Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3059

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
13/05694
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:819, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Growshop. Medeplichtigheid aan (poging tot) telen. 2. Witwassen, art. 420bis Sr. Ad 1. ’s Hofs oordeel dat de bedrijfsactiviteiten van verdachte, bestaande uit het verkopen van benodigdheden voor het kweken van hennep, gelet op de in de bewijsoverwegingen vastgestelde f&o, moeten worden aangemerkt als ‘medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep’, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:150 over de motiveringsverplichting m.b.t. verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is, dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR ECLI:NL:HR:2013:2001).

Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen die verdachte heeft verworven en voorhanden gehad, afkomstig zijn uit ‘eigen misdrijf’, te weten: ‘medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep’. V.zv. die voorwerpen onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn geldt voor de kwalificatie ‘witwassen’ de hiervoor bedoelde motiveringsverplichting. Uit ’s Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat verdachte uit zijn verkoopactiviteiten contante geldbedragen heeft ontvangen die hij heeft besteed aan de aankoop van personenauto’s. De personenauto’s die verdachte aldus heeft verworven en voorhanden gehad zijn door het Hof kennelijk – en niet onbegrijpelijk – aangemerkt als niet onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf. De bedoelde motiveringsverplichting geldt in dit opzicht dus niet.

V.zv. de bewezenverklaring op de geldbedragen betrekking heeft, had het Hof zijn oordeel dat het bewezenverklaarde als (gewoonte)witwassen kan worden aangemerkt, nader dienen te motiveren. Uit ’s Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid dat verdachte geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl die geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit het door verdachte zelf begaan misdrijf – te weten: medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep – doordat verdachte winst heeft behaald uit de verkoop aan personen van voorwerpen voor (het opzetten van) een hennepkwekerij. Het kennelijk oordeel van het Hof dat de gedragingen van verdachte gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen, is niet z.m. begrijpelijk. De hierop betrekking hebbende overwegingen van het Hof houden immers niet meer in dan dat het Hof ervan uitgaat “dat de verdachte door het geheimhouden van zijn klanten niet alleen zijn klanten heeft willen beschermen (en zijn handel), maar ook heeft willen voorkomen dat die klanten verklaringen afleggen die ook voor de verdachte belastend zouden zijn, zoals bijvoorbeeld dat verdachte wetenschap zou hebben van de (in aanbouw zijnde) hennepplantage”. Die overwegingen kunnen aannemelijk doen zijn dat verdachte aldus wilde voorkomen dat het misdrijf werd onthuld, maar zijn niet toereikend voor het oordeel dat die gedragingen van verdachte (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen. Conclusie AG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/1133
NJ 2016/81 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
NBSTRAF 2015/262
SR-Updates.nl 2015-0463
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 oktober 2015

Strafkamer

nr. S 13/05694

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 20 september 2013, nummer 24/000945-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het misdrijf van 'medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep', blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 januari 2002 tot 30 oktober 2007 te Lelystad, althans in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, hierin bestaande dat verdachte telkens
- geldbedragen en
- personenauto's, te weten een Opel Astra, een BMW X5, een VW Golf en een Mini Cooper

heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Aan verdachte is (onder meer) ten laste gelegd dat hij geld en (luxe) goederen voorhanden heeft gehad die (on)middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
Volgens het openbaar ministerie zou uit onderzoek volgen dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode meer heeft uitgegeven dan hij aan legale inkomsten heeft gehad. Door middel van de zogenaamde kasopstelling is berekend dat verdachte en medeverdachte in de tenlastegelegde periode € 311.330 aan contant geld beschikbaar hadden voor het doen van uitgaven, terwijl zij voor een bedrag van € 435.672 aan werkelijke contante bestedingen hebben gedaan. De veronderstelling is dat een bedrag van € 124.372 uit criminele activiteiten is verkregen.
Daarnaast zou sprake zijn van kunstmatig verhoogde omzet die tot uiting kwam in hoge brutowinstmarges op nieuwe en gebruikte kweekartikelen. Het zou gaan om een bedrag van € 258.216. Daarbij is de veronderstelling dat dit bedrag via criminele activiteiten is verkregen en dat met het kunstmatige verhogen van de omzet, verdachte de criminele herkomst heeft willen verhullen.
Deze benadering is door de rechtbank geaccepteerd zij het dat de rechtbank enige correcties heeft toegepast.
Door [betrokkene 1] is op verzoek van de verdediging in de fase van het hoger beroep onderzoek gedaan naar de hierboven genoemde berekening. [betrokkene 1] komt tot de conclusie dat de bevindingen van het OM dat verdachte en medeverdachte een onverklaarbaar inkomen/vermogen hadden van € 124.372 niet juist is. Volgens zijn berekening zou slechts sprake zijn van een negatief saldo van € 3.123. Voorts is [betrokkene 1] van mening dat er geen betrouwbare grond is om te komen tot een negatieve winstcorrectie.
Mede gelet op het rapport van [betrokkene 1] zal het hof de hierboven genoemde benadering van het openbaar ministerie en de rechtbank niet volgen. Naar het oordeel van het hof zitten in de onderhavige zaak in zowel de kasopstelling als de redenering met betrekking tot de kunstmatig verhoogde omzet zo veel veronderstellingen dat de kans groot is dat de resultaten niet overeenkomen met hetgeen in werkelijkheid heeft plaatsgevonden.
Door het hof is ter zitting een alternatieve benadering gepresenteerd. Noch door advocaat-generaal, noch door de raadsman is hierop gereageerd.

Kort gezegd leidt deze alternatieve benadering tot de conclusie dat de winst die verdachte heeft gemaakt op de verkoop van kweekbenodigdheden crimineel verkregen vermogen is, omdat de verdachte met de verkoop van die kweekbenodigdheden zich heeft schuldig gemaakt aan misdrijven, namelijk medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep.

Het hof komt op basis van de volgende gegevens tot de conclusie dat sprake is van verdiensten uit medeplichtigheid aan het telen van hennep:
1. Verdachte kocht en verkocht kweekbenodigdheden. Het gaat hierbij om materialen die gebruikt worden in hennepkwekerijen. Op 36 e.v. is een overzicht te vinden van materialen die verdachte in 2007 kocht bij de groothandel [B]. Het gaat daarbij om (grote hoeveelheden) stektrays en -dozen, potten, aarde, lampen, CAN filters, droogrekken, schakelborden, vaten, tuinslangen etc. De spullen werden gekocht op naam van [A], het bedrijf van de verdachte dat eerst op naam stond van medeverdachte. Behalve nieuwe spullen kocht verdachte ook gebruikte spullen. Verdachte heeft over de koop van gebruikte spullen verklaard en tevens zijn inkoopfacturen aangetroffen. Zoals de factuur nr. 59 met datum 14 april 2004 waarop staat 25 trafo's, 35 afzuigers, 500 tl lampen, 1 knipmachine, 7 watertonnen en 5 stroomkasten.
2. Verdachte geeft geen informatie prijs over zijn klanten. Tijdens de verhoren wil hij niets over zijn klanten verklaren en ook houdt hij geen verkoopfacturen bij.
3. Verdachte maakt hoge winsten op de verkoop van kweekproducten, omdat hij de spullen naar de kopers toebrengt, zodat ze niet zelf naar een growshop hoeven gaan waar ze gezien kunnen worden.
4. Verdachte ontving contante bedragen voor de verkoop van kweekbenodigdheden zodat ook niet via de betalingen was na te gaan wie de kopers waren van de kweekbenodigdheden.
5. Het is door de geheimhouding van de verdachte over zijn afnemers binnen het opsporingsonderzoek niet gelukt om die afnemers te traceren.
6. Op 8 december 2007 werd naar aanleiding van een anonieme tip een hennepkwekerij aangetroffen op het adres [a-straat 1] in Lelystad. Volgens de eigenaar werd er in de woning al sinds 2004 hennep gekweekt en zou verdachte bij die hennepkwekerij betrokken zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij daar wel eens spullen afleverde. De naam van de klant wil hij niet noemen.
Gelet op de spullen die verdachte verkoopt, zijn geheimhouding met betrekking tot de afnemers, het niet bijhouden van verkoopfacturen en de hoge winsten die verdachte maakt op de verkoop van kweekspullen, kan het niet anders zijn dat verdachte die spullen aflevert aan personen die een hennepkwekerij hebben of een hennepkwekerij aan het opbouwen zijn en verdachte dit weet, althans de aanmerkelijke kans accepteert dat dit het geval is. Verdachte die zijn afnemers wel kent, heeft ook nimmer aangevoerd dat de spullen voor iets anders werden gebruikt dan voor (het opzetten van) een hennepkwekerij.
Het hof gaat er verder van uit dat de verdachte door met het geheimhouden van zijn klanten niet alleen zijn klanten heeft willen beschermen (en zijn handel), maar ook heeft willen voorkomen dat die klanten verklaringen afleggen die ook voor de verdachte belastend zouden zijn, zoals bijvoorbeeld dat verdachte wetenschap zou hebben van de (in aanbouw zijnde) hennepplantage. Aldus heeft de verdachte ook de criminele herkomst van zijn winst willen verhullen."

