Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3190

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
14/01724
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:989, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:5228, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belastingrecht, faillissementsrecht. Fiscale eenheid vennootschapsbelasting, terugvordering teveel betaalde belasting. Wie is vorderingsgerechtigd? Art. 15 Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2068
NJB 2015/1954
V-N Vandaag 2015/2384
JWB 2015/364
RvdW 2015/1173
V-N 2015/61.15 met annotatie van Redactie
NJ 2015/466 met annotatie van J.W. Zwemmer
AR 2015/2617
Belastingadvies 2016/3.6
FutD 2015-2692 met annotatie van Fiscaal up to Date
JOR 2015/353 met annotatie van mr. dr. A.J. Tekstra
NTFR 2015/3007 met annotatie van mr. F. van Horzen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 oktober 2015

Eerste Kamer

14/01724

EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiseres 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERESSEN tot cassatie,

advocaten: mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk en mr. R.R. Verkerk,

t e g e n

mr. Mark Willem HUIJZER, handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
kantoorhoudende te Papendrecht,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. Y.E.J. Geradts.

Eiseressen tot cassatie zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres 1] en [eiseres 2] en verweerder als de curator.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 346335/HA ZA 10-157 van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2012;

b. het arrest in de zaak 200.107.781/01 van het gerechtshof Den Haag van 24 december 2013.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De advocaat van de curator heeft bij brief van 9 juli 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 13 oktober 2006 is [A] B.V. (hierna te noemen: [A] B.V.) in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curator in die hoedanigheid.

(ii) Enig bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V. is [B] B.V. (hierna te noemen: [B]), waarvan enig bestuurder is [betrokkene 1].

(iii) Tussen [A] B.V. en [B] heeft vanaf 2001 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting bestaan. In de jaren 2001 en 2002 heeft [A] B.V. winst gemaakt, waarover vennootschapsbelasting is betaald. In het jaar 2003 is verlies geleden. Dit verlies deed een aanspraak ontstaan op teruggave van een gedeelte van de eerder voldane vennootschapsbelasting. In juli 2005 werd aangenomen dat het te ontvangen bedrag € 94.519,-- zou zijn.

(iv) [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben vóór juli 2005 werkzaamheden verricht voor [A] B.V. en [B], [eiseres 1] als accountant en [eiseres 2] als advocaat, waarvoor zij in die maand nog geen betaling hadden ontvangen. Op 11 juli 2005 is namens [A] B.V. en [eiseres 2] en op 13 juli 2005 namens [eiseres 1] een akte van cessie ondertekend, waarin onder meer het volgende is opgenomen (en waarin met [A] steeds is bedoeld [A] B.V.):

“- [A] heeft een vordering op de Staat (…) voor een bedrag van € 94.519,00 (…);

- [eiseres 1] heeft een opeisbare vordering op [A] van tenminste € 25.000,00 uit hoofde van verrichte werkzaamheden;

- [eiseres 2] heeft een opeisbare vordering op [A] van ten minste € 25.000 uit hoofde van verrichte werkzaamheden;

- [A] heeft een bankrekening bij de Rabobank, over het saldo waarvan hij vrijelijk kan beschikken;

- [A] heeft de belastingdienst verzocht het haar toekomende bedrag op die bankrekening bij te schrijven, waarna hij voornemens is [eiseres 1] en [eiseres 2] te voldoen;

- [A] heeft tevens een bankrekening bij (…) ABN AMRO (…). Deze rekening heeft een debetstand van meer dan € 700.000,00;

- [A] vreest dat de belastingdienst de voor haar bestemde gelden op haar ABN AMRO (…) rekening zal storten, niettegenstaande de andersluidende instructie. Zij zal in dat geval niet in staat zijn om over de gelden te beschikken, omdat de ABN AMRO (…) deze zal willen verrekenen.

- [A] acht dat onwenselijk, nu de ABN AMRO over tal van zekerheden beschikt, waarmee haar vordering kan worden voldaan.

Komen overeen als volgt:

1. Door ondertekening van deze akte van cessie draagt [A] een deel van haar hierboven in de considerans omschreven vordering op de Belastingdienst, zijnde € 69.519,00 (…) alsmede de eventueel verschuldigde rente over aan [eiseres 1], onder de voorwaarde dat [eiseres 1] van dit bedrag € 44.519,00 alsmede de eventueel verschuldigde rente terugbetaalt aan [A] op een door [A] aan te wijzen bankrekening. Door ondertekening van deze akte aanvaardt [eiseres 1] deze overdracht, onder de geschetste voorwaarden.

2. Door ondertekening van deze akte van cessie draagt [A] het restant van haar hierboven in de considerans omschreven vordering op de Belastingdienst, zijnde € 25.000,00, over aan [eiseres 2]. Door ondertekening van deze akte aanvaardt [eiseres 2] deze overdracht;

3. Partijen zullen de belastingdienst (…) mededeling doen van deze akte van cessie.”

Bij brief van 11 juli 2005 is van de cessie mededeling gedaan aan de Belastingdienst.

(v) Op 2 augustus 2005 heeft ABN AMRO het krediet aan [A] B.V. opgezegd.

