Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3081

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2015
Datum publicatie
16-10-2015
Zaaknummer
14/02700
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1378, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:485, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid. Art. 40, lid 1, Invorderingswet 1990. Aansprakelijkstelling op grond van deze bepaling strekt zich mede uit tot lichamen.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990
Invorderingswet 1990 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2015/53.14 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2015/2211
Belastingadvies 2015/23.10
BNB 2016/8 met annotatie van J.J. Vetter
FED 2016/2 met annotatie van mw. mr. dr. Y.E.J. Geradts
FutD 2015-2522 met annotatie van Fiscaal up to Date
JOR 2016/178
NTFR 2015/2975 met annotatie van mr. M.C.J. Kop
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 14/02700

16 oktober 2015

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2014, nrs. 12/00581 en 12/00582, op het hoger beroep van [X1] B.V te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 11/6583 en AWB 11/6585) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van [A] B.V. te [Z] geheven vennootschapsbelasting over het jaar 2005. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 juni 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 40, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) naar zijn duidelijke bewoordingen slechts de aansprakelijkstelling van natuurlijke personen toelaat. Volgens het Hof bieden de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling zoals die luidt met ingang van 1 januari 2001 onvoldoende aanknopingspunten om de kring van aansprakelijk te stellen personen uit te breiden tot vennootschappen of lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op deze grond heeft het Hof de beschikking waarbij belanghebbende, een rechtspersoon, aansprakelijk is gesteld, vernietigd.

Het middel richt zich tegen deze oordelen met het betoog dat uit de wettekst, de wetssystematiek en doel en strekking van artikel 40 van de Wet moet worden afgeleid dat het eerste lid van dat artikel zich mede uitstrekt tot aansprakelijkstelling van vennootschappen.

2.2.1.

Ingevolge artikel 40, lid 1, van de Wet – voor zover hier van belang - is voor de in dat lid bedoelde belastingschuld aansprakelijk degene die, al dan niet tezamen met zijn partner en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen.

2.2.2.

De huidige tekst van artikel 40, lid 1, van de Wet is tot stand gekomen bij de Wet Ondernemerspakket 2001 en geldt met ingang van 1 januari 2001. Tot die datum was op grond van voormelde bepaling – voor zover hier van belang - aansprakelijk degene die tot een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 behorende aandelen in een vennootschap vervreemdde, alsmede het lichaam dat tot een deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 behorende aandelen in een vennootschap vervreemdde.

2.2.3.

De aanleiding voor de hiervoor in 2.2.2 bedoelde wetswijziging was een evaluatie van artikel 40 van de Wet, waaruit naar voren kwam dat dit artikel in de praktijk moeilijk toepasbaar was. De belangrijkste redenen daarvoor waren het feit dat volgens de wettekst zoals die op dat moment luidde, sprake moest zijn van (staking van) een door de belastingschuldige vennootschap gedreven onderneming en de op de ontvanger rustende last om de wetenschap van benadeling van de fiscus bij de vervreemdende aandeelhouder aannemelijk te maken. Opgemerkt werd dat met de handel in vervangingsreserve- en andere kasgeldvennootschappen geen maatschappelijk wenselijk doel is gediend en dat de malafide handel in dergelijke vennootschappen toenam ondanks de invoering van artikel 40 van de Wet in 1990 (zie voor dit een en ander de onderdelen 4.6 en 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).

2.2.4.

De hiervoor in 2.2.3 omschreven bezwaren tegen de oude regeling van artikel 40 van de Wet en ook voor het overige de totstandkomingsgeschiedenis van het huidige artikel 40 van de Wet geven geen aanleiding om te veronderstellen dat de wetgever heeft beoogd de werking van dat artikel met ingang van 1 januari 2001 te beperken door de voorheen bestaande mogelijkheid tot aansprakelijkstelling van lichamen te laten vervallen. Anders dan het Hof heeft geoordeeld verzet de tekst van artikel 40, lid 1, van de Wet zich niet tegen aansprakelijkstelling van lichamen. De omstandigheid dat op grond van de wettekst ook eventuele door de partner of bloedverwanten in de rechte lijn gehouden aandelen moeten worden meegeteld voor de beoordeling of sprake is van een aandelenbezit van ten minste een derde van het geplaatste aandelenkapitaal, sluit niet uit dat op grond van de wettekst een aandelenbezit van dergelijke omvang ook kan worden gehouden door een lichaam.

2.2.5.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het Hof bij zijn door het middel bestreden oordelen is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt derhalve. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2015.