Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3018

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
15/00378
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1128
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHAMS:2015:105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Collectieve actie effectenlease-overeenkomst, art. 3:305a BW. Geldt stuitende werking ook voor bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging ex art. 1:89 BW? Zesmaandentermijn van art. 3:316 lid 2 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 89
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 52
Burgerlijk Wetboek Boek 3 305a
Burgerlijk Wetboek Boek 3 316
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/337 met annotatie van mr. T.M.C. Arons
JPF 2015/135
TvPP 2015, afl. 6, p. 179
NTHR 2015, afl. 6, p. 312
JWB 2015/347
RvdW 2015/1093
NJB 2015/1858
RCR 2016/2
JOR 2015/337 met annotatie van mr. T.M.C. Arons
JONDR 2015/1161
NJ 2016/490 met annotatie van Redactie, J. Hijma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2015

Eerste Kamer

15/00378

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

APPELLANT in hoger beroep,

advocaat in de prejudiciële procedure:

mr. E.H. van Staden ten Brink,

t e g e n

DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE in hoger beroep,

advocaten in de prejudiciële procedure:

mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk en
mr. R.M. Hermans.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [appellant] en Dexia.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 1097807 DX EXPL 09-422 van de kantonrechter te Amsterdam van 6 januari 2010 en 12 januari 2011;

b. de arresten in de zaak 200.089.046/01 van het gerechtshof Amsterdam van 4 november 2014 en 20 januari 2015.

De arresten van het hof zijn aan deze beslissing gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemd arrest heeft het hof op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

1. “strekt de stuitende werking op de voet van art. 3:316 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uit tot de verjaring van de buitengerechtelijke bevoegdheid tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW?”

en bij een bevestigend antwoord op die vraag:

2. “ “leidt alsdan een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken tot hetzelfde rechtsgevolg als het instellen van een nieuwe eis in de zin van die bepaling?”

Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld hebben de advocaten van partijen schriftelijke opmerkingen ingediend. Zij hebben vervolgens op elkaars opmerkingen gereageerd.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot bevestigende beantwoording van vraag 1 en ontkennende beantwoording van vraag 2.

De advocaten van partijen hebben ieder bij brief van 7 augustus 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [appellant] is op 13 oktober 2000 met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna ook: Dexia) een effectenleaseovereenkomst aangegaan met een looptijd van 120 maanden en een leasesom van € 60.681,50.

(ii) [appellant] heeft op grond van de leaseovereenkomst in totaal € 13.484,68 aan maandtermijnen aan Dexia betaald en geen voordelen ontvangen. De leaseovereenkomst is geëindigd met een negatief saldo op de eindafrekening van Dexia van 21 juni 2006 ten bedrage van € 8.969,88.

(iii) [appellant] is gehuwd met [betrokkene 1] .

(iv) Bij dagvaarding van 13 maart 2003 hebben onder anderen de Stichting Eegalease en de Consumentenbond gevorderd voor recht te verklaren (vordering A): dat op de door Dexia aangeboden leaseovereenkomsten het bepaalde in de art. 1:88 en 1:89 BW van toepassing is en (vordering B): dat de leaseovereenkomsten die in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder toestemming van de echtgenoot of geregistreerd partner met Dexia zijn gesloten, vernietigd zijn, althans vernietigbaar zijn op grond van art. 1:89 BW (hierna samen: de collectieve actie).

( v) Bij vonnis van 25 augustus 2004 (ECLI:NL:RBAMS:2004:AQ7412) heeft de rechtbank Amsterdam vordering A toegewezen en vordering B afgewezen.

(vi) Gedurende het door Dexia tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is tussen Dexia en de betrokken belangenorganisaties – waaronder de Stichting Eegalease en de Consumentenbond – een schikking tot stand gekomen, die is neergelegd in een “Hoofdovereenkomst” van 23 juni 2005. Daarbij hebben de belangenorganisaties verklaard hun medewerking te zullen verlenen aan beëindiging en royement van alle onderwerpelijke procedures, waaronder de met de dagvaarding van 13 maart 2003 ingeleide procedure, en afstand te doen van alle in de betrokken procedures gepretendeerde rechten en/of vorderingen, waaronder de vorderingen A en B. Partijen hebben vervolgens – zoals voorzien in de Hoofdovereenkomst – een overeenkomst gesloten zoals bedoeld in art. 7:907 lid 1 BW (de WCAM-overeenkomst). Deze overeenkomst is bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, NJ 2007/427, verbindend verklaard. Het geheel van de hier bedoelde afspraken wordt aangeduid als de Duisenberg-regeling.