2.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat de bedrijfsactiviteiten van de verdachte, bestaande uit het verkopen van benodigdheden voor het kweken van hennep, gelet op de in de bewijsoverwegingen vastgestelde feiten en omstandigheden, moeten worden aangemerkt als 'medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep'. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.

2.4.1.

Het middel klaagt voorts dat het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde gekwalificeerd kan worden als gewoontewitwassen ontoereikend is gemotiveerd.

In dit verband doet het middel een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515). Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf (vgl. HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75).

2.4.2.

Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen die de verdachte heeft verworven en voorhanden gehad, afkomstig zijn uit 'eigen misdrijf', te weten: 'medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep'. Voor zover die voorwerpen onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn geldt voor de kwalificatie 'witwassen' de hiervoor in 2.4.1 bedoelde motiveringsverplichting.

2.4.3.

Uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat de verdachte uit zijn verkoopactiviteiten contante geldbedragen heeft ontvangen die hij heeft besteed aan de aankoop van personenauto's. De personenauto's die de verdachte aldus heeft verworven en voorhanden gehad zijn door het Hof kennelijk - en niet onbegrijpelijk - aangemerkt als niet onmiddellijk afkomstig uit eigen misdrijf. De bedoelde motiveringsverplichting geldt in dit opzicht dus niet.

2.4.4.

Voor zover de bewezenverklaring op de geldbedragen betrekking heeft, had het Hof zijn oordeel dat het bewezenverklaarde als (gewoonte)witwassen kan worden aangemerkt, nader dienen te motiveren.

Uit de bewijsvoering van het Hof kan worden afgeleid dat de verdachte geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl die geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit het door de verdachte zelf begaan misdrijf - te weten: medeplichtigheid aan (poging tot) het telen van hennep - doordat de verdachte winst heeft behaald uit de verkoop aan personen van voorwerpen voor (het opzetten van) een hennepkwekerij. Het kennelijk oordeel van het Hof dat de gedragingen van de verdachte gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen, is niet zonder meer begrijpelijk. De hierop betrekking hebbende overwegingen van het Hof houden immers niet meer in dan dat het Hof ervan uitgaat "dat de verdachte door het geheimhouden van zijn klanten niet alleen zijn klanten heeft willen beschermen (en zijn handel), maar ook heeft willen voorkomen dat die klanten verklaringen afleggen die ook voor de verdachte belastend zouden zijn, zoals bijvoorbeeld dat verdachte wetenschap zou hebben van de (in aanbouw zijnde) hennepplantage". Die overwegingen kunnen aannemelijk doen zijn dat de verdachte aldus wilde voorkomen dat het misdrijf werd onthuld, maar zijn, niet toereikend voor het oordeel dat die gedragingen van de verdachte (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2015.