Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3094

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
14/06049
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2127, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Overwaarde-arrangement. Regresvordering borg. Art. 42 en 54 Fw. Verplichte rechtshandeling? Wetenschap van benadeling?

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 42
Faillissementswet 54
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1944
RvdW 2015/1124
NJB 2015/1908
JWB 2015/355
RI 2016/1
AR 2016/213
NJ 2016/49 met annotatie van F.M.J. Verstijlen
JOR 2016/21 met annotatie van Prof. Mr. J.J. van Hees
NTHR 2015, afl. 6, p. 333
INS-Updates.nl 2015-0271
PS-Updates.nl 2019-0410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 oktober 2015

Eerste Kamer

14/06049

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Pieter INGWERSEN q.q.,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
kantoorhoudende te [plaats],

EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. K. Teuben en

mr. S.M. Kingma,

t e g e n

ING COMMERCIAL FINANCE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de curator en ICF.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/13/529346/HA ZA 12-1329 van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2013 en 27 augustus 2014.

De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 27 augustus 2014 heeft de curator beroep in cassatie ingesteld.
ICF heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor ICF mede door mrs. D.G.J. Heems en A. Stortelder.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden vonnis, en in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

De advocaten van partijen hebben elk bij brief van 21 augustus 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) Op 26 juli 2006 is ICF een bevoorschottings- en dienstverleningsovereenkomst aangegaan met [A] B.V. (hierna: [A] ). Doel van de bevoorschottingsovereenkomst was kredietverschaffing door ICF aan [A] in de vorm van het verstrekken van voorschotten op vorderingen die [A] op haar debiteuren had of zou krijgen. In het kader van deze kredietverschaffing heeft ICF de debiteurenadministratie van [A] gevoerd en heeft zij incassowerkzaamheden verricht.

(ii) De debiteuren van [A] betaalden op een bankrekening (hierna: de zakelijke rekening) die door ICF specifiek voor [A] werd aangehouden bij ING Bank N.V. (hierna: ING). Tot zekerheid voor de nakoming van al hetgeen [A] aan ICF verschuldigd is of zal worden (uit welken hoofde dan ook) heeft ICF een eerste pandrecht op alle vorderingen van [A] op haar debiteuren verkregen. [A] heeft ICF gevolmachtigd om steeds op elk door ICF gewenst moment alle vorderingen van [A] op haar debiteuren namens [A] aan ICF te verpanden. Op basis van deze volmacht heeft ICF laatstelijk op 20 juni 2011 de vorderingen van [A] op haar debiteuren aan zichzelf verpand.

(iii) ING heeft een krediet aan [A] verstrekt. Op grond van art. 5 van de op de kredietovereenkomst toepasselijke Algemene Bepalingen van Kredietverlening van ING, is [A] verplicht op eerste verzoek van ING de door ING verlangde zekerheden te verschaffen tot zekerheid voor de vorderingen van ING op [A] . In art. 20 van de op de kredietovereenkomst toepasselijke Algemene Bankvoorwaarden is opgenomen:

“Artikel 20. Zekerheidsstelling

De cliënt is verplicht desgevraagd voldoende zekerheid te stellen voor de nakoming van zijn bestaande verplichtingen jegens de bank. Is een gestelde zekerheid onvoldoende geworden, dan is de cliënt verplicht desgevraagd die zekerheid aan te vullen of te vervangen. (...)”

(iv) [A] heeft ten gunste van ING een pandrecht (tweede in rang na het pandrecht van ICF) gevestigd op de vorderingen van [A] op haar debiteuren. Ook de voorraden en inventaris van [A] zijn aan ING verpand.

