Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3013

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
14/04363
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:990, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1686, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Telefonisch gesloten overeenkomsten tot levering potgrond. Toepasselijkheid op afleverbonnen afgedrukte exoneratieclausule. Art. 3:33 en 3:35 BW, omstandigheden van het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2015/346
NJB 2015/1856
AR 2015/2028
NJ 2015/442 met annotatie van
RvdW 2015/1126
RCR 2016/1
Bb 2016/8.1
TvPP 2015, afl. 6, p. 180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2015

Eerste Kamer

14/04363

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

MEEGAA SUBSTRATES B.V.,
gevestigd te Maasland,
gemeente Midden-Delfland,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mr. D.M. de Knijff en
mr. A. van Staden ten Brink,

t e g e n

1. [verweerster 1] ,
gevestigd te [plaats] ,

2. [verweerder 2] en,

3. [verweerster 3] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

4. STICHTING DE GRONDIGE REDEN,
gevestigd te Honselersdijk, gemeente Westland,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaten: mr. J.P. Heering en
mr. L. van den Eshof.

Eiseres zal hierna ook worden aangeduid als MeeGaa en verweerders als [verweerder] (enkelvoud) en de Stichting.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 391110/ HA ZA 11-1078 van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2011, 5 oktober 2011 en 11 april 2012;

b. de arresten in de zaak 200.109.765/01 van het gerechtshof Den Haag van 16 juli 2013 en 27 mei 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft MeeGaa beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vaststelling dat het geding over de door MeeGaa tegen [verweerder] (verweerders in cassatie sub 1 t/m 3) ingestelde vordering van rechtswege is geschorst per 3 december 2014; en - in het geding over de door [verweerder] (verweerders in cassatie sub 1 t/m 3) tegen MeeGaa ingestelde vordering (die is gecedeerd aan de Stichting) - tot vernietiging van de bestreden arresten en verwijzing.

De advocaat van [verweerder] heeft bij brief van 3 juli 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] exploiteert een cactuskwekerij. MeeGaa is leverancier van potgrondproducten. MeeGaa is in oktober 2007 ontstaan uit een juridische fusie tussen [A] B.V. (hierna: [A] ) en [B] B.V.

(ii) In de periode van 2006 tot mei 2009 heeft [verweerder] regelmatig potgrondproducten afgenomen van eerst [A] en later MeeGaa. De bestelling van de producten geschiedde telefonisch. In veel gevallen werd door [verweerder] een afleverbon “voor ontvangst” getekend. Beide partijen behielden een exemplaar van de afleverbon. Op de afleverbonnen staat onder meer de volgende tekst:

“De aansprakelijkheid van de verkoper voor de kwaliteit van de verkochte goederen blijft onder alle omstandigheden beperkt tot ten hoogste het netto in rekening gebrachte factuurbedrag. (...) Op al onze aanbiedingen, leveranties en werkzaamheden zijn van toepassing de Algemene verkoopvoorwaarden van Potgrond fabrikanten, welke voorwaarden zijn gedeponeerd bij de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage onder nummer 25/2007.”

(iii) Deze algemene voorwaarden bevatten onder meer de volgende bepalingen:

“10.1 De wederpartij heeft de verplichting bij aflevering en uiterlijk binnen 24 uur (indien niet anders mogelijk steekproefsgewijs) te onderzoeken of hetgeen is afgeleverd aan de overeenkomst beantwoordt. Is dit niet het geval en doet de wederpartij daarvan niet binnen zeven dagen (na 24 uur na levering) schriftelijk mededeling aan de potgrondfabrikant dan verliest de wederpartij alle rechten terzake tekortkomingen in de nakoming verband houdende met het niet beantwoorden van hetgeen is afgeleverd aan de overeenkomst. Ontvangt de potgrondfabrikant niet binnen zeven dagen (na 24 uur na aflevering) een schriftelijke mededeling dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, dan wordt tussen partijen als bewezen geacht dat hetgeen is afgeleverd aan de overeenkomst beantwoordt.

(...)

10.3

Beantwoordt het afgeleverde niet aan de overeenkomst dan is de potgrondfabrikant te zijner keuze slechts gehouden tot aflevering van het ontbrekende, herstel van de afgeleverde zaak of vervanging van de afgeleverde zaak.

(...)

13.1

De potgrondfabrikant is slechts aansprakelijk voor schade, die aan zijn opzet of bewuste roekeloosheid te wijten is.

13.2

De potgrondfabrikant is nimmer gehouden tot vergoeding van schade, anders dan aan personen of zaken.

13.3

Indien er conform het bovenstaande sprake is van een of meer aansprakelijkheden, dan is/zijn deze aansprakelijkheid/aansprakelijkheden gezamenlijk te allen tijde gelimiteerd tot ten hoogste het met de betreffende rechtsbetrekking samenhangende door de wederpartij verschuldigde factuurbedrag, althans voor zover dit kennelijk onredelijk zou zijn tot ten hoogste het bedrag, dat door de assuradeur van de potgrondfabrikant als schade-uitkering beschikbaar wordt gesteld. (...)”