(vii) [appellant] heeft door een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW tijdig laten weten niet gebonden te willen zijn aan de Duisenberg-regeling.

(viii) [betrokkene 1] heeft bij brief van 2 februari 2005 aan Dexia verklaard de leaseovereenkomst op de voet van art. 1:89 BW te vernietigen en aanspraak gemaakt op terugbetaling van hetgeen onder de leaseovereenkomst aan Dexia is betaald. Dexia heeft de vernietiging door [betrokkene 1] van de leaseovereenkomst niet aanvaard.

3.2.1

In dit geding heeft [appellant] gevorderd, voor zover thans van belang, te verklaren voor recht dat de leaseovereenkomst bij de brief van 2 februari 2005 door [betrokkene 1] rechtsgeldig is vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door [appellant] op grond van de leaseovereenkomst aan Dexia is betaald terug te betalen.

3.2.2

Dexia heeft aangevoerd dat de bevoegdheid van [betrokkene 1] om de leaseovereenkomst op de voet van art. 1:89 BW te vernietigen ten tijde van de vernietigingsbrief van 2 februari 2005 ingevolge art. 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW was verjaard. Zij heeft in dat verband gesteld dat [betrokkene 1] in ieder geval vanaf het moment van de afschrijving van het eerste termijnbedrag van de op naam van [appellant] en [betrokkene 1] gestelde en/of-rekening (vanaf of omstreeks de datum van de leaseovereenkomst, 13 oktober 2000) bekend was met het bestaan van de leaseovereenkomst.

3.2.3

De kantonrechter heeft het verjaringsverweer van Dexia gehonoreerd en de vorderingen van [appellant] afgewezen.

3.2.4

In hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid van [betrokkene 1] op de voet van art. 3:316 BW binnen de termijn van art. 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding in de collectieve actie op 13 maart 2003.

3.2.5

Naar aanleiding van het door Dexia hiertegen gevoerde verweer heeft het hof onder meer overwogen:

3.11

De (…) ratio van de stuitende werking van collectieve vorderingen tot verklaring voor recht ‘dat een gerechtigde individueel verder kan afzien van een daad van rechtsvervolging indien hij weet dat mede ten behoeve van hem een collectieve actie is ingesteld’ (Kamerstukken II, 1992-1993, 22 486, nr. 5, p. 3/4) is evident van toepassing op de verjaring van individuele vervolgacties tot schadevergoeding te voldoen in geld. (…) Het aannemen van stuitende werking van een collectieve vordering dient voor dat geval het met de collectieve actie beoogde doel van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming, omdat het betekent dat individueel gerechtigden tot schadevergoeding te voldoen in geld de uitkomst van een collectieve actie kunnen afwachten. Daarentegen kwalificeert om te beginnen een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring op de voet van art. 1:89 BW niet als daad van rechtsvervolging. Verder rijst de vraag of individueel gerechtigden tot de vernietigingsactie van art. 1:89 BW een rechtens te respecteren belang hebben bij de beslissing in een collectieve actie op - zoals hier het geval - (alleen) de rechtsvraag naar de toepasselijkheid van de art. 1:88 en 1:89 BW, in dier voege dat hij of zij die beslissing moet kunnen afwachten zonder dat zijn of haar bevoegdheid tussentijds verjaart. Tegen een bevestigend antwoord op die vraag pleit dat voor het gaan lopen van een verjaringstermijn bekendheid met de juridische merites van de zaak niet is vereist.