( v) Op 26 juli 2006 zijn ING, ICF en [A] een wederzijds zekerhedenarrangement (hierna: WZA-I) aangegaan waarbij ICF en ING zich (in art. 1 en 2) over en weer jegens elkaar borg hebben gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van [A] uit de overeenkomsten met ICF en ING. De borgstelling is gemaximeerd tot € 500.000,--. In art. 3 van WZA-I is bepaald:

“3.1 De Cliënt verklaart hierbij onherroepelijk en onvoorwaardelijk ten gunste van [ICF] respectievelijk [ING] alle door [ICF] ingevolge artikel 1 aan [ING] alsmede alle door [ING] ingevolge artikel 2 aan [ICF] verrichte of nog te verrichten betalingen volledig voor zijn rekening te nemen en de bedragen op eerste verzoek van [ICF] respectievelijk [ING] aan [ICF] respectievelijk [ING] te zullen terugbetalen.

3.2

De Cliënt verklaart zich er - voorzover noodzakelijk nu reeds bij voorbaat - onherroepelijk en onvoorwaardelijk mee akkoord:

(a) dat [ICF] respectievelijk [ING] de ingevolge artikel 1 en 2 verschuldigde c.q. verschuldigd te worden betalingen verrichten indien en voorzover is voldaan aan de daarvoor in deze overeenkomst (...) gestelde voorwaarden, zonder dat door de Cliënt voor deze betalingen meerdere of andere voorwaarden en/of bewijsmiddelen zullen worden verlangd dan de door [ING] en/of [ICF] over te leggen specificatie van hun respectievelijke vorderingen op de Cliënt;

(b) dat de door [ICF] en/of [ING] in het kader van de tegeldemaking (al dan niet door uitwinning) van de aan hen verstrekte zekerheden (...) gerealiseerde opbrengst wordt aangewend ter voldoening van de (betalings)verplichting(en) van [ICF] aan [ING] en/of van [ING] aan [ICF] uit hoofde van deze overeenkomst;

(c) dat de door [ING] respectievelijk [ICF] naar aanleiding van de in artikel 1 respectievelijk 2 bedoelde betalingen ondertekende kwijtingsverklaringen of wissels of - ingeval van girale betaling - de dagafschriften van de bank of girorekening waarop het te betalen bedrag is gestort, tegenover de Cliënt als volledig bewijs van deze betalingen gelden. (...)”

(vi) Op grond van verschillende Financial Lease Back overeenkomsten (daterend van 20 juli 2006 t/m 1 juli 2010) heeft ING Lease Nederland B.V. (hierna: ING Lease) geldleningen verstrekt aan [A] . Uit die overeenkomsten volgt dat [A] de met dat krediet aangeschafte voertuigen (in de overeenkomsten ‘Objecten’ genoemd) heeft verpand aan ING Lease. Art. 5 van de op die overeenkomsten van toepassing zijnde Algemene Bepalingen van Direct Lease heeft een zelfde strekking als art. 20 van de Algemene Bankvoorwaarden die door ING worden gehanteerd (zie hiervoor onder (iii)).

(vii) Op 5 november 2009 heeft ING Lease aan [A] bericht:

“(...) Naar aanleiding van de negatieve financieel/economische ontwikkelingen van de afgelopen maanden, hebben wij het verzoek gekregen om te participeren in de (...) maatregelen die u moeten bijstaan in de ontstane liquiditeitsproblematiek. Hierbij willen wij u mededelen dat ING Lease (...) op basis van onderstaande voorwaarden bereid is de aflossingen te bevriezen voor een periode van 6 maanden. (...)

Voorwaarden bevriezing:

- Wederzijdse zekerheden arrangement met [ICF] en [ING]. (...)”

(viii) Op 15 december 2009 zijn ING Lease, ICF en [A] een wederzijds zekerhedenarrangement aangegaan (hierna: WZA-II) waarbij ING Lease en ICF zich over en weer jegens elkaar borg hebben gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van [A] uit de kredietovereenkomsten met respectievelijk ICF en ING Lease, met een maximum van € 1.700.000,--.

