Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3061

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
13/03404
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2078, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Belediging in vreemde taal. De opvatting dat de tll. de door verdachte gedane uitlating dient te vermelden in de taal waarin zij is gedaan vindt geen steun in het recht. ’s Hofs oordeel dat verdachte aan X en Y de Papiamentse woorden heeft toegevoegd die in de tll. en de bewezenverklaring in de Nederlandse taal zijn weergegeven, is naar de eis der wet met redenen omkleed. 2. ’s Hofs strafmotivering voldoet niet aan het vereiste van art. 402.5 Sv BES. Dit leidt ex art. 402.7 Sv BES tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/1145
SR-Updates.nl 2015-0441
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 oktober 2015

Strafkamer

nr. S 13/03404 A

IC/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 1 juli 2013, nummer H 95/13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de beslissingen ter zake van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel bevat onder meer de klacht dat de bewezenverklaring, voor zover bevattende de woorden "Kruip in jullie moeder haar kut" niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

2.2.1.

De tenlastelegging, die is toegespitst op art. 278 in verbinding met art. 279 Sr BES, houdt onder 2 in dat de verdachte:

"op - een of meer tijdstip(en) - op of omstreeks 9 december 2012, in elk geval in of omstreeks de maand december 2012 op het eiland Bonaire, opzettelijk beledigend een ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid, mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Kruip in jullie moeder haar kut. Ja ik ben het. Kruip in jullie moeder haar kut, homo's" en/of "klootzakken dat jullie zijn" en/of "kruip in jullie moeder haar kut, kankerlijers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking."

2.2.2.

Daarvan is bewezenverklaard dat hij:

"op 9 december 2012 op het eiland Bonaire, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid, mondeling heeft toegevoegd de woorden: "Kruip in jullie moeder haar kut", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking."

2.2.3.

Deze bewezenverklaring steunt op het volgende bewijsmiddel:

"Een proces-verbaal d.d. 9 december 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , allen werkzaam bij het korps politie Caribisch Nederland, voor zover inhoudende als relaas van die verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op zondag 9 december 2012 omstreeks 04:25 uur bevonden wij verbalisanten ons in uniform gekleed, rijdend in een opvallend politievoertuig op de openbare weg Kaya J.N.E. Kraane te Bonaire. Voor de ingang van bar/restaurant Zeezicht stond een zwartkleurig voertuig geparkeerd. Wij zagen vier mannen, een jongeman en een jonge vrouw voor de ingang van Zeezicht staan. Ter hoogte van het zwartkleurige voertuig stapten wij uit het politievoertuig. Wij, verbalisanten [verbalisanten 1 en 2] , hoorden betrokken jongeman roepen: "Den konjo di bosnan mama, bin wak anto bosnan ta wak", hetgeen in het Nederlands betekent: "Kruip in je moeders kut, kom en jullie zullen zien wat er gaat gebeuren". De jongeman bleek genaamd te zijn: [verdachte] , geboren: [geboortedatum] /1911 te [geboorteplaats] ."

2.2.4.

De bestreden uitspraak houdt voorts het volgende in:

"Ten aanzien van het als feit 2 tenlastegelegde overweegt het Hof dat - naar hier te lande als feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd - de uitlating "den konjo di bosnan mama" in het Papiaments een zware belediging is. Het gebruik van deze woorden is op zichzelf in het algemeen beledigend en had in de gegeven omstandigheden de strekking de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aan te randen in hun eer en goede naam."

2.3.

De klacht steunt op de opvatting dat de tenlastelegging de door de verdachte gedane uitlating dient te vermelden in de taal waarin zij is gedaan. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Het oordeel van het Hof dat de verdachte aan [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de Papiamentse woorden heeft toegevoegd die in de tenlastelegging en de bewezenverklaring in de Nederlandse taal zijn weergegeven, is naar de eis der wet met redenen omkleed. De klacht is ongegrond.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel bevat onder meer de klacht dat het Hof een met betrekking tot feit 4 gevoerd verweer op onjuiste en/of ontoereikende gronden heeft verworpen.

3.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard:

"dat hij op 9 december 2012 op het eiland Bonaire, toen de aldaar dienstdoende politieambtenaar [verbalisant 4] verdachte wegens verdenking van enig strafbaar feit had aangehouden en vastgegrepen, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde ambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig: zijn, verdachte's, arm en lichaam een andere kant op te bewegen dan die waarheen die ambtenaar hem, verdachte, stuurde en door zijn, verdachte's, arm naar beneden te trachten te bewegen en door te proberen uit de greep van die verbalisant los te komen."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op het volgende bewijsmiddel:

"Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 9 december 2012 gesloten en getekend door [verbalisant 4] , hoofdagent van het Korps Politie Bonaire, voor zover inhoudende als relaas van die verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 9 december 2012 rond 04:40 uur kwam ik in uniform gekleed ter plaatse op de Kaya J.N.E. Craane te Kralendijk, Bonaire. Mijn collega [verbalisant 1] wees mij een persoon aan, welke mij later bekend was te zijn genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , en verklaarde dat die persoon aangehouden moest worden. Ik ben naar [verdachte] toegelopen en heb hem verteld dat hij was aangehouden. Ik zag dat [verdachte] door een man mij later bekend geworden als [betrokkene] , stevig werd vastgehouden. Ik zag dat [verdachte] zich niet 'overgaf'. Hierop heb ik [verdachte] uit de armen van [betrokkene] getrokken. Tevens heb ik zijn linker arm op zijn rug gefixeerd. Ik voelde dat [verdachte] zich aan zijn aanhouding probeerde te onttrekken. Ik voelde namelijk dat hij zijn arm en lichaam een andere kant op bewoog dan dat ik hem stuurde. Ik voelde dat [verdachte] zijn linkerarm naar beneden probeerde te drukken en uit mijn greep probeerde los te komen. Hierop heb ik zijn linkerarm nog iets hoger op zijn rug gefixeerd. [verdachte] bleef proberen uit mijn greep los te komen en zo aan zijn aanhouding te onttrekken."

3.2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Bewijsbeslissingen

De verdediging is het vanzelfsprekend eens met de vrijspraak van feit 3 en de vrijspraak van de verschillende onderdelen van feit 1, 2, 3 en 4 welke niet bewezen zijn verklaard. Op die punten zal het vonnis bevestigd moeten worden. Ter verduidelijking nog het volgende:

(...)

Uit het proces-verbaal van aanhouding van [verdachte] blijkt het volgende: Toen de politieambtenaar aankwam werd hem aangewezen wie hij moest aanhouden, [verdachte] . Hij zag dat [verdachte] stevig door een andere man werd vastgehouden en hem bij verbalisant vandaan trok. Volgens de verbalisant zei hij nogmaals dat [verdachte] was aangehouden, maar zag hij dat [verdachte] zich niet overgaf. Als de beelden van de situatie worden bezien dan is de vraag hoe [verdachte] zich had kunnen overgeven, want [verdachte] , een kleine jongeman, werd vastgehouden door de grotere en forsere [betrokkene] . De verbalisant meldt alleen, dat hij een van dienstwegen verstrekte lange wapenstok in zijn rechterhand had. Hij vergeet te vermelden, dat hij deze ook gebruikt heeft. Kennelijk weet de verbalisant niet, dat zich daar een camera van Karel's Bar bevindt. Verbalisant meldt dat hij [verdachte] uit de armen van [betrokkene] heeft getrokken. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van zijn wapenstok. Het is bijzonder kwalijk, dat de verbalisant hiervan geen melding maakt in het door hem opgemaakte proces-verbaal.

4.33.44

De agent die [verdachte] gaat aanhouden arriveert waar o.a. [verdachte] en [betrokkene] staan. Hij heeft wapenstok in de hand en duwt hiermee in horizontale stand mensen weg die tussen hem en [verdachte] in staan.

4.34.01

Agent haalt uit met zijn wapenstok en slaat er hard mee. Vervolgens is te zien dat hij iemand aan zijn arm vastheeft en meetrekt. Het is [verdachte] , die zijn andere hand beschermend op zijn hoofd houdt.

Tussen 4.34.11 en 4.34.50 wordt [verdachte] minstens 4 keer met de klop geslagen, ongeveer ter hoogte van zijn schouder/nek rechts, met name tussen 4.34.34 en 4.34.47

[verdachte] wordt aan zijn arm getrokken en op de grond gegooid.

Feit 4: Ter verdediging wordt allereerst het volgende aangevoerd. Het geweld is zonder enige waarschuwing ingezet. De politieambtenaar wist niet eens wat er aan de hand was en waarom hem gevraagd werd [verdachte] aan te houden. Hij gebruikt direct zijn wapenstok. [verdachte] heeft letsel bekomen. Hij was niet in staat om het eerste verhoor te doorstaan, zoveel pijn had hij. Pas vier dagen later was er een dokter beschikbaar in JICN, die een doktersbriefje opstelde.

Naar aanleiding van de videobeelden stelt de verdediging, dat niet voldaan is aan het vereiste dat het geweldsgebruik in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd was. In relatie tot het ten laste gelegde feit is het door de politie toegepaste geweld al helemaal disproportioneel. Omdat de politie te ver is gegaan in het toegepaste geweld, was de verbalisant niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en dient vrijspraak te volgen."

3.2.4.

Het bestreden arrest houdt onder het opschrift 'Bewijsoverwegingen' het volgende in.