(iv) MeeGaa heeft aan [verweerder] facturen gestuurd voor leveringen in de periode van 11 maart 2008 tot en met 18 juli 2008 voor een totaalbedrag van € 3.288,66. Deze facturen zijn door [verweerder] voldaan. In verband met leveringen in de periode vanaf 18 juli 2008 tot en met mei 2009 heeft MeeGaa [verweerder] facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 14.929,21. Deze facturen heeft [verweerder] onbetaald gelaten.

(v) Bij brief van 2 april 2009 heeft [verweerder] MeeGaa aansprakelijk gesteld voor schade die het gevolg is van de levering van een kwalitatief verkeerde potgrond.

(vi) [verweerder] heeft MeeGaa bij brief van 7 februari 2012 bericht dat hij de overeenkomst tot koop en afname van potgrond met MeeGaa in de periode van 11 maart 2008 tot juni 2009 ontbindt vanwege ondeugdelijkheid van de geleverde potgrond, althans vanwege het onjuiste advies van MeeGaa om de besmette grond met een mengsel van potgrond en compost te mengen.

(vii) In september 2009 heeft Ammerlaan Adviesdiensten B.V. op verzoek van [verweerder] een schaderapport opgesteld. Ammerlaan begrootte de door [verweerder] als gevolg van de levering van foute potgrond gelede schade tot 1 oktober 2009 op € 751.500,--. In februari 2012 heeft Ammerlaan een aanvullend rapport uitgebracht, waarin de totale schade voor 2009-2014 werd geprognosticeerd op € 1.800.000,--.

3.2.1

In eerste aanleg heeft [verweerder] een verklaring voor recht gevorderd dat MeeGaa toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de potgrondleveranties in de periode 11 maart 2008 tot en met 18 juli 2008, dan wel jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Verder heeft [verweerder] gevorderd veroordeling van MeeGaa tot vergoeding van de door [verweerder] geleden schade. MeeGaa heeft in reconventie betaling gevorderd van haar openstaande facturen en schadevergoeding wegens gelegde beslagen.

3.2.2

De rechtbank heeft bij eindvonnis in conventie geoordeeld dat MeeGaa toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten tot levering van potgrond, omdat deze niet aan de overeenkomst beantwoordde. De rechtbank heeft echter het beroep van MeeGaa op de exoneratieclausule die is vermeld op de afleverbonnen gehonoreerd. In reconventie heeft de rechtbank geoordeeld dat [verweerder] gehouden was de openstaande facturen van MeeGaa te voldoen.

3.2.3

In hoger beroep heeft het hof bij tussenarrest geoordeeld dat de leveringen potgrond van 20 mei 2008 en 2 juli 2008 niet voldeden aan de overeenkomst. Over het beroep van MeeGaa op de exoneratieclausule op de afleverbonnen oordeelde het hof (rov. 3.12)

“…dat de enkele omstandigheid dat op de afleveringsbonnen van MeeGaa van meet af aan een exoneratieclausule is opgenomen, niet kan leiden tot het oordeel dat tussen partijen een exoneratie is overeengekomen. Dit klemt te meer, nu de handtekening op de afleverbonnen slechts is geplaatst “voor ontvangst” en niet is gesteld of gebleken dat partijen voorafgaande aan de eerste levering over een van toepassing zijnde exoneratie hebben gesproken. Dit betekent dat de grieven van [verweerder] in zoverre slagen.”

Over het beroep van Meegaa op toepasselijkheid van de algemene voorwaarden oordeelde het hof (rov. 3.14):

“Het hof stelt vast dat hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de vermelding van een exoneratieclausule op de afleveringsbonnen mutatis mutandis geldt voor de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Op grond van het enkele bijsluiten van algemene voorwaarden bij een factuur kan niet geconcludeerd worden dat de toepasselijkheid van algemene voorwaarden tussen partijen is overeengekomen. Dit geldt te meer nu in de brief van 11 mei 2007 waarin MeeGaa haar afnemers heeft geïnformeerd over de fusie (…), niet is gerept over van toepassing zijnde algemene voorwaarden. In de gegeven omstandigheid zou een en ander slechts anders kunnen zijn, indien zou komen vast te staan dat MeeGaa voorafgaande aan haar eerste leverantie een exemplaar van haar leveringsvoorwaarden aan [verweerder] heeft toegezonden / ter hand gesteld met de mededeling dat deze van toepassing zijn op al haar leveringen. In dat geval had [verweerder] immers moeten begrijpen dat (ook) MeeGaa de toegezonden algemene voorwaarden van toepassing wilde laten zijn op haar leveringen en moet worden aangenomen dat [verweerder] de toepasselijkheid heeft aanvaard bij het doen van een daarop volgende telefonische bestelling. Dat deze situatie zich voordoet is door [verweerder] ontkend. In het licht van de verklaring van [A] ter comparitie van partijen van 27 februari 2012 dat alle klanten van MeeGaa de algemene voorwaarden meegestuurd krijgen bij de eerste factuur, het ontbreken van een verwijzing naar de algemene voorwaarden in de brief van 11 mei 2007 waarin MeeGaa haar afnemers heeft geïnformeerd over de fusie en het ontbreken van een verwijzing naar een begeleidende brief, acht het hof de door MeeGaa te bewijzen aangeboden stelling dat ‘bij de overgang de voorwaarden nogmaals separaat ter hand (zijn) gesteld’ te weinig specifiek (MeeGaa stelt immers niet dat de ter handstelling gepaard is gegaan met enige begeleidende brief/mededeling) om relevant te zijn. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.”