3.12

Verder heeft Dexia met juistheid erop gewezen dat alleen de vordering tot schadevergoeding te voldoen in geld expliciet van de collectieve actie is uitgezonderd (art. 3:305a lid 3 BW). Het is echter maar de vraag of daaraan de conclusie moet worden verbonden dat de verjaring van andere individuele vervolgacties - die niet uitdrukkelijk van het collectieve actierecht zijn uitgesloten - niet onder het bereik van de stuitende werking van een collectieve vordering vallen. Tegen het standpunt van Dexia pleit dat op zichzelf in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:305a BW ten aanzien van de aard van de individuele vervolgacties geen beperkingen zijn aangelegd voor de stuitende werking van een collectieve vordering. De vervolgactie tot schadevergoeding te voldoen in geld is uitdrukkelijk bij wijze van voorbeeld genoemd; daarmee dus de mogelijkheid openlatend dat ook andere type vervolgacties door een collectieve vordering kunnen worden gestuit. (…)

3.13 (…)

Niet is in geschil dat de verjaring van een rechtsvordering tot vernietiging kan worden gestuit. Uit art. 3:55 lid 2 BW volgt dat zolang de rechtsvordering niet is verjaard, buitengerechtelijke vernietiging mogelijk is. De vraag die daarmee voorligt, is of door het instellen van een collectieve eis de rechtsvordering tot vernietiging wordt gestuit. (…)

3.14

Dexia heeft (…) gelijk met haar stelling dat als gevolg van de schikking gevolgd door royement de procedure die met de dagvaarding van 13 maart 2003 is ingeleid medio 2005 op andere wijze is geëindigd zoals bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW. Vaststaat bovendien dat [betrokkene 1] niet binnen zes maanden daarna (eind 2005) een nieuwe eis heeft ingesteld, zoals in die bepaling voor het gestand doen van de stuitende werking van de bij die dagvaarding ingestelde vorderingen is vereist. Daar staat echter tegenover dat de in geding zijnde vernietigingsbrief dateert van 2 februari 2005 en derhalve nog van vóór de schikking en het royement en tevens is verzonden binnen een termijn van zes maanden na het vonnis van 25 augustus 2004, waarbij vordering A) was toegewezen en vordering B) was afgewezen. Verder regardeert het [appellant] niet dat de Stichting Eegalease in het kader van de schikking afstand heeft gedaan van alle rechten en vorderingen die inzet waren van de betrokken procedure, waaronder de vorderingen A) en B). [appellant] heeft immers - als overwogen - verklaard niet aan de Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn.

3.2.6

Daarop heeft het hof de hiervoor onder 2 vermelde prejudiciële vragen gesteld.

Algemeen

3.3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen is het volgende van belang.

3.3.2

Voor het aangaan van een effectenleaseovereenkomst als hier aan de orde, is ingevolge art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW de toestemming van de andere echtgenoot vereist, met als gevolg dat die andere echtgenoot op de voet van art. 1:89 BW een beroep op de vernietigingsgrond kan doen bij ontbreken van zijn of haar toestemming (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837, NJ 2009/578).

3.3.3

Een vernietigbare rechtshandeling wordt vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke uitspraak (art. 3:49 BW). Ingevolge art. 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW verjaart de rechtsvordering tot vernietiging op de voet van art. 1:89 BW drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen aan degene aan wie die bevoegdheid toekomt ten dienste is komen te staan. Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling kan deze niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd (art. 3:52 lid 2 BW). Aan dit voorschrift ligt de regel ten grondslag dat een bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging gelijktijdig verjaart met de rechtsvordering tot vernietiging, waaruit volgt dat deze bevoegdheid ook niet verjaart voordat die rechtsvordering door verjaring wordt getroffen. Het hof heeft dan ook terecht tot uitgangspunt genomen dat voor beantwoording van de eerste vraag dient te worden beoordeeld of door het instellen van een collectieve actie de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging wordt gestuit. Is dit niet het geval, dan is immers ook de bevoegdheid van [betrokkene 1] tot buitengerechtelijke vernietiging intussen verjaard.