"Ten aanzien van het als feit 4 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat blijkens de videobeelden de verbalisant [verbalisant 4] in verband met de aanhouding van de verdachte disproportioneel geweld heeft toegepast en ten gevolge daarvan niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was.

Het Hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Uit de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal en uit de ter terechtzitting in hoger beroep bekeken videobeelden blijkt dat de situatie ter plaatse voorafgaande aan en ten tijde van de aanhouding van de verdachte zeer gespannen was. De verbalisant [verbalisant 1] heeft daarin op een gegeven moment aanleiding gezien om bij de meldkamer de komst van de dienstdoende wachtcommandant te verzoeken. Toen de verbalisant [verbalisant 4] , de dienstdoende wachtcommandant, ter plaatse arriveerde, werd hij direct aangesproken door zijn collega [verbalisant 1] die hem de verdachte aanwees, met de mededeling dat hij moest worden aangehouden. De verbalisant [verbalisant 4] is naar de verdachte toegelopen en heeft gezegd dat hij was aangehouden. Uit hetgeen de verbalisant [verbalisant 4] vervolgens heeft gerelateerd, blijkt dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan zijn aanhouding en zich daartegen juist heeft verzet. Verschillende mannen en een vrouw bemoeiden zich op storende wijze met de aanhouding. Een van die mannen, [betrokkene] , heeft de verdachte vastgegrepen. Niet is gebleken dat de verdachte heeft geprobeerd zich aan die greep, klaarblijkelijk bedoeld ter voorkoming van de aanhouding van de verdachte, te onttrekken. In deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, heeft de verbalisant [verbalisant 4] niet disproportioneel geweld gebruikt door in het kader van de aanhouding van de verdachte zijn wapenstok te trekken en - zoals op de videobeelden is te zien - de verdachte daarmee te slaan. De verbalisant [verbalisant 4] handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De omstandigheid dat omtrent het slaan met de wapenstok in het door hem opgemaakte proces-verbaal niet wordt gerelateerd, maakt dit niet anders. Van een onherstelbare normschending als bedoeld in artikel 413 Sv BES, waaraan een van de in lid 5 van die bepaling genoemde gevolgen moet worden verbonden, is geen sprake."

3.3.

Het oordeel van het Hof dat de dienstdoende politieambtenaar [verbalisant 4] bij de aanhouding van de verdachte werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van de bediening, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte aan wie te kennen was gegeven dat hij was aangehouden, zich niet heeft losgemaakt van de omstanders die hem vasthielden als gevolg waarvan [verbalisant 4] hem van die omstanders moest losrukken en daarbij klaarblijkelijk de wapenstok heeft gebruikt. Het oordeel van het Hof dat [verbalisant 4] in de gegeven omstandigheden niet disproportioneel geweld heeft gebruikt in het kader van de aanhouding van de verdachte, is niet onbegrijpelijk en kan als van feitelijke aard in cassatie niet verder worden getoetst. Het middel faalt in zoverre.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel bevat onder meer de klacht dat de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf ontoereikend is gemotiveerd, nu het vonnis niet in het bijzonder de redenen bevat die tot de keuze van deze strafsoort hebben geleid.

4.2.1.

Het Hof heeft aan de verdachte de volgende straf opgelegd:

"veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) dagen;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 80 (tachtig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij later anders mocht worden gelast op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 3 (drie) jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte, ter voorkoming van tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk op te leggen deel van de gevangenisstraf, volgens de voorschriften en de aanwijzingen - ook voor wat betreft de voortgang - te geven door of namens de Stichting Reclassering Bonaire, gedurende 80 (tachtig) uren onbetaalde werkzaamheden in het kader van dienstverlening zal hebben verricht, welke werkzaamheden dienen te zijn aangevangen binnen 3 (drie) maanden na het ingaan van de proeftijd en binnen 12 (twaalf) maanden na die aanvang dienen te zijn voltooid."

4.2.2.

Deze strafoplegging is door het Hof als volgt gemotiveerd:

"Bij de bepaling van de straf heeft het Hof rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, met de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en met de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder heeft het Hof daarbij het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op de openbare weg de confrontatie gezocht met de politie. Hij heeft twee verbalisanten beledigd en hij heeft zich voorts schuldig gemaakt aan wederspannigheid. Dit zijn ernstige feiten. De politie moet haar werk kunnen doen zonder daarbij te worden beledigd en haar besluit om tot aanhouding over te gaan dient zonder verzet te worden gerespecteerd.

Ten voordele van de verdachte houdt het Hof ermee rekening dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Op grond van het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden."

4.3.

Die overwegingen bevatten, in strijd met het vijfde lid van art. 402 Sv BES, niet een opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van een straf die vrijheidsontneming meebrengt. Dit vereiste leidt krachtens art. 402, zevende lid, Sv BES tot nietigheid. De klacht is gegrond.

5 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart , en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2015.