(ix) Eveneens op 15 december 2009 zijn ING, ING Lease en [A] een wederzijds zekerhedenarrangement aangegaan (hierna: WZA-III), waarbij ING en ING Lease zich over en weer jegens elkaar borg hebben gesteld voor de verplichtingen van [A] tot een maximumbedrag van € 750.000,--. In WZA-II en WZA-III zijn bepalingen opgenomen met (mutatis mutandis) vrijwel dezelfde tekst als artikel 3 van WZA-I (zie hiervoor onder (v)).

( x) [A] is op 21 juni 2011 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de curator als zodanig. Op dat moment hebben ICF, ING en ING Lease de volgende vorderingen op [A] :

- ICF: € 944.589,89

- ING: € 1.201.881,25

- ING Lease: € 1.904.707,98

(xi) ICF heeft mededeling gedaan aan de debiteuren van [A] dat de vordering(en) van [A] op die debiteur aan ICF zijn verpand, hetgeen zij ook direct aan de curator heeft bericht.

(xii) De curator heeft bij brief van 6 februari 2012 buitengerechtelijk de vernietiging ingeroepen van WZA-II en WZA-III.

(xiii) Uit betalingen verricht door debiteuren (op de hiervoor onder (ii) genoemde zakelijke rekening van [A] ) zijn de vorderingen van ICF op [A] uit hoofde van de bevoorschottingsovereenkomst volledig voldaan, waarna nog een overschot aan geïnde debiteuren resteert (hierna: het surplus). De vorderingen van ING en ING Lease op [A] zijn, na (gedeeltelijke) uitwinning van de aan hen verstrekte zekerheden, niet geheel voldaan.

(xiv) De curator heeft debiteuren van [A] aangeschreven om betalingen te verrichten op de boedelrekening. Sommige debiteuren van [A] hebben dit gedaan, een deel van de debiteuren van [A] heeft nog niet betaald met een beroep op de onzekerheidsexceptie van art. 6:37 BW.

3.2

In het onderhavige geding heeft ICF gevorderd, samengevat, verklaringen voor recht dat de wederzijdse zekerheidsarrangementen rechtsgeldig zijn aangegaan en dat het door [A] ten gunste van ICF gevestigde pandrecht mede strekt tot zekerheid van voldoening van de regresvorderingen van ICF op [A] uit hoofde van de borgstellingen alsmede veroordeling van de curator tot afgifte van betalingen op de aan ICF verpande vorderingen. De curator stelt dat WZA-II en WZA-III rechtsgeldig zijn vernietigd op grond van art. 42 Fw.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen van ICF toegewezen en de gevraagde verklaringen voor recht gegeven. Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

WZA-II is een meerpartijenovereenkomst waarbij (in ieder geval) ICF en [A] verplichtingen op zich hebben genomen. [A] heeft zich jegens ICF verbonden om de door ICF uit hoofde van de borgstelling aan ING Lease verrichte of nog te verrichten betalingen volledig voor haar rekening te nemen en op eerste verzoek van ICF aan ICF terug te betalen. Daaruit volgt dat [A] een rechtshandeling heeft verricht bij het aangaan van dit wederzijdse zekerheidsarrangement. Het aangaan door [A] van het wederzijdse zekerheidsarrangement is gelijk te stellen aan het verschaffen van extra zekerheid aan ING Lease voor haar vorderingen op [A] , waartoe zij op grond van art. 5 van de Algemene Bepalingen van Direct Lease verplicht was. Met deze constructie hebben partijen immers kennelijk een resultaat willen bereiken dat zij ook hadden kunnen bereiken door een tweede stille verpanding door [A] van haar vorderingen op debiteuren aan ING Lease. In zoverre is dan ook sprake van een verplichte rechtshandeling, zodat het beroep van de Curator op artikel 42 Fw faalt. Het voorgaande geldt mutatis mutandis ook voor WZA-III. (rov. 4.1)