3.3.4

Met de regeling van art. 3:305a BW is beoogd een effectieve en efficiënte rechtsbescherming te bieden aan personen voor wier belangen een rechtspersoon als bedoeld in die bepaling opkomt. Een collectieve actie is in beginsel mogelijk als de bij de vordering betrokken belangen zich voor bundeling lenen. Met de regeling van art. 3:305a BW is tevens beoogd de totstandkoming van collectieve schikkingen te bevorderen. Denkbaar is dat vorderingen van belanghebbenden voor wie de rechtspersoon opkomt, tijdens onderhandelingen over een collectieve schikking dreigen te verjaren. De rechtspersoon, de belanghebbenden voor wie hij opkomt, maar evenzeer de schuldenaar, hebben dan ook belang erbij dat de verjaring kan worden gestuit op een wijze die niet onnodig belastend is. (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:766, NJ 2015/306)

3.3.5

Over de mogelijkheid tot stuiting van de verjaring van individuele rechtsvorderingen door het instellen van een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW is in de parlementaire geschiedenis het volgende opgemerkt (MvA, Kamerstukken II, 1992-1993, 22 486, nr. 5, p. 3-4):

“5. De leden van de CDA-fractie hebben voorts gevraagd in te gaan op de verjaringsproblematiek. Zij vroegen zich af of in individuele gevallen de verjaringstermijn wordt gestuit door het instellen van een collectieve actie. Artikel 3:316 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde. De woorden “van de zijde van de gerechtigde” brengen hierbij tot uitdrukking dat de verjaring niet alleen gestuit wordt door een handeling van de gerechtigde zelf, maar ook door een handeling van een ander aan diens zijde. Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 934. Die ander kan ook een belangenorganisatie zijn die mede ten behoeve van de gerechtigde een collectieve actie instelt. Dit is ook wenselijk omdat een gerechtigde individueel verder kan afzien van een daad van rechtsvervolging indien hij weet dat mede ten behoeve van hem een collectieve actie is ingesteld. Men houde hierbij overigens wel het tweede lid in gedachten, voor het geval de vordering in collectieve actie wordt afgewezen: er kan dan binnen zes maanden een nieuwe eis worden ingesteld. De regeling van het gezag van gewijsde brengt hier in principe mee dat een gerechtigde dezelfde eis nogmaals kan instellen. Overigens moet worden aangetekend dat voor stuiting niet van belang is welke eis wordt ingesteld. Een vordering tot een verklaring voor recht in een collectieve actie stuit derhalve de verjaringstermijn van een eventueel daarop aansluitende individuele rechtsvordering tot bijvoorbeeld schadevergoeding.”

De eerste prejudiciële vraag

3.4.1

Uit de hiervoor in 3.3.4 weergegeven strekking van art. 3:305a BW, alsmede uit de hiervoor in 3.3.5 aangehaalde parlementaire geschiedenis, vloeit voort dat het instellen van een collectieve actie op de voet van art. 3:316 lid 1 BW de verjaring kan stuiten van vorderingen van belanghebbenden voor wie de rechtspersoon opkomt. Tevens volgt daaruit dat ook aan een vordering tot verklaring voor recht stuitende werking kan toekomen, voor zover het gaat om de verjaring van individuele vorderingen die bij die verklaring voor recht aansluiten.

3.4.2

Anders dan Dexia betoogt, bestaat er geen grond de stuitende werking van een collectieve actie te beperken tot vorderingen tot schadevergoeding, met uitsluiting van andere vorderingen, zoals de in dit geding aan de orde zijnde vordering tot vernietiging van een effectenleaseovereenkomst. Blijkens de op art. 3:305a BW gegeven toelichting kunnen op grond van die bepaling alle vorderingen, behoudens die tot schadevergoeding, als collectieve actie worden ingesteld, waaronder uitdrukkelijk ook die tot vernietiging van overeenkomsten die door de individuele belanghebbenden zijn aangegaan, en kan terzake, zoals in dit geval is gebeurd, een verklaring voor recht worden gevorderd (Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 24-26). De belangen van individuele gerechtigden bij vernietiging van overeenkomsten als hier aan de orde lenen zich dan ook in beginsel voor bundeling in een daarbij aansluitende vordering op de voet van art. 3:305a BW. Indien een dergelijke vordering wordt ingesteld, past bij de met de collectieve actie beoogde effectieve en efficiënte rechtsbescherming dat een gerechtigde in afwachting van de uitkomst van die collectieve actie vooralsnog kan afzien van stuitingshandelingen of buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst.

