 2015

Strafkamer

nr. S 14/05620

AGE/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 oktober 2014, nummer 20/003164-13, in de strafzaak tegen:


[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

Het tweede middel klaagt dat de oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders mede is gebaseerd op een advies dat bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep meer dan een jaar oud was, terwijl niet is gebleken van de instemming van de verdachte met de gebruikmaking van dat advies, althans dat de oplegging van die maatregel onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2.

Aan de verdachte is ter zake van - kort gezegd - diefstal, meermalen gepleegd, en eenvoudige belediging terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren opgelegd.

2.3.

Het hier toepasselijke art. 38m, vierde en vijfde lid, Sr luidt:

"4. De rechter legt de maatregel slechts op, nadat hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel heeft doen overleggen. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.

5. Het vierde lid blijft buiten toepassing indien de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Voor zover mogelijk wordt over de reden van de weigering rapport opgemaakt. De rechter doet zich zo veel mogelijk een ander advies of rapport dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is om medewerking te verlenen, overleggen."

2.4.

Indien het desbetreffende advies eerder dan een jaar vóór de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter ingevolge het vierde lid van art. 38m Sr daarvan slechts gebruikmaken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Deze bepaling blijft op grond van het vijfde lid van art. 38m Sr echter buiten toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat zich hier het in art. 38m, vijfde lid, Sr bedoelde geval voordoet dat de verdachte weigert medewerking te verlenen aan een onderzoek als in die bepaling bedoeld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van genoemde wetsbepaling. Het is ook niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 13 oktober 2014 de verdachte naar aanleiding van een door zijn raadsman aan het Hof gedaan voorwaardelijk en nadien ingetrokken verzoek een nader onderzoek te laten instellen naar de persoon van de verdachte heeft verklaard: "Mooi niet. Ik werk nergens aan mee."

2.5.

Gelet hierop mist de verdachte een in rechte te respecteren belang bij het tweede middel.

2.6.

Daar geen van de aangevoerde klachten behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden, zal de Hoge Raad - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2015.