Ook indien zou moeten worden geoordeeld dat WZA-II en WZA-III onverplichte rechtshandelingen zijn, heeft de curator tegenover de gemotiveerde betwisting door ICF onvoldoende onderbouwd dat bij [A] (laat staan bij ICF en ING) ten tijde van het aangaan van de WZA’s wetenschap van benadeling aanwezig was (rov. 4.2). De curator heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken dat WZA-II en WZA-III op 15 december 2009 zijn aangegaan. Gelet op het moment dat [A] is gefailleerd (21 juni 2011) en het moment waarop de WZA’s zijn aangegaan kan, zonder nadere (financiële) onderbouwing, die ontbreekt, het betoog van de curator dat sprake is van wetenschap van benadeling niet worden gevolgd. Het enkele feit dat [A] jegens ING Lease op 5 november 2009 niet tijdig kon voldoen aan haar betalingsverplichtingen uit de financial leaseovereenkomsten en mogelijk uit andere overeenkomsten, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat [A] (en ICF en ING Lease) kon(den) voorzien dat [A] in staat van faillissement zou komen te verkeren en dat daarin sprake zou zijn van een tekort. (rov. 4.3)

Uit hoofde van de bevoorschottingsovereenkomst heeft [A] (vóór faillissement) een pandrecht ten gunste van ICF gevestigd tot zekerheid voor de nakoming van al hetgeen [A] aan ICF verschuldigd is of zal worden uit welke hoofde dan ook. Het pandrecht strekt dus niet alleen tot zekerheid van de vorderingen van ICF op [A] die op dat moment reeds bestonden, maar is ook gevestigd voor toekomstige vorderingen (art. 3:231 BW). Bij de beantwoording van de vraag voor (of tot zekerheid van) welke vorderingen een pandrecht is gevestigd is het ontstaansmoment van de vorderingen niet van belang, mits de vordering voldoende bepaalbaar is. (rov. 4.5)

Uit de wederzijdse zekerheidsarrangementen volgt dat [A] zich jegens ICF heeft verbonden om, indien en voor zover ICF aan haar voorwaardelijke betalingsverplichting uit hoofde van de borgstelling jegens ING Lease of ING voldoet, deze bedragen aan ICF terug te betalen. Zowel de verplichting van ICF om een bedrag ter grootte van de overwaarde van haar zekerheden aan ING Lease/ING uit te keren, als haar daarop volgende bevoegdheid om eenzelfde bedrag in te houden op het surplus, vloeien voort uit deze rechtshandeling. Daaruit en uit de wijze waarop dit is geformuleerd in art. 3 van de WZA’s (zie onder meer ‘nog te verrichten betalingen’ in art. 3.1 van de WZA) moet worden afgeleid dat de contractuele regresvordering van ICF op [A] een reeds bestaande vordering is onder opschortende voorwaarde van voldoening door ICF van hetgeen [A] verschuldigd is aan ING Lease of ING. Derhalve moet worden geoordeeld dat de uit art. 3 van de WZA’s voortvloeiende regresvordering ten tijde van de faillietverklaring voorwaardelijk reeds bestond (vgl. Hoge Raad 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7575 (verder: Bannenberg qq/NMB)). Het pandrecht strekt dus ook tot zekerheid van voornoemde contractuele regresvordering van ICF op [A] , voortvloeiend uit de wederzijdse zekerheidsarrangementen. (rov. 4.6)

Het arrest HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea) heeft betrekking op het ontstaansmoment van een wettelijke regresvordering op grond van hoofdelijkheid in de context van de aanvang van de verjaringstermijn. Uit dit arrest kan niet worden afgeleid dat een contractuele regresvordering voortvloeiend uit een wederzijds zekerhedenarrangement (vanuit faillissementsoogpunt) niet reeds onder opschortende voorwaarde zou kunnen bestaan, hetgeen immers expliciet is gesanctioneerd in Bannenberg qq/NMB, op welk arrest de Hoge Raad – blijkens rechtsoverweging 3.6 van ASR/Achmea – niet is teruggekomen. (rov. 4.7)

