Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3028

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
14/03855
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1763, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1377, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Witwassen, art. 420bis Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:702 en ECLI:NL:HR:2015:1655. HR overweegt dat indien de feitenrechter op grond van ECLI:NL:HR:2014:702 het bewezenverklaarde niet als witwassen heeft gekwalificeerd, bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van die beslissing de in ECLI:NL:HR:2015:1655 genoemde factoren evenzeer van belang zijn. In het onderhavige geval gaat het om een in een woning van verdachte aangetroffen geldbedrag van ruim € 93.000,–. Het kennelijke oordeel dat aannemelijk is dat dat geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit de door de verdachte zelf begane misdrijven, is niet zonder meer begrijpelijk nu hetgeen door de raadsvrouwe is aangevoerd - mede gelet op hetgeen het OM in dit verband in h.b. naar voren heeft gebracht - bezwaarlijk kan worden aangemerkt als een voldoende concretisering in de onder ECLI:NL:HR:2015:1655, sub (iii) bedoelde zin zowel van de door verdachte gepleegde misdrijven als van het verband tussen die misdrijven en het aangetroffen geldbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/1139
NJ 2016/82 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
AA20160110 met annotatie van T. Kooijmans
SR-Updates.nl 2015-0452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 oktober 2015

Strafkamer

nr. S 14/03855

EC/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 18 april 2014, nummer 22/003678-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Procesgang

2.1.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 14 mei 2009, in de gemeente Rotterdam een contant geldbedrag van in totaal € 93.063,27 voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag, geheel dan wel gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."

2.1.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal witwassen d.d. 1 oktober 2009 van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2009164536. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als relaas van de betreffende verbalisant:

Op 14 mei 2009 werd op [a-straat 1] te Rotterdam een hennepdrogerij aangetroffen. In de woning van verdachte [verdachte] werd een geldbedrag van € 93.063,27 aangetroffen, in coupures van € 500 (lx), € 200 (lx), € 100 (4x), € 50 (1708x), € 20 (32x), € 10 (88x), € 5 (32x) en € 4.883,27 muntgeld.

2. Het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 mei 2009 van de politie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2009164536-15. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - als verklaring van de verdachte [verdachte]:

Ik woon ongeveer 11 jaar op [a-straat 1] te Rotterdam met mijn partner [betrokkene] en haar zoontje. Niemand anders maakt daarnaast gebruik van de woning. Ik zelf heb een sleutel.

Verbalisant: In de woning in Rheezerveen, alwaar jij bent aangehouden, is een hennepkwekerij aangetroffen. Wat kun jij hierover verklaren? Hoeveel planten staan daar?

Verdachte: Die kwekerij is van mij. Ik denk ongeveer 200 planten.

Verbalisant: In jouw woning is een grote hoeveelheid geld aangetroffen. Wat kun jij daarover verklaren?

Verdachte: Dat is mijn geld. Ik denk dat het rond de 90.000 euro is."

2.1.3. Het Hof heeft voorts het volgende overwogen:

"Het hof acht aannemelijk dat het bij de verdachte aangetroffen, in de bewezenverklaring opgenomen, geldbedrag (nagenoeg geheel) afkomstig was uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven."

2.1.4. Het Hof heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en heeft omtrent de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit het volgende overwogen:

"De advocaat-generaal heeft, kort weergegeven, betoogd dat ten aanzien van de verdachte in zijn algemeenheid wel een gronddelict bekend is, maar niet concreet, welke plaats en welke periode, waardoor het gronddelict niet bewezen kan worden verklaard en er geen gevaar bestaat voor dubbele vervolging van zowel het gronddelict als het delict witwassen. Hij stelt dat het gevolg hiervan dient te zijn dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond gepasseerd moet worden.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen ter zake van het door de politierechter onder 1 en 3 bewezen verklaarde, te weten het meermalen aanwezig hebben van hennep, blijkt dat de verdachte zich bezig hield met hennepteelt. De verdachte ontkent dan ook niet langer dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw betoogt dat het voorhanden hebben van dit geld door de verdachte weliswaar bewezen kan worden verklaard, doch op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad niet gekwalificeerd kan worden als witwassen.

Het hof is van oordeel dat de stelling van de advocaat-generaal geen steun vindt in de rechtspraak van de Hoge Raad en dient te worden verworpen.

Nu de verdachte vrijgesproken is van het verbergen en verhullen van de herkomst en de vindplaats van het geldbedrag en slechts het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag bewezen is verklaard, dient de verdachte - in het licht van vaste rechtspraak van de Hoge Raad, te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het bewezen verklaarde niet als witwassen kan worden gekwalificeerd."