Bij eindarrest heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank vernietigd, voor recht verklaard dat MeeGaa toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de potgrondleveranties van 20 mei 2008 en 2 juli 2008 en MeeGaa veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat.

3.3.1

Onderdeel 1 van het middel bevat een rechtsklacht tegen het hiervoor weergegeven oordeel van het hof over het beroep van MeeGaa op de exoneratieclausule die vermeld is op de afleverbonnen. Het onderdeel betoogt dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat de vermelding van een aansprakelijkheidsbeperking op afleverbonnen los van alle relevante omstandigheden van het geval steeds onvoldoende is voor het oordeel dat deze aansprakelijkheidsbeperking is overeengekomen, zijn oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Onderdeel 2 klaagt - onder verwijzing naar een aantal omstandigheden die het hof heeft vastgesteld of waarvan het de juistheid in het midden heeft gelaten zodat in cassatie van die juistheid moet worden uitgegaan - over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof over de het beroep van MeeGaa op de exoneratieclausule.

3.3.2

Deze klachten, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, slagen. Tot de omstandigheden waarvan in cassatie - deels veronderstellenderwijs - de juistheid moet worden aangenomen behoren de volgende. [verweerder] heeft van 2006 tot 2009 regelmatig potgrondproducten afgenomen van MeeGaa en van MeeGaa’s rechtsvoorganger [A] . Daarbij heeft [verweerder] ook al van [A] facturen en afleverbonnen ontvangen met daarop een verwijzing naar de Algemene Voorwaarden van Potgrondfabrikanten, waarin dezelfde aansprakelijkheidsbeperking is opgenomen. [verweerder] is een professionele partij die ermee bekend is dat potgrondfabrikanten deze voorwaarden hanteren;
een dergelijke aansprakelijkheidsbeperking is ook gebruikelijk bij de levering van potgrond. Een afleverbon was na iedere bestelling – welke bestellingen steeds telefonisch geschiedden – het eerste tussen partijen uitgewisselde document (waarna een factuur volgde waarop nogmaals naar de algemene voorwaarden is verwezen). Uit de ondertekening van de afleverbonnen volgt dat [verweerder] deze heeft gezien en van de daarop weergegeven tekst kennis heeft kunnen nemen. [verweerder] heeft nimmer tegen de op de afleverbonnen vermelde aansprakelijkheidsbeperking geprotesteerd.

3.3.3

Indien het oordeel van het hof aldus moet worden begrepen dat de hiervoor in 3.3.2 vermelde omstandigheden niet relevant zijn omdat in een geval als het onderhavige de toepasselijkheid van een op de afleverbonnen afgedrukte exoneratieclausule slechts kan worden aangenomen indien hetzij de ontvanger op die afleverbonnen een handtekening heeft geplaatst met het oog op de uitdrukkelijke aanvaarding van de toepasselijkheid van die clausule, hetzij partijen voorafgaand aan de eerste levering over de toepasselijkheid van die clausule hebben gesproken, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Bij de beantwoording van de vraag of partijen de toepasselijkheid van die exoneratieclausule zijn overeengekomen, mogen immers geen andere maatstaven worden aangelegd dan die welke in het algemeen gelden voor het tot stand komen van een overeenkomst, zoals neergelegd in art. 3:33 en 3:35 BW (vgl. HR 5 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0623, NJ 1992/565 en HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1033, NJ 1993/688).

Indien het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel niet begrijpelijk, nu uit die maatstaven voortvloeit dat het bij de beantwoording van de vraag of de exoneratieclausule deel uitmaakt van de tussen partijen gesloten overeenkomst aankomt op alle omstandigheden van het geval. Uit het oordeel van het hof blijkt niet of, en zo ja op welke wijze, het de hiervoor aangeduide omstandigheden, welke relevant kunnen zijn bij de beantwoording van voormelde vraag, in zijn oordeel heeft betrokken.

3.4.1

Onderdeel 3 bevat rechts- en motiveringsklachten tegen het hiervoor weergegeven oordeel van het hof over het beroep van MeeGaa op de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden en de daarin opgenomen beperking van haar aansprakelijkheid.

3.4.2

In het verlengde van het voorgaande slagen ook deze klachten, reeds omdat op de afleverbonnen van MeeGaa ook een verwijzing naar de door MeeGaa gehanteerde algemene voorwaarden is opgenomen en het hof kennelijk op dezelfde gronden als die welke hiervoor onder 3.3.3 zijn besproken heeft geoordeeld dat die verwijzing niet kan leiden tot toepasselijkheid van de algemene voorwaarden.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof Den Haag van 16 juli 2013 en 27 mei 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van MeeGaa begroot op € 927,89 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter, en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 9 oktober 2015.