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

De onderdelen 6-9c van het middel zijn alle rechtstreeks of indirect gericht tegen de rov. 4.5-4.7 van de rechtbank. Zij bevatten onder meer een reeks klachten over de toelaatbaarheid en rechtsgeldigheid van een overwaarde-arrangement als in de onderhavige WZA’s aan de orde. Deze onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden, ten dele omdat zij berusten op een onjuiste rechtsopvatting, ten dele omdat zij zijn gericht tegen beslissingen van de rechtbank die niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn. Daartoe wordt verwezen naar het heden uitgesproken arrest in de zaak 14/05050, ECLI:NL:HR:2015:3023, waarin prejudiciële vragen over de ‘faillissementsbestendigheid’ van het overwaarde-arrangement zijn beantwoord die ook voor de onderhavige zaak relevant zijn. Uit dat arrest vloeit voort dat ICF zich ter zake van haar regresvorderingen op [A] uit hoofde van de WZA’s, kan verhalen op de opbrengst van de aan haar verpande vorderingen van [A] , nu het in dit geval gaat om vóór de faillietverklaring van [A] reeds (voorwaardelijk) bestaande contractuele regresvorderingen.

4.2.1

Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de curator op art. 42 Fw faalt omdat het betrekking heeft op rechtshandelingen waartoe [A] verplicht was (rov. 4.1).

4.2.2

Onderdeel 1a klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de rechtshandeling die [A] heeft verricht bij het aangaan van WZA-II is gelijk te stellen met het verschaffen van extra zekerheid aan ING Lease voor haar vorderingen op [A] , waartoe [A] op grond van art. 5 van de algemene bepalingen van Direct Lease verplicht was.

Deze klacht is gegrond. De rechtbank heeft in rov. 4.1 vastgesteld dat [A] zich in WZA-II jegens ICF ertoe heeft verbonden om de door ICF uit hoofde van borgstelling aan ING Lease verrichte of nog te verrichten betalingen volledig voor haar rekening te nemen en op eerste verzoek van ICF aan ICF terug te betalen. Uitgaande van deze vaststelling heeft niet [A] , maar ICF aan ING Lease zekerheid verschaft en heeft [A] geen verplichting jegens ING Lease op zich genomen. Weliswaar is het resultaat van WZA-II dat ING Lease aanvullende zekerheid heeft verkregen voor haar vorderingen op [A] in de vorm van een borgstelling van ICF, maar alleen het beoogde resultaat van WZA-II als geheel kan niet meebrengen dat de bijdrage van [A] daarin, die voor de rechtsgeldigheid van de borgstelling niet nodig was, wordt gelijkgesteld met het door [A] verschaffen van extra zekerheid aan ING Lease. De toevoeging van de rechtbank dat partijen dit resultaat ook hadden kunnen bereiken door een tweede stille verpanding door [A] van haar vorderingen op debiteuren aan ING Lease maakt dit niet anders, nu in dat geval sprake zou zijn geweest van een constructie waarin [A] wél aan ING Lease aanvullende zekerheid zou hebben verschaft.

4.2.3

Onderdeel 1b is eveneens gegrond. Zoals het onderdeel betoogt, heeft de curator het verweer gevoerd dat [A] in verband met art. 5 van de Algemene Bepalingen van Direct Lease (zie hiervoor in 3.1 onder (vi)) slechts verplicht was tot het verstrekken van aanvullende zekerheid indien de aanvankelijk gestelde zekerheid onvoldoende zou zijn (geworden) en daarvan aan [A] mededeling zou zijn gedaan, en dat aan die voorwaarde niet is voldaan. De rechtbank heeft niet (kenbaar) op dit verweer beslist.

