Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:3009

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
14/04328
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:942, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:4599, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Bewijsaanbod in hoger beroep ten onrechte afgewezen; art. 166 Rv (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 111
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 128
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 149
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 163
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 166
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 353
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2015/342
NJB 2015/1855
RvdW 2015/1095
NJ 2015/426 met annotatie van
Prg. 2015/313
RBP 2015/86
JBPR 2015/68 met annotatie van mr. G.C.C. Lewin
JIN 2015/226 met annotatie van G.J. de Bock
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2015

Eerste Kamer

14/04328

RM/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

[verweerster] ,
gevestigd te [plaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 91244 / HA ZA 11-2085 van de rechtbank Dordrecht van 8 februari 2012;

b. het arrest in de zaak 200.107.288/01 van het gerechtshof Den Haag van 1 april 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerster] heeft op 17 januari 2007 19% van de aandelen in het kapitaal van Vivo-Biss B.V. verkregen.

(ii) [verweerster] heeft op 18, 19 en 30 januari 2007 in totaal € 100.000,-- overgemaakt op de bankrekening van Vivo-Biss B.V.

(iii) Op 13 oktober 2009 en 11 januari 2010 heeft de rechtbank op verzoek van [verweerster] in een voorlopig getuigenverhoor blijkens daarvan opgemaakte processen-verbaal als getuigen in enquête gehoord [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [eiser] . Partijen waren daarbij aanwezig en vertegenwoordigd.

3.2.1

In dit geding vordert [verweerster] , voor zover in cassatie van belang, dat [eiser] € 100.000,-- aan haar betaalt, met rente en kosten. Zij legt aan de vordering ten grondslag dat zij het hiervoor in 3.1 onder (ii) genoemde bedrag heeft betaald uit hoofde van een overeenkomst van geldlening met onder meer [eiser] en Vivo Biss B.V., en dat [eiser] zich hoofdelijk heeft verbonden het bedrag van de lening aan [verweerster] terug te betalen. De rechtbank heeft de vordering grotendeels toegewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld:

“7. De grieven 8 tot en met 10 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij keren zich tegen het oordeel van de rechtbank dat tussen [verweerster] als schuldeiser en [eiser] als schuldenaar een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. In zijn toelichting op die grieven stelt [eiser] allereerst dat [betrokkene 2] op een aantal punten niet de waarheid heeft gesproken. Aangezien [eiser] deze stelling slechts toelicht door erop te wijzen dat hij op bedoelde punten anders heeft verklaard, moet zijn stelling als onvoldoende gemotiveerd van de hand worden gewezen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat [eiser] weliswaar bij akte een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan doch dat hij daarbij niet heeft aangeboden om [betrokkene 2] opnieuw als getuige te doen horen, laat staan onder vermelding dat deze getuige meer of anders zou kunnen verklaren dan hij al had gedaan, meer precies dat een confrontatie met de beweerdelijke onjuistheden tot een nadere verklaring in het voordeel van [eiser] zou leiden.”

(…)

15. Als eerder gezegd heeft [eiser] bij akte een gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. De door hem in dit verband genoemde getuigen zijn echter niet rechtstreeks bij de onderhandelingen over de overeenkomst van geldlening betrokken geweest, terwijl [eiser] ook niet aangeeft – hetgeen in dit stadium van de procedure van hem mocht worden verlangd – in welk opzicht verklaringen van die getuigen afbreuk zouden doen aan de in voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen. Het hof gaat dan ook aan dit aanbod als niet ter zake dienend voorbij.”

3.3

Het middel klaagt dat het hof het (tegen)bewijsaanbod van [eiser] heeft gepasseerd op een wijze die rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is. Het bewijsaanbod van [eiser] voldoet aan de eis van art. 166 lid 1 Rv dat het ter zake dienend is. Het hof heeft in rov. 7 ten onrechte de eis gesteld dat [eiser] had moeten aanbieden [betrokkene 2] opnieuw als getuige te doen horen. Voor de beslissing van het hof in rov. 15 is niet redengevend of de door [eiser] genoemde getuigen rechtstreeks bij de onderhandelingen over de overeenkomst van geldlening betrokken zijn geweest, daargelaten dat in een bewijsaanbod niet hoeft te worden vermeld wat de getuigen zouden kunnen verklaren.

3.4

[eiser] heeft bij akte in hoger beroep onder meer het volgende aangevoerd:

“5. (…) In bijzijn van vier getuigen deelt [eiser] [betrokkene 2] mee dat hij niet garant wil staan, laat staan geldnemer. De getuigen zijn: [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] . Zie punt 24 van deze akte. (…)

24. [eiser] biedt nadrukkelijk bewijs aan van zijn stellingen. De vier reeds genoemde personen kunnen bevestigen dat [eiser] nimmer een lening is aangegaan resp. dat [eiser] nimmer een garantie heeft verstrekt. (…) Ook [eiser] wil getuigen. (…)”

3.5

Bij de beoordeling van deze klacht is op grond van vaste rechtspraak (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270) uitgangspunt dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.

3.6

In het licht van het voorgaande zijn de klachten gegrond. Het hof heeft miskend dat, indien bewijs wordt aangeboden door het horen van getuigen die nog niet eerder zijn gehoord en de aldus te bewijzen feiten terzake dienend zijn, niet de eis kan worden gesteld dat wordt toegelicht in welk opzicht de verklaringen van deze getuigen afbreuk zouden kunnen doen aan eerder afgelegde verklaringen door andere getuigen. Voor zover het hof het bewijsaanbod heeft gepasseerd op de grond dat de in het bewijsaanbod vermelde getuigen niet rechtstreeks bij de onderhandelingen over de overeenkomst betrokken zijn geweest, heeft het miskend dat deze omstandigheid niet zonder meer tot de conclusie kan leiden dat het bewijsaanbod niet ter zake dienend is. Ook de omstandigheid dat [eiser] niet heeft aangeboden de eerder gehoorde getuige [betrokkene 2] opnieuw te doen horen, kan die conclusie niet dragen.

3.7

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 april 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.094,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. de Groot, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 9 oktober 2015.