(vi) Op 27 oktober 2005 heeft de Belastingdienst bedragen van € 6.533,-- en € 66.759,-- overgemaakt op de rekening van [eiseres 1], met de omschrijvingen “[…] [B] B.V.”, respectievelijk […] [B] B.V.”. Deze betalingen waren voorafgegaan door een aankondiging daarvan op 27 september 2005 gericht aan [B]. De bij de betalingen vermelde omschrijvingen betreffen verliesverrekeningscodes waarbij aan [B] wordt gerefereerd.

(vii) [eiseres 1] heeft van de ontvangen bedragen € 25.000,-- aan [eiseres 2] doorbetaald met de omschrijving “jouw deel van de cessie”. [eiseres 1] heeft voorts een bedrag van € 20.537,-- aan [eiseres 2] betaald met de omschrijving “voor [betrokkene 1], restant cessie, zie brief”. Daarnaast heeft zij aan de Belastingdienst de bedragen € 2.672,-- en € 83,-- voldaan onder de vermelding “[A]”.

(viii) Op 12 juni 2009 heeft de curator op de voet van art. 42 Fw de cessie door een buitengerechtelijke verklaring jegens [eiseres 1] vernietigd.

3.2.1

De curator vordert in dit geding diverse bedragen van [eiseres 1] en [eiseres 2]. Grondslag van zijn vordering is dat hij de cessie op de voet van art. 42 Fw heeft vernietigd en dat [eiseres 1] en [eiseres 2] met de cessie onrechtmatig jegens de schuldeisers van [A] B.V hebben gehandeld.

3.2.2

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben primair als verweer gevoerd dat de gecedeerde vordering op de Belastingdienst inzake de teruggaaf van de vennootschapsbelasting een vordering was die toekwam aan [B] en dus niet aan [A] B.V. Dat in de cessieakte als cedent [A] B.V wordt genoemd, berust op een vergissing. Het feit dat de vordering aan [B] toekwam, brengt mee dat de cessie niet door de curator op de voet van art. 42 Fw kon worden vernietigd. Overigens hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] betwist dat is voldaan aan de in art. 42 Fw genoemde voorwaarden voor vernietiging van de cessie en aan de vereisten voor onrechtmatige daad.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen van de curator toegewezen. Het hof heeft die beslissing bekrachtigd. Met betrekking tot het primaire verweer van [eiseres 1] en [eiseres 2] heeft het hof vooropgesteld dat de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 geen bepalingen bevatten die voorschrijven aan welke van de tot een fiscale eenheid behorende rechtspersonen de vordering tot teruggave van vennootschapsbelasting toekomt. In verband hiermee heeft het hof de beslissing die in HR 14 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9246, NJ 2003, 259 is gegeven met betrekking tot de teruggave van teveel betaalde omzetbelasting ingeval deze is voldaan door een fiscale eenheid in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968, analoog toegepast. Daaruit volgt volgens het hof dat de teruggave van vennootschapsbelasting kan plaatsvinden aan die vennootschap binnen de fiscale eenheid die materieel aan de vordering heeft bijgedragen. Die vennootschap is in dit geval [A] B.V., zodat de vordering tot teruggave van de vennootschapsbelasting aan die vennootschap toekwam, aldus het hof. (rov. 12-14)

3.4.1

Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat indien sprake is van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, op grond van art. 15 lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de belasting uitsluitend wordt geheven bij de moedermaatschappij, en dat het ook de moedermaatschappij is die de rechthebbende is met betrekking tot de vordering tot teruggave.

3.4.2

Het onderdeel is gegrond. Art. 15 lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bepaalt dat bij een fiscale eenheid in de zin van die wet de belasting wordt geheven bij de moedermaatschappij. Deze bepaling brengt mee dat de moedermaatschappij ook de gerechtigde is tot een eventuele terugbetaling van die belasting, en dat het derhalve de moedermaatschappij is aan wie de vordering terzake toekomt. Het oordeel van het hof dat de wet geen bepaling bevat die voorschrijft aan welke maatschappij van de fiscale eenheid moet worden terugbetaald, is dus onjuist.

3.5.1

Onderdeel 1.2 keert zich tegen de vaststelling van het hof in rov. 14 dat de Belastingdienst ervan is uitgegaan dat de vordering tot terugbetaling aan [A] B.V. toekwam, nu zij de vordering op haar op grond van de cessie heeft uitbetaald aan [eiseres 1]. Het onderdeel klaagt dat deze vaststelling onbegrijpelijk is.

3.5.2

Ook dit onderdeel slaagt. Blijkens de hiervoor in 3.1 onder (vi) vermelde vaststaande feiten van deze zaak, heeft de Belastingdienst immers onmiskenbaar [B] aangemerkt als gerechtigde tot betaling, zulks overeenkomstig het hiervoor in 3.4.2 overwogene. De vaststelling van het hof is derhalve onbegrijpelijk.

3.6

Nu onderdeel 1 gegrond is, behoeft onderdeel 2 geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 december 2013;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] begroot op € 2.716,70 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en V. van den Brink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 oktober 2015.