4.2.4

De klachten van onderdeel 1c, die zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hetgeen is overwogen ten aanzien van WZA-II eveneens geldt voor WZA-III, zijn op grond van het voorgaande eveneens terecht aangevoerd.

4.2.5

De rechtbank heeft derhalve op onjuiste gronden, althans ontoereikend gemotiveerd, geoordeeld dat [A] bij het aangaan van WZA-II en WZA-III geen ‘onverplichte prestatie’ in de zin van art. 42 Fw op zich heeft genomen.

4.3.1

De rechtbank heeft in de rov. 4.2 en 4.3 voorts – ten overvloede – overwogen dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd dat bij [A] ten tijde van het aangaan van de WZA’s wetenschap van benadeling in de zin van art. 42 Fw aanwezig was. Onderdeel 3 klaagt dat de rechtbank in dit verband te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van de curator. Bovendien wijst het onderdeel erop dat de curator bewijs heeft aangeboden.

4.3.2

Het onderdeel faalt. Bij [A] zou sprake zijn geweest van wetenschap van benadeling indien het faillissement en een tekort daarin ten tijde van het aangaan van WZA-II en WZA-III voor haar met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien (vgl. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8493, NJ 2010/273). De rechtbank is terecht van deze maatstaf uitgegaan. Anders dan de toelichting op het onderdeel suggereert, kon de rechtbank op grond van de gedingstukken oordelen dat ICF wetenschap van benadeling bij (ook) [A] gemotiveerd heeft betwist (zie conclusie van repliek, nr. 3.28 e.v.). Voor het overige berust haar oordeel dat de curator niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, vooral op een waardering die mede verband houdt met de geruime tijd die is verstreken tussen enerzijds het aangaan van de WZA’s en het op dat momentdoor [A] niet kunnen nakomen van diverse verplichtingen (eind 2009) en anderzijds het moment waarop [A] is gefailleerd (21 juni 2011). Dat de rechtbank, uitgaande van die verstreken tijd, een ‘nadere (financiële) onderbouwing’ van de curator miste, is niet onbegrijpelijk. Evenmin behoefde haar oordeel nadere motivering. Nu de rechtbank het standpunt van de curator onvoldoende onderbouwd achtte, was zij niet gehouden in te gaan op zijn bewijsaanbod.

4.4

Hetgeen hiervoor in 4.3.2 is overwogen brengt mee dat het beroep van de curator op art. 42 Fw moet falen. Dit heeft tot gevolg dat de klachten van onderdeel 1, hoewel gegrond (zie hiervoor in 4.2.1-4.2.5), bij gebrek aan belang niet tot cassatie kunnen leiden.

4.5

Onderdeel 9d klaagt erover dat de rechtbank niet is ingegaan op het verweer van de curator dat (toepassing bij analogie van) art. 54 Fw in de weg staat aan het door ICF verlangde verhaal op de opbrengst van de door [A] verpande vorderingen. De curator heeft echter geen belang bij deze klacht. Hetgeen de rechtbank in rov. 4.2 met betrekking tot de wetenschap van benadeling bij [A] heeft overwogen, heeft zij immers ook betrokken op ICF (“laat staan bij ICF en ING”). Hierin ligt besloten dat het beroep van de curator op (toepassing bij analogie van) art. 54 Fw niet kan slagen omdat hij het ontbreken van goede trouw bij ICF onvoldoende heeft onderbouwd. Ook voor onderdeel 9d geldt derhalve hetgeen hiervoor in 4.3.2 is overwogen.

4.6

Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1

Onderdeel 1 van het middel behoeft geen behandeling omdat de voorwaarde waaronder het is voorgedragen niet is vervuld.

5.2

De klachten van de onderdelen 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Kosten van het geding in cassatie

Partijen hebben de Hoge Raad meegedeeld te zijn overeengekomen over en weer geen proceskosten te zullen vorderen. Daarom zal een proceskostenveroordeling achterwege blijven.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter, en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 16 oktober 2015.