2.1.5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de Advocaat-Generaal daar onder meer het volgende naar voren gebracht:

"Wanneer het gronddelict niet concreet kan worden geduid bestaat er geen gevaar voor dubbele vervolging en ontbreekt de grondslag voor toepassing van deze kwalificatie-uitsluitingsgrond. Sterker nog: toepassing daarvan zou dan betekenen dat de rechter bekrachtigt dat misdaadgeld in handen blijft van de verdachte.

En hoe zit dat dan hier?

Uit welk concreet (plaats/tijd/aard) grondfeit dit geld exact is verkregen is niet duidelijk geworden. De verdachte blijft daar verre van (:"het is spaargeld") en dus niet duidelijk geworden is met welke hennepteelt en wanneer dit geld is verkregen. Daarmee ontbreekt onmiddellijk de mogelijkheid om dit geld via het ten laste leggen van het gronddelict verbeurd te laten verklaren. Nader onderzoek naar de meer dan vermoedelijke eerdere drugshandel van de verdachte [verdachte] ten einde het exacte grondfeit te kunnen achterhalen (tijd/plaats) is in het onderhavige geval wel gebeurd maar niet succesvol gebleken. Er is dan nog wel een getuige, [getuige] gehoord, maar die spreekt over vermoedelijk eerdere hennepteelt zonder die nu exact te kunnen duiden. Van twee onder de verdachte aangetroffen telefoons zijn door de politie bovendien nog de SMS beoordeeld waaruit wel een bevestiging van eerdere hennepteelt uit is af te leiden maar ook hier weer alles weer niet zo concreet dat het wijst op onmiddellijk dit geldbedrag. Ook nader onderzoek naar onder de verdachte inbeslaggenomen laptop en internetverkeer (wat wees op interesse voor de site Wietforum) bracht hiertoe onvoldoende duiding: wel ondersteuning hennepteelt, maar onvoldoende koppeling met dit concrete geldbedrag.

Dit alles - het niet exact kunnen duiden van het gronddelict - doet zoals bekend aan een bewezenverklaring voor witwassen niet af, maar noopt hier m.i. wel tot passeren van de kwalificatie-uitsluitingsgrond."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het bewezenverklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen.

3.2.1.

In het middel wordt daartoe aangevoerd - met een beroep op de recente rechtspraak van de Hoge Raad inzake, kort gezegd, de kwalificatie-uitsluiting in witwaszaken ingeval het betreft het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen - dat indien de verdachte niet met succes voor dat eigen misdrijf kan worden vervolgd, dit verwerven of voorhanden hebben in zo een geval moet worden gekwalificeerd als (schuld-)witwassen, omdat zich niet het gevaar voordoet "van een verhoogd strafmaximum op grond van meerdaadse samenloop".

3.2.2.

De in het middel bedoelde rechtspraak over de kwalificeerbaarheid van witwassen strekt ertoe dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Ingeval de gedraging betrekking heeft op een gedeelte van die voorwerpen, kan slechts het verwerven of voorhanden hebben van dat gedeelte worden aangemerkt als witwassen.

Wanneer het gaat om het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moet een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte en moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302.)

3.2.3.

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 3.2.2 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. HR 16 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1655, NJ 2015/340, rov. 2.3.1 en 2.3.2).

3.2.4.

Indien de feitenrechter het bewezenverklaarde verwerven en/of voorhanden hebben op grond van de hiervoor onder 3.2.2 weergegeven rechtspraak niet als witwassen heeft gekwalificeerd, kunnen bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van die beslissing de hiervoor onder 3.2.3 genoemde factoren evenzeer van belang zijn.

3.3.

In het onderhavige geval gaat het om een in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van ruim € 93.000,-. Het Hof heeft vastgesteld "dat de verdachte zich bezig hield met hennepteelt" en dat door de raadsvrouwe is aangevoerd dat de verdachte "niet langer [ontkent] dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit door de verdachte zelf gepleegde misdrijven". Kennelijk heeft het Hof op grond hiervan met het oog op de hiervoor onder 3.2.3 onder (iii) weergegeven factor geoordeeld dat aannemelijk is dat dat geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit door de verdachte zelf begane misdrijven.

3.4.

Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk nu hetgeen door de raadsvrouwe is aangevoerd - mede gelet op hetgeen het Openbaar Ministerie in dit verband in hoger beroep naar voren heeft gebracht - bezwaarlijk kan worden aangemerkt als een voldoende concretisering in de hiervoren onder 3.2.3 sub (iii) bedoelde zin zowel van de door de verdachte gepleegde misdrijven als van het verband tussen die misdrijven en het aangetroffen geldbedrag.

3.5.

Voor zover het middel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2015.