Ook uit de slotzin van de hiervoor in 3.3.5 aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis volgt niet dat de wetgever de stuitende werking van een collectieve actie heeft willen beperken tot schadevergoedingsvorderingen. Deze zijn in de desbetreffende passage slechts als voorbeeld genoemd.

3.4.3

In een geval als dit, waarin de collectieve actie heeft geleid tot een WCAM-overeenkomst, heeft het uitbrengen van een ‘opt-out’-verklaring als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW niet tot gevolg dat de belanghebbende zich niet meer op de stuitende werking van die actie kan beroepen. De collectieve actie was immers mede ten behoeve van deze belanghebbende ingesteld en deze kan pas na het tot stand komen van een schikking beoordelen of hij daaraan gebonden wenst te zijn. Daarmee strookt niet om aan degenen die zich uiteindelijk niet aan de collectieve schikking willen binden achteraf de stuitende werking van de collectieve actie te ontzeggen.

3.4.4

Gelet op het voorgaande moet vraag 1 aldus worden beantwoord dat de stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring vanop die collectieve actie aansluitende individuele vorderingen tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW, hetgeen ingevolge het bepaalde in art. 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring wordt gestuit.

De tweede prejudiciële vraag

3.5.1

Bij de beantwoording van vraag 2 dient tot uitgangspunt dat de collectieve actie heeft geleid tot een collectieve schikking, waarvan onderdeel uitmaakt dat het hoger beroep is ingetrokken. Aldus is de procedure voor de toepassing van art. 3:316 lid 2 BW geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vorderingen.

3.5.2

Art. 3:316 lid 2 BW bepaalt dat de verjaring in dat geval slechts is gestuit indien binnen zes maanden nadat het geding is geëindigd een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Deze bepaling moet aldus worden begrepen dat het niet (tijdig) instellen van een nieuwe eis tot gevolg heeft dat de stuitende werking van de eerder ingestelde eis komt te vervallen (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7846, NJ 2014/495).

3.5.3

Het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is niet aan te merken als het instellen van een nieuwe eis als bedoeld in art. 3:316 lid 2 BW. Niettemin ziet de Hoge Raad aanleiding het uitbrengen van zodanige verklaring in geval van stuiting door een collectieve actie voor de toepassing van art. 3:316 lid 2 BW op één lijn te stellen methet instellen van een nieuwe eis. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.5.4

Uit de op art. 3:305a BW gegeven toelichting blijkt niet dat is gedacht aan het bijzondere geval van de in art. 3:52 lid 2 BW geregelde verjaring van de bevoegdheid om een overeenkomst buitengerechtelijk te vernietigen.

Zoals hiervoor in 3.4.2-3.4.4 is overwogen, is het uit een oogpunt van effectieve en efficiënte rechtsbescherming wenselijk dat een gerechtigde na stuiting van de verjaring door de collectieve actie vooralsnog kan afzien van stuitingshandelingen en van buitengerechtelijke vernietiging van de overeenkomst. Nu de wet een partij die een rechtshandeling kan vernietigen de mogelijkheid biedt om, in plaats van het instellen van een rechtsvordering tot vernietiging, een daartoe strekkende buitengerechtelijke verklaring uit te brengen, zou afbreuk worden gedaan aan het doel van effectieve en efficiënte rechtsbescherming indien de stuitende werking van een collectieve actie in dat geval slechts zou kunnen worden behouden door het in rechte instellen van een tot vernietiging strekkende vordering.

3.5.5

Gelet op het voorgaande moet vraag 2 aldus worden beantwoord dat een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als bedoeld in vraag 1, die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, tijdig is uitgebracht.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

beantwoordt de prejudiciële vragen als volgt:

  1. De stuitende werking op de voet van art. 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW strekt zich uit tot de verjaring van een op die collectieve actie aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW en leidt ingevolge het bepaalde in art. 3:52 lid 2 BW ertoe dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit.

  2. Een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring als bedoeld in vraag 1 die wordt uitgebracht voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken, is tijdig uitgebracht.

begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van [appellant] en op € 1.800,-- aan de zijde van Dexia.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 9 